ECLI:NL:RBLIM:2026:4256

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
ROE 23/1610
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 8:89 AwbArt. 8:90 AwbArt. 8:91 AwbArt. 8:92 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen UWV inzagebesluit persoonsgegevens in FSV-registratie ongegrond verklaard

Eiser heeft het UWV verzocht om inzage in zijn persoonsgegevens die verband houden met zijn registratie in de FSV. Het UWV heeft dit verzoek deels ingewilligd en een overzicht verstrekt van raadplegingen en gegevensuitwisseling, maar eiser betwist de volledigheid van deze inzage.

De rechtbank oordeelt dat het UWV voldoende inzicht heeft gegeven in de verrichte inspanningen en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de inzage onvolledig is. De werking van het workflow systeem Phoeniks en de koppeling met de Belastingdienst vallen niet onder het inzageverzoek. Ook de verwijzing naar andere zaken en e-mailuitwisseling biedt geen grond voor het beroep.

Daarnaast heeft eiser een verzoek ingediend tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden en kent een vergoeding van € 2.000 toe, te betalen door het UWV en de Staat der Nederlanden. Het griffierecht wordt terugbetaald en proceskosten worden vergoed.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand, en het verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen. De uitspraak is gedaan door rechter Derks-Voncken op 1 mei 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het UWV-besluit wordt ongegrond verklaard, maar eiser krijgt een schadevergoeding van € 2.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 23/1610

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] uit [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. A.C.S. Grégoire),
en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV)

(gemachtigde: mr. R. Boonstra).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser [1] tegen het besluit van het UWV van 27 juni 2023 (het bestreden besluit). Met dat besluit heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en is het UWV gebleven bij de besluiten op het inzageverzoek van eiser. De rechtbank beslist in deze uitspraak ook op het verzoek om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn waarin de rechtbank een uitspraak moet doen.
2. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek op 4 maart 2026 op een zitting behandeld. Aan de zitting hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Wat ging aan het instellen van het beroep vooraf?
3. Met de brief van 11 maart 2022 heeft eiser aan het UWV gevraagd om
1) “in de systemen van het UWV na te gaan of er links zijn richting Belastingdienst/Belastingdienst Toeslagen”
2) “of de FSV is geraadpleegd”
3) “en of gegevens zijn uitgewisseld met/van zgn. ketenpartners (denk aan de gemeente) via het Inlichtingenbureau”.
4. Met de besluiten van 25 april 2022 en 17 november 2022 heeft het UWV op het verzoek beslist. Tegen beide besluiten heeft eiser bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit heeft het UWV op beide bezwaarschriften beslist zoals weergegeven onder 1.
Wat voert eiser in beroep aan en slaagt dit?
Inzicht in het onderzoek en de volledigheid van de inzage
5. Eiser vindt niet inzichtelijk welke inspanningen het UWV heeft verricht om aan het inzageverzoek te voldoen. Eiser betwist dat niet op persoonsniveau inzage kan worden gegeven en verwijst naar de lijsten die Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen (BKWI) kan produceren en waarop te zien is welke instantie wanneer gegevens heeft opgevraagd. Eiser vindt dat het UWV zich niet meer kan beroepen op een oude afspraak met het College bescherming persoonsgegevens die in dit verband is gemaakt. Verder is de zoekopdracht in workflow systeem Phoeniks met zoekmethode PHO-40250 volgens eiser te beperkt geweest. Eiser weet dat de Belastingdienst in een ander geval via e-mail persoonsgegevens van iemand die in de FSV geregistreerd stond heeft gewisseld. Ook daarom is het onderzoek te beperkt geweest. Voor eiser is verder niet duidelijk geworden hoe het workflow systeem Phoeniks werkt, hoe de koppeling van meldingen van de Belastingdienst werkt en door wie een signaal gezien wordt.
6. Het UWV heeft aan eiser uitgelegd dat het gegevens elektronisch uitwisselt met verschillende genoemde overheidsinstanties, wat de doelen zijn waarvoor de gegevens worden verstrekt en wat de wettelijke grondslagen zijn waarop de verstrekkingen gebaseerd zijn. Daarbij heeft het UWV aangegeven dat de verstrekkingen niet op persoonsniveau worden bijgehouden en dat dit in 2004 door het College bescherming persoonsgegevens geaccordeerd is. Daarnaast heeft het UWV eiser een overzicht verstrekt van de raadplegingen van zijn gegevens in de periode 28 april 2021 tot 28 oktober 2022. In de toelichting bij het overzicht staat dat gegevens 18 maanden worden bewaard. Verder heeft het UWV aan eiser een schermprint van het workflow systeem Phoeniks verstrekt. Op de schermprint is te zien dat het BSN-nummer van eiser is ingevoerd en dat er geen informatie over eiser in het systeem staat. In de toelichting bij de schermprint staat dat dit betekent dat er geen onderzoek vanuit de afdeling handhaving is geweest, eiser niet voorkomt in een fraude- of risicoselectie die door de afdeling handhaving is gemaakt en dat er ook geen melding over eiser bij het UWV is geweest. Het UWV heeft eiser ook nog een overzicht verstrekt van de historie van gegevens in Suwinet-inkijk. In dit overzicht staat hoe ver terug historische gegevens kunnen worden ingezien uitgesplitst naar bron en soort gegevens.
7. De rechtbank is van oordeel dat het UWV met de gegeven inzage inzichtelijk heeft gemaakt welke inspanningen het UWV naar aanleiding van het inzageverzoek heeft verricht. Hoe het workflow systeem Phoeniks werkt, hoe de koppeling van meldingen van de Belastingdienst werkt en door wie een signaal gezien wordt, valt niet onder het inzageverzoek. Het UWV heeft daarom naar aanleiding van het inzageverzoek daarop niet hoeven in te gaan. Wat eiser in zoverre aanvoert slaagt dus niet.
8. Met een verwijzing naar de lijsten die BKWI kan reproduren heeft eiser niet aannemelijk [2] gemaakt dat de inzage die hij heeft gekregen niet volledig is geweest. Op die lijsten is niet te zien welke gegevens met de raadplegende instanties zijn gedeeld. Bovendien heeft het UWV eiser een overzicht verstrekt van de raadplegingen van gegevens van eiser over de op dat moment maximale periode. Het akkoord van het college bescherming persoonsgegevens en de gedateerdheid ervan is in deze zaak op zich niet relevant. Het gaat in deze zaak namelijk alleen over de gegeven inzage en niet over de reden waarom in de systemen van het UWV niet op persoonsniveau is na te gaan welke gegevens het UWV aan andere instanties verstrekt.
8.1
De vermelding van: “PHO-40350: zoekvraag levert geen records op” onder aan de schermprint van het workflow systeem Phoeniks betekent niet dat “PHO-40350” de zoekvraag is geweest. Uit de schermprint van het workflow systeem Phoeniks blijkt dat de zoekvraag het BSN-nummer van eiser is geweest. Dit komt ook overeen met wat de gemachtigde op de zitting heeft verklaard, namelijk dat een dossier in het workflow systeem Phoeniks met een BSN-nummer wordt geopend. De rechtbank heeft geen reden hieraan te twijfelen. Dat het onderzoek in workflow systeem Phoeniks niet volledig is geweest volgt de rechtbank daarom ook niet.
8.2
De verwijzing naar het verwerken van persoonsgegevens via mail in een andere zaak van een andere eiser geeft verder geen aanknopingspunt om aan te kunnen nemen dat dit in het geval van eiser is gebeurd. Dat het UWV naar aanleiding van het inzageverzoek de mailboxen van individuele medewerkers niet heeft doorzocht, maakt dan ook overigens niet dat het onderzoek niet volledig is geweest.
8.3
Wat eiser aanvoert over de onvolledigheid van de inzage slaagt daarom niet.
9. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank geen aanleiding gezien getuigen te horen over het delen van persoonsgegevens en om een onderzoek ter plaatse in te stellen naar de verwerkingen van persoonsgegevens van eiser zoals door eiser gevraagd.
Verwijzing naar een andere zaak en bezwaar
10. Eiser verwijst nog naar een andere zaak in zijn ogen over vergelijkbare problematiek en naar wat hij in bezwaar heeft aangevoerd.
11. Met de enkele verwijzing naar die andere zaak zonder aan te geven wat die zaak voor het bestreden besluit betekent en naar het bezwaar waarover het UWV in het bestreden besluit een standpunt heeft ingenomen heeft eiser het bestreden besluit niet gemotiveerd bestreden. Wat eiser aanvoert slaagt daarom al niet.
Het verzoek om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn
12. Eiser verzoekt om vergoeding van schade die hij stelt te hebben geleden door overschrijding van de redelijke termijn voor het doen van een uitspraak. Sinds de inwerkingtreding van de verzoekschriftprocedure [3] oordeelt de rechtbank met verdragsconforme toepassing van de verzoekschriftprocedure over zo’n verzoek. Als zo’n verzoek wordt gedaan wordt frustratieschade door het lange wachten op de uitkomst van de procedure verondersteld.
13. Vaste rechtspraak is dat zaken binnen een redelijke termijn moeten worden behandeld. In de regel is dat een termijn van twee jaren. [4] De rechtbank gaat in deze zaak ook uit van een redelijke termijn van twee jaren. In vaste rechtspraak wordt verder voor vergoeding van die schade uitgegaan van een schadevergoeding van € 500,- voor een termijnoverschrijding tot zes maanden. [5]
14. De redelijke termijn is in deze zaak begonnen met de ontvangst van het eerste bezwaarschrift van eiser door het UWV op 4 mei 2022 en loopt tot de dag waarop de rechtbank deze uitspraak doet. De redelijke termijn is met bijna twee jaren overschreden. Dit betekent dat eiser een schadevergoeding toekomt van € 2.000,-. Het UWV heeft niet op tijd (binnen zes maanden) op het bezwaar beslist. De rechtbank heeft niet op tijd (binnen anderhalf jaar) op het beroep beslist. De overschrijding van de redelijke termijn is daarom aan het UWV en aan de rechtbank te wijten. Omdat de termijnoverschrijding aan het UWV en de rechtbank is te wijten zal het UWV en (voor de rechtbank) de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) de schadevergoeding moeten betalen; het UWV een bedrag van afgerond € 940,- en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) een bedrag van afgerond € 1.060,-.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is ongegrond omdat niet slaagt wat eiser in de beroepszaak aanvoert. Eiser krijgt dus geen gelijk en het bestreden besluit blijft in stand. Het verzoek om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 2.000,-.

Griffierecht en proceskosten

In de beroepszaak
16. Eiser heeft een beroep op betalingsonmacht gedaan. De rechtbank stelt vast dat eiser voldoet aan de criteria voor vrijstelling van de betaling van het griffierecht. De griffier heeft het beroep op betalingsonmacht daarom ten onrechte afgewezen. De rechtbank zal de griffier daarom opdragen het door eiser betaalde griffierecht aan eiser terug te laten betalen.
17. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding
18. Omdat het verzoek om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen en het UWV en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) de schadevergoeding moeten betalen, moeten het UWV en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) ook een vergoeding betalen voor de proceskosten die eiser in verband met het schadevergoedingsverzoek heeft gemaakt. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht telt de rechtbank één punt voor het indienen van het verzoekschrift. De rechtbank gaat uit van een waarde per punt van € 934,- en past wegingsfactor 0,5 toe. Dit betekent het UWV en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) elk een bedrag van € 233,50 moeten vergoeden. De rechtbank ziet geen aanleiding om een punt toe te kennen voor de behandeling van het verzoek op de zitting. Het verzoek is namelijk op de zitting nauwelijks aan de orde gekomen.

Beslissing

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn toe tot een bedrag van € 2.000,-; € 940,- te betalen aan eiser door het UWV en € 1.060,- te betalen aan eiser door de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid);
- veroordeelt het UWV en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan eiser van een vergoeding voor proceskosten gemaakt in verband met het verzoek om schadevergoeding elk tot een bedrag van € 233,50,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.W.C.M. Frings, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026.
griffier
Rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 1 mei 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voor een betere leesbaarheid van de uitspraak noemt de rechtbank eiser in de uitspraak ook als daar zou moeten staan de
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:218).
3.Titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (de artikelen 8:88 tot en met 8:95 van de Awb).
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 18 oktober 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3853).
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak genoemd in noot 4.