ECLI:NL:RBLIM:2026:4307

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
12114715 \ CV EXPL 26-1034
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
  • dr. Verhoeven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond tegen ontruiming, kantoorverbod en betalingsachterstand in huurzaken

In deze kort geding procedure heeft de huurder verzet aangetekend tegen een verstekvonnis waarin ontruiming, een kantoorverbod en een betalingsachterstand waren toegewezen. De rechtbank Limburg heeft het verzet ongegrond verklaard en het verstekvonnis bekrachtigd.

De bodemrechter had eerder de huurovereenkomst ontbonden en ontruiming toegewezen, wat de rechtbank in deze kort geding procedure als maatstaf hanteerde. De kantonrechter oordeelde dat de ontruiming terecht was toegewezen en dat het kantoorverbod, dat niet in de bodemprocedure aan de orde was, gegrond was vanwege bedreigend gedrag van de huurder jegens een medewerker. Ook de betalingsachterstand werd terecht toegewezen, omdat deze voldoende vaststond en er sprake was van spoedeisend belang.

De huurder voerde onder meer aan dat er geen spoedeisend belang was en dat het kantoorverbod niet meer relevant was, maar deze verweren werden verworpen. De huurder werd veroordeeld in de proceskosten van het verzet. Het vonnis werd uitgesproken door de kantonrechter dr. Verhoeven op 6 mei 2026.

Uitkomst: Het verzet van de huurder wordt ongegrond verklaard en het verstekvonnis met ontruiming, kantoorverbod en betalingsachterstand wordt bekrachtigd.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12114715 \ CV EXPL 26-1034
Vonnis in kort geding van 6 mei 2026
in de zaak van
[huurder],
te [plaats] ,
eisende partij in verzet,
hierna te noemen: [huurder] ,
gemachtigde: mr. R.G.P. Voragen,
tegen
STICHTING KRIJTLAND WONEN,
te Simpelveld,
gedaagde partij in verzet,
hierna te noemen: Krijtland Wonen,
gemachtigde: mr. R.M.I. Cornelissen.

1.De procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 8 april 2026,
- de akte van Krijtland Wonen,
- de akte van [huurder] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

Akten van partijen naar aanleiding van tussenvonnis
2.1.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over de vraag of op 8 april 2026 vonnis is gewezen in de bodemzaak alsmede over de gevolgen van de uitspraak in de bodemprocedure voor deze kort geding procedure.
2.2.
Op 8 april 2026 is eindvonnis gewezen in de bodemprocedure met zaaknummer 11957609 \ CV EXPL 25-4585. In dit vonnis is de tussen partijen bestaande huurovereenkomst ontbonden en is [huurder] veroordeeld om het gehuurde binnen veertien dagen na betekening te ontruimen. [huurder] is tevens veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is gemotiveerd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.3.
Krijtland Wonen stelt in haar akte dat de toegewezen ontbinding en ontruiming in de bodemprocedure impliceert dat de maatstaf voor het toewijzen van een ontruimingsvordering in het verstekvonnis in dit kort geding juist is toegepast en dat de reeds toegewezen ontruiming in het kort geding dan ook terecht is toegewezen. Het vonnis in de bodemprocedure verandert de gevolgen van de uitspraak niet. Het is een bevestiging dat de ontruiming – zij het op andere gronden vanwege de bedreiging op het kantoor van Krijtland Wonen – terecht is toegewezen. Het vonnis in de bodemprocedure heeft geen invloed op het kantoorverbod met dwangsommen nu dat in de bodemprocedure geen onderwerp van geschil is geweest. Het kantoorverbod is nog steeds actueel naar aanleiding van de gebeurtenissen op 5 december 2025. Ook de huurachterstand, de stookkosten en de proceskostenveroordeling zijn geen onderwerp van het geschil geweest in de bodemprocedure en zijn nog altijd zeer actueel. Op grond van het voorgaande meent Krijtland Wonen dat de volledige veroordeling zoals uitgesproken in het verstekvonnis in kort geding van 22 januari 2026 volledig in stand dient te blijven.
2.4.
[huurder] stelt zich bij akte op het standpunt dat de toewijzing van de ontbinding en ontruiming in de bodemprocedure impliceert dat er geen spoedeisend belang was bij de gevorderde ontruiming in kort geding. Ook ten aanzien van de vermeende huurachterstand is geen spoedeisend belang aanwezig. Dit geldt ook voor het kantoorverbod. Het verbod is reeds schriftelijk aangezegd en [huurder] heeft aangegeven niet meer op kantoor te verschijnen. [huurder] heeft dat sindsdien ook niet meer gedaan. [huurder] stelt zich dan ook op het standpunt dat het verzet gegrond dient te worden verklaard en de oorspronkelijke vorderingen van Krijtland Wonen dienen te worden afgewezen.
Ontruiming
2.5.
Indien de bodemrechter eerder heeft beslist dan de voorzieningenrechter, moet deze laatste bij zijn beslissing over een voorlopige voorziening zijn oordeel in beginsel afstemmen op dat van de bodemrechter. [1] Dat in het kort geding mede andere feiten zijn aangevoerd ten aanzien van de gevorderde ontruiming maakt dat niet anders.
2.6.
De kantonrechter oordeelt op grond van het voorgaande dat de ontruiming terecht is toegewezen.
Kantoorverbod
2.7.
Het kantoorverbod was geen onderwerp van het geschil in de bodemprocedure. [huurder] heeft niet betwist dat het voorval op 5 december 2025 heeft plaatsgevonden op het kantoor van Krijtland Wonen. [huurder] heeft ter mondelinge behandeling enkel de oorzaak van zijn gedrag toegelicht. Volgens [huurder] is zijn gedrag te wijten aan een trauma en emotionele stress en is hij getriggerd door het gedrag van Krijtland Wonen. [huurder] heeft naar het oordeel van de kantonrechter bedreigend en agressief gehandeld jegens een medewerker van Krijtland Wonen en dat is onacceptabel, ongeacht de oorzaak van zijn gedrag. Ter mondelinge behandeling heeft Krijtland Wonen toegelicht dat de desbetreffende medewerker nog steeds last heeft van het voorval met [huurder] . In de gegeven omstandigheden kan van Krijtland Wonen dan ook niet gevergd worden dat zij (voor dit onderdeel) een uitspraak in een bodemprocedure afwacht en zij heeft dus een spoedeisend belang bij haar vordering. Gezien de ernst van de gedragingen van [huurder] en de invloed daarvan op de desbetreffende medewerker is de schriftelijke aanzegging van [huurder] niet afdoende.
2.8.
De kantonrechter oordeelt op grond van het voorgaande dat het kantoorverbod en de daarbij behorende dwangsommen terecht zijn toegewezen.
Betalingsachterstand
2.9.
Ook de gevorderde betalingsachterstand was geen onderwerp van het geschil in de bodemprocedure. In een kort geding moet terughoudend worden omgegaan met toewijzing van een geldvordering. Om een dergelijke vordering in kort geding te kunnen toewijzen, is nodig dat die vordering in voldoende mate vaststaat. Ook moet er sprake zijn van omstandigheden die meebrengen dat, vanwege een grote mate van spoedeisendheid, een onmiddellijke voorziening moet worden getroffen. Ten slotte moet rekening worden gehouden met het risico dat de eiser het geldbedrag niet kan terugbetalen in het geval hij in de bodemprocedure alsnog in het ongelijk wordt gesteld.
2.10.
Krijtland Wonen heeft een spoedeisend belang bij haar geldvordering. Nu [huurder] naar aanleiding van de uitspraak in de bodemprocedure geen huurder meer is van Krijtland Wonen, acht de kantonrechter het aannemelijk dat dit kan leiden tot incassoperikelen. [huurder] heeft de betalingsachterstand ter mondelinge behandeling onvoldoende betwist. Van een restitutierisico aan de zijde van Krijtland Wonen is geen sprake.
2.11.
De kantonrechter oordeelt op grond van het voorgaande dat ook de gevorderde betalingsachterstand terecht is toegewezen.
Conclusie
2.12.
Bovenstaande overwegingen leiden tot de conclusie dat het verzet ongegrond is en dat het verstekvonnis dient te worden bekrachtigd.
Proceskosten
2.13.
[huurder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten in verzet betalen. De proceskosten van Krijtland Wonen worden begroot op € 322,00 aan salaris gemachtigde (zijnde het verschil tussen het liquidatietarief in de verstekprocedure en het liquidatietarief bij tegenspraak).

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
verklaart het verzet ongegrond,
3.2.
bekrachtigt het op 22 januari 2026 met zaaknummer 12013826 \ CV EXPL 25-5647 gewezen verstekvonnis,
3.3.
veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 322,00, te vermeerderen met de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. dr. Verhoeven en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.

Voetnoten

1.HR 7 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0015 (Yukos/Promneftstroy en Rosneft); HR 19 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5870 (Staat/NVV c.s.).