ECLI:NL:RBLIM:2026:4210

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
12015545 CV EXPL 25-6171
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Van Leeuwen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsverplichting zorgverzekering na beëindiging betalingsregeling door zorgverzekeraar

De verzekerde had een zorgverzekering bij VGZ en liet een bedrag van €11.731,57 aan premies en declaraties onbetaald. Na een eerdere procedure waarbij een deel van €500 werd toegewezen, sloten partijen een betalingsregeling. Deze regeling werd door VGZ beëindigd vanwege het opnieuw niet betalen van declaraties.

VGZ vorderde betaling van het resterende bedrag van €10.392,98 vermeerderd met rente en proceskosten. De verzekerde stelde dat hij de regeling netjes nakwam en dat VGZ deze onterecht had beëindigd, maar kon dit niet onderbouwen. De rechtbank oordeelde dat VGZ gerechtigd was de regeling te beëindigen en dat de verzekerde geen gebruik had gemaakt van de mogelijkheid tot een nieuwe regeling.

De gevorderde rente werd afgewezen omdat VGZ de toepasselijke algemene voorwaarden niet had overgelegd, waardoor toetsing op oneerlijke bedingen niet mogelijk was. De verzekerde werd veroordeeld tot betaling van €10.147,75 en de proceskosten van €1.713,14. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De verzekerde wordt veroordeeld tot betaling van het openstaande bedrag en proceskosten na gerechtvaardigde beëindiging van de betalingsregeling.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12015545 \ CV EXPL 25-6171
Vonnis van 6 mei 2026
in de zaak van
VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V.,
gevestigd te Arnhem,
eisende partij,
hierna te noemen: VGZ,
gemachtigde: Inkassier, Gerechtsdeurwaarders & Incasso,
tegen
[gedaagde],
wonende te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] heeft bij VGZ een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet afgesloten. De verzekering is bij VGZ geregistreerd onder [klantnummer] .
2.2.
Op de zorgverzekering zijn de polisvoorwaarden van VGZ van toepassing.
2.3.
[gedaagde] heeft – in beginsel – een bedrag van € 11.731,57 aan verschuldigde premies en declaraties onbetaald gelaten.
2.4.
VGZ heeft [gedaagde] bij dagvaarding van 9 maart 2021 gedagvaard, waarbij VGZ haar vordering heeft beperkt tot € 500,00 aan hoofdsom, met uitdrukkelijke reservering van haar rechten op het overige. Bij vonnis van 4 mei 2021 is een bedrag van € 500,00 aan hoofdsom aan VGZ toegewezen.
2.5.
Partijen hebben een betalingsregeling getroffen. Deze regeling is komen te vervallen naar aanleiding van het opnieuw onbetaald laten van declaraties.

3.Het geschil

3.1.
VGZ vordert - samengevat – om [gedaagde] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – te veroordelen tot betaling aan VGZ van een bedrag van € 10.392,98, vermeerderd met rente en proceskosten. Het bedrag van € 10.392,98 is als volgt opgebouwd:
  • oorspronkelijke hoofdsom € 11.731,57
  • wettelijke rente tot 16 oktober 2025
  • totaal € 11.976,80
  • voldaan
  • totaal € 10.392,98.
3.2.
[gedaagde] voert verweer en stelt zich op het standpunt dat hij een betalingsregeling met VGZ had getroffen die hij netjes nakwam, maar die VGZ zonder reden heeft beëindigd. [gedaagde] wil de regeling nog steeds nakomen.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

procedure
4.1.
Naar aanleiding van het door [gedaagde] ter rolzitting van 4 februari 2026 aangevoerde, heeft VGZ een conclusie van repliek genomen. Zij heeft ter gelegenheid daarvan haar vordering nader toegelicht en het antwoord van [gedaagde] besproken. [gedaagde] is bij brief van 4 maart 2026 in de gelegenheid gesteld om te reageren op de door VGZ indiende conclusie van repliek. [gedaagde] heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
hoofdsom
4.2.
VGZ vordert betaling van onbetaald gelaten premies en declaraties. Als productie 1 is een specificatie van de vordering overgelegd.
4.3.
Als onweersproken staat vast dat de oorspronkelijke hoofdsom € 11.731,57 bedroeg en dat [gedaagde] inmiddels € 1.583,82 aan VGZ (of diens gemachtigde) heeft betaald.
4.4.
Eveneens staat vast dat de tussen partijen overeengekomen betalingsregeling door VGZ is beëindigd. [gedaagde] voert aan dat VGZ dit zonder reden heeft gedaan. Uit de aan [gedaagde] gezonden brief van 23 april 2025, waarvan de ontvangst door [gedaagde] niet is betwist, blijkt echter dat de regeling is beëindigd omdat [gedaagde] zich niet heeft gehouden aan de voorwaarden van de betalingsregeling (de hoofdsom is verhoogd doordat declaraties niet zijn voldaan). VGZ was dan ook gerechtigd om de betalingsregeling te beëindigen. Aan [gedaagde] is nog de kans geboden om een nieuwe betalingsregeling te treffen, maar daar heeft [gedaagde] (kennelijk) geen gebruik gemaakt.
4.5.
Gelet op het voorgaande ligt de gevorderde (restant)hoofdsom voor toewijzing gereed.
rente
4.6.
VGZ vordert verder betaling van rente. De kantonrechter moet in beginsel ambtshalve vaststellen of in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt over dit gevorderde onderdeel en beoordelen of die afspraken al dan niet eerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak niet eerlijk is, moet het betreffende beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen, ook als de VGZ in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak. Dit alles volgt uit het Dexia-arrest (HvJ EU 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68) en het Gupfinger-arrest (HvJ, EU 8 december 2022, ECLI:EU:2022:971).
Vanaf 1 april 2025(datum betekening) dienen bij alle dagvaardingen in consumentenzaken de voor de beoordeling relevante stukken op papier aangeleverd te worden, zo ook de algemene voorwaarden die op de overeenkomst van toepassing zijn.
Nu VGZ in onderhavige kwestie deze niet heeft overgelegd kan er niet getoetst worden of de algemene voorwaarden een oneerlijk beding bevatten op dit onderdeel. De kantonrechter zal daarom de reeds vervallen rente en de wettelijke rente vanaf 16 oktober 2025 afwijzen.
betalingsregeling
4.7.
[gedaagde] heeft verklaard de betalingsregeling nog steeds te willen nakomen. Nu de betalingsregeling is geëindigd kan deze niet meer worden nagekomen. De kantonrechter begrijpt echter uit de woorden van [gedaagde] dat deze een nieuwe betalingsregeling wenst te treffen met VGZ.
4.8.
Daartoe wordt overwogen dat een betalingsregeling een zaak tussen partijen is waarmee de kantonrechter geen bemoeienis heeft. [gedaagde] zal zich daarom bij VGZ (of diens gemachtigde) moeten melden om opnieuw afspraken te maken.
proceskosten
4.9.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van VGZ worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,14
- griffierecht
559,00
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.713,14
4.10.
De gevorderde btw over de nakosten zal, voor zover die nakosten zien op het salaris gemachtigde, worden afgewezen nu hiervoor geen wettelijke grondslag bestaat.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan VGZ te betalen een bedrag van € 10.147,75,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.713,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.