ECLI:NL:RBLIM:2026:4330

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
2 mei 2026
Zaaknummer
C/03/351376 / BZ RK 26/748
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Mil
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:3 WvggzArt. 10:7 lid 1 WvggzArt. 10:7 lid 2 WvggzArt. 10:9 lid 1 WvggzArt. 2:1 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot schorsing van verplichte depotmedicatie bij gedwongen zorg

Verzoekster, verblijvend in een zorgaccommodatie, ontvangt verplichte zorg op grond van een zorgmachtiging tot 16 juli 2026, waaronder antipsychotische depotmedicatie. Zij heeft bezwaar gemaakt tegen deze medicatie en een klacht ingediend bij de klachtencommissie, die deze ongegrond verklaarde. Vervolgens verzocht verzoekster de rechtbank om schorsing van de medicatietoediening gedurende de procedure.

De rechtbank heeft de standpunten van verzoekster en de behandelaren gehoord. Verzoekster betwist de diagnose bipolaire stoornis en stelt dat de medicatie disproportioneel is vanwege ernstige bijwerkingen en dat de rust in haar toestand vooral te danken is aan de arrestatie van haar ex-partner. De behandelaren onderbouwen het belang van voortzetting van de medicatie, wijzen op de noodzaak van een stabiele medicatiespiegel en wijzen op een lopende aanpassing van slaapmedicatie die de bijwerkingen kan verklaren.

De rechtbank concludeert dat de zorgmachtiging met kracht van gewijsde geldt en dat de behandelaren voldoende hebben onderbouwd waarom de medicatie noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen aanleiding om de schorsing toe te staan, mede vanwege het risico op terugval bij uitstel. Het verzoek tot schorsing wordt daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot schorsing van de verplichte toediening van depotmedicatie wordt afgewezen vanwege het risico op terugval en voldoende onderbouwing van de noodzaak.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Familie en jeugd
Zaaknummer: C/03/351376 / BZ RK 26/748
Beschikking van 24 april 2026 over het verzoek tot schorsing van de beslissing op de klacht ex artikel 10:9 lid 1 Wet Pro verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz)
van
[verzoekster] ,
hierna te noemen: verzoekster,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
wonend te [woonplaats] ,
verblijvend in [accoomodatie] ,
advocaat: mr. H.C. Ingelse, kantoorhoudend in Maastricht.

1.Het verloop van de procedure en de feiten

1.1
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift ex artikel 10:7 lid 1 Wvggz Pro, bij de griffie van deze rechtbank ontvangen op 13 april 2026, met bijlagen;
  • Het verzoek van de advocaat van verzoekster, ontvangen op 14 april 2026;
  • De pleitnotitie van de advocaat van verzoekster, ontvangen op 23 april 2026.
1.2
Aan verzoekster wordt door zorgaanbieder [accoomodatie] verplichte zorg verleend krachtens een door deze rechtbank verleende zorgmachtiging van 16 januari 2026 geldend tot en met uiterlijk 16 juli 2026.
1.3
De psychiater van de High Intensive Care (hierna: HIC), op welke afdeling verzoekster na opname verbleef, heeft besloten tot het verlenen van diverse vormen van verplichte zorg aan klaagster, waaronder het toedienen van medicatie. Verzoekster is op 27 februari 2026 overgeplaatst naar de afdeling van [accoomodatie] waar zij thans nog verblijft. Het toedienen van medicatie aan klaagster wordt als verplichte zorg op deze afdeling voortgezet.
1.4.
Verzoekster heeft bij brief van 13 maart 2026 bij de klachtencommissie een klacht ingediend zoals omschreven in artikel 10:3 Wvggz Pro. Verzoekster maakt bezwaar tegen de beslissing van [accoomodatie] haar antipsychotische medicatie toe te dienen in het kader van verplichte zorg. De klacht is op 16 maart 2026 door de klachtencommissie ontvangen.
1.5.
De klachtencommissie heeft op 30 maart 2026 de klacht ongegrond verklaard.
1.6.
Verzoekster heeft de rechtbank verzocht:
- de verdere toepassing van de verplichte zorg in de vorm van depotmedicatie te
schorsen op grond van artikel 10:9 lid 1 met Pro onmiddellijke ingang, voor de duur van de onderhavige procedure, althans totdat de rechtbank op het beroep heeft beslist;
- de beslissing van de Regionale Klachtencommissie Wvggz Limburg van 30 maart 2026
te vernietigen, de klacht alsnog gegrond te verklaren en verweerster te bevelen de
verplichte zorg in de vorm van toediening van antipsychotische depotmedicatie met
onmiddellijke ingang te staken;
- zo nodig na eerst een onafhankelijk psychiater te belasten met het verrichten van een
second opinion omtrent de bij verzoekster gestelde diagnose bipolaire-1-stoornis en
manie, met uitdrukkelijke aandacht voor de differentiaaldiagnose PTSS/traumareactie
en voor het gegeven dat de primaire externe stressor (de mishandeling van haar
kinderen door haar ex-partner en het ontbreken van erkenning daarvoor) inmiddels is
weggevallen doordat haar ex-partner is gearresteerd en gedetineerd;
- een schadevergoeding toe te kennen ten laste van verweerster, te begroten door per
dag dwangbehandeling ingaande 26 januari 2026 een bedrag van € 30,- te rekenen,
althans zo’n bedrag als de rechtbank in goede justitie zal bepalen.
1.7.
Op 14 april 2026 is door de rechtbank een zitting in deze procedure gepland op 7 mei 2026.
1.8.
Bij brief van 14 april 2026 heeft de advocaat van verzoekster verzocht het verzoek tot schorsing (ruim) voor 30 april 2026 te behandelen, het moment waarop verzoekster het volgende depot aan medicatie krijgt toegediend.
1.9.
De mondelinge behandeling bij de rechtbank over het verzoek tot schorsing heeft plaatsgevonden op 23 april 2026. De rechtbank heeft de volgende personen gehoord:
  • Verzoekster, bijgestaan door haar advocaat;
  • mevrouw [naam 1] , psychiater;
  • mevrouw [naam 2] , regiebehandelaar, sociaal psychiatrisch verpleegkundige (hierna te noemen SPV of regiebehandelaar).

2.Het verzoek tot schorsing

2.1.
Verzoekster heeft verzocht om de verdere toepassing van de verplichte zorg in de vorm van depotmedicatie te schorsen met onmiddellijke ingang, voor de duur van de onderhavige procedure, althans totdat de rechtbank op het beroep heeft beslist. De rechtbank begrijpt het verzoek met verwijzing naar artikel 10:9 eerste Pro lid Wvggz aldus dat verzocht wordt om de beslissing waartegen de klacht gericht is te schorsen .

3.Standpunten partijen

3.1.
Door en namens verzoekster is, kort en zakelijk weergegeven, in deze procedure het volgende aangevoerd. Verzoekster vindt dat er een verkeerde diagnose is gesteld, althans dat deze onvoldoende onderbouwd is. Verzoekster betwist voorts dat er ten tijde van de beslissing van de zorgverantwoordelijke sprake was van ernstig nadeel dat het opleggen van dwangdepotmedicatie rechtvaardigde, en betwist dit evenzeer voor de huidige situatie.
Verweerster heeft voorts onvoldoende onderzocht of behandeling via EMDR en gesprekstherapie alternatieven zijn. Verzoekster vindt voorts dat er sprake is van schending van het proportionaliteitsbeginsel omdat zij ernstige bijwerkingen ervaart van de depotmedicatie. Zij slaapt uitzonderlijk lang door de medicatie, mist dagelijks het ontbijt en ervaart de gehele dag een zwaar en gedrogeerd gevoel. Zij moet zichzelf ‘overal naartoe slepen’. Na drie à vier weken neemt dit gevoel enigszins af, maar dan is er alweer het volgende depot. In het geval van verzoekster slaat de balans tussen de voordelen van medicatie tegenover de bijwerkingen negatief uit: de bijwerkingen zijn ernstig en veelomvattend, terwijl de veronderstelde voordelen – stabilisering van het toestandsbeeld – reeds zijn ingetreden door de wijziging van omstandigheden (de arrestatie van haar ex-partner en de erkenning van de onderliggende problematiek: de mishandeling van de kinderen) en niet door de medicatie. Die disbalans maakt de maatregel disproportioneel in de zin van artikel 2:1 Wvggz Pro. Verzoekster betwist tenslotte dat er schending is van het effectiviteitscriterium. Niet de depotmedicatie heeft haar herstel bewerkstelligd, maar de rust doordat haar ex-partner is gearresteerd, haar kinderen veilig zijn en dat die onderliggende problematiek eindelijk is erkend. De reële noodsituatie die haar toestand destijds verklaarde, bestaat niet langer. Omdat de rust door de externe omstandigheden is ontstaan en niet als gevolg van de medicatie, is het effectiviteitscriterium van artikel 2:1 Wvggz Pro niet vervuld.
Ten aanzien van het verzoek tot schorsing stelt verzoekster het volgende. De depotmedicatie vormt een maandelijkse, ingrijpende inbreuk op de lichamelijke integriteit van verzoekster. Indien opnieuw een depot aan verzoekster wordt toegediend, duurt de inbreuk op haar lichamelijke integriteit voort. De bijwerkingen beperken haar dagelijks functioneren: zij kan niet werken, haar re-integratie wordt belemmerd en haar perspectief op het hervatten van contact met haar kinderen wordt ondermijnd. Schorsing geeft verzoekster de mogelijkheid met een helder hoofd aan een second opinion mee te werken en biedt ruimte voor het opstarten van de gewenste, minder ingrijpende traumabehandeling. Er is bij staking van de medicatie geen risico op terugval. De voornaamste externe stressor – de onveiligheid van haar kinderen en het niet-erkend-worden daarin – is weggevallen door de arrestatie van haar ex-partner. Verzoekster ervaart om die reden thans al merkbaar meer rust. De kans op een manische decompensatie door staking van de medicatie, die in het verleden steeds werd gekoppeld aan de chronische stresssituatie rond de kinderen, is daarmee verminderd. Bovendien geldt dat het risico op terugval – voor zover aanwezig – niet zwaarder kan wegen dan het recht van verzoekster op lichamelijke integriteit en een onbevooroordeelde second opinion omtrent de diagnose die aan de gedwongen behandeling ten grondslag ligt. Zolang de diagnose niet is bevestigd door een onafhankelijk psychiater, mist de gedwongen behandeling haar rechtsgrond.
3.2.
Met betrekking tot het schorsingsverzoek is namens verzoekster ter zitting nog het volgende aangevoerd. Voor toewijzing van een schorsingsverzoek is vereist dat er een serieuze kans is dat het beroep gegrond wordt verklaard. Aan deze eis is voldaan, gelet op hetgeen hier naar voren is gebracht, waaronder de onderbouwde betwisting van de diagnose, de nieuwe feiten, de schending van het subsidiariteitsbeginsel en de ernstige bijwerkingen. Verzoekster kreeg haar laatste depot op 2 april 2026 en het volgend depot is op 30 april 2026 (over zeven dagen), terwijl de inhoudelijke behandeling van de klacht op 7 mei 2026 (over veertien dagen) is. De uitspraak op de inhoud valt dan te verwachten op die dag of ergens kort nadien. De duur tussen het geplande depot en de verwachte uitspraak is dus zeven tot ongeveer veertien dagen. Verzoekster vraagt de rechtbank om één depot te voorkomen, voorafgaand aan die uitspraak. De schorsing raakt maar één toediening. Een volgende depot ná 30 april zou immers pas circa 28 mei worden gepland – ná de verwachte uitspraakdatum. Verder is de beslissing tot schorsing - bij ongegrondverklaring van de klacht van verzoekster op of na 7 mei - omkeerbaar; de beslissing tot afwijzing van het schorsingsverzoek is dat – bij gegrondverklaring van de klacht – niet. Als de schorsing wordt toegewezen en de klacht op of na 7 mei ongegrond zou worden verklaard, kan het depot alsnog worden toegediend na de uitspraak. Er is dan een vertraging van zeven tot veertien dagen. Dat is nauwelijks relevant. Als de schorsing wordt afgewezen, en het depot op 30 april wordt gegeven, maar de klacht op of na 7 gegrond wordt verklaard: dan is het depot op het moment van uitspraak al twee tot drie weken eerder toegediend en had dat niet moeten gebeuren. Dat is dan onomkeerbaar en onnodig. Dat betekent dat de meest prudente beslissing voor de rechtbank toewijzing is. Een vergissing bij afwijzing is niet te herstellen; een vergissing bij toewijzing wel. Er is dat nieuwe feit dat aandacht moet krijgen: de ex-partner van verzoekster is op 4 februari 2026 gearresteerd wegens mishandeling van de kinderen en verkrachting van zijn oudste dochter. Dit feit heeft geen aandacht gekregen vóór of op de zitting van de klachtencommissie op 30 maart 2026, is door de klachtencommissie niet gewogen, maar raakt de diagnose, de behandeling en de te nemen maatregelen. Verder heeft verzoekster inmiddels gesprekstherapie en EMDR, terwijl de depotmedicatie nog gaande is. Dit bewijst dat het alternatief beschikbaar is, en altijd beschikbaar is geweest.
Verzoekster erkent dat de schorsingsperiode in totaal iets langer is dan een normale depotcyclus, maar bij toewijzing van de schorsing is de totale periode zonder nieuw depot op circa vijf à zes weken. Het risico daarvan is allereerst beperkt omdat het niet om een abrupte langdurige staking gaat. Ten tweede is de voornaamste stressor die in het verleden steeds aan decompensatie bijdroeg – de mishandeling van de kinderen en het niet-erkend-worden – weggevallen door de arrestatie van de ex-partner op 4 februari 2026. Ten derde verblijft verzoekster op een afdeling van de accommodatie en kan er toezicht worden gehouden op haar situatie en - zo nodig - alsnog worden ingegrepen. Daarbij komt dat schorsing voorkomt dat verzoekster weer bijwerkingen krijgt én zonder dat depot van 30 april 2026 kan laten zien dat ze het leven weer aan kan zonder die medicatie.
3.3.
De VPS en psychiater (hierna samen te noemen: de behandelaren) voeren het volgende verweer en betogen dat het verzoek tot schorsing dient te worden afgewezen. De huidige klacht verbaast de behandelaren omdat met verzoekster reeds meerdere gesprekken hebben plaatsgevonden over de diagnose, behandeling, dosering en bijwerkingen. De behandelaren erkennen dat de situatie van verzoekster zeer schrijnend is en complex is. Verzoekster ontvangt echter momenteel passende behandeling. Er zijn duidelijke aanwijzingen voor een bipolaire stoornis, deze diagnose is reeds veel eerder gesteld. Sinds ongeveer zes maanden vindt daarvoor behandeling plaats die vanuit de HIC is opgestart. Daar is ook de indicatie voor depotmedicatie gesteld op basis van ervaringen van eerdere behandelingen en het beloop van de klachten. Daarnaast heeft op de HIC al een second opinion plaatsgevonden. Een depotmedicatie heeft gemiddeld vijf toedieningen nodig voordat een stabiele spiegel – de zogenoemde ‘steady state’ - wordt bereikt. Dat stadium is nog niet bereikt. Betrokkene bevindt zich nog in de opbouwfase. Het eerste depot is toegediend op 29 januari 2026. Volgens de richtlijn diende een week later een tweede depot te worden toegediend. Dat depot werd aanvankelijk geweigerd en is alsnog op 5 februari 2026 toegediend. Vervolgens heeft toediening vierwekelijks plaatsgevonden, te weten op 5 maart en 2 april 2026. Het volgende depot staat gepland voor 30 april 2026. Juist in deze opbouwfase maakt een mogelijk uitstel van toediening van twee weken een groot verschil omdat de stabiele spiegel nog niet is bereikt. Wetenschappelijk gezien treedt stabilisatie pas op na ongeveer vijf depottoedieningen en dan gaan ook de bijwerkingen afnemen. Als de depotmedicatie nu wordt stopgezet, zal de medicatiespiegel dalen, met een hoog risico op terugval in het eerdere toestandsbeeld. Het voorkomen van een terugval staat momenteel centraal. De problematiek en strijd rondom de kinderen zijn parallelle processen naast het toestandsbeeld. De vraag of externe stressfactoren een alternatieve verklaring vormen voor de klachten, is een onderwerp dat inhoudelijk op een later moment, bij de inhoudelijke behandeling van de klacht, nader zal moeten worden besproken en is bij deze zitting niet aan de orde. De psychiater benadrukt dat zij handelen conform de geldende richtlijnen. De behandelaren zijn al eerder met verzoekster in gesprek geweest over mogelijke verlaging van de dosering van de medicatie en de ervaren bijwerkingen. Verder zijn gisterenmiddag bloeduitslagen binnengekomen waaruit blijkt dat de vermoeidheidsklachten waarschijnlijk samenhangen met de slaapmedicatie Zopiclon die betrokkene ook krijgt en in het geval van betrokkene mogelijk door haar genetisch profiel anders wordt afgebroken, waardoor de dosering van de slaapmedicatie te hoog is en aangepast dient te worden. Dat verklaart ook de bijwerkingen waar verzoekster last van heeft. De regiebehandelaar ondersteunt verzoekster bij het stapsgewijs opbouwen van haar leven. Er is inmiddels ook contact met jeugdzorg in [plaats], waarbij wordt toegewerkt naar een situatie waarin verzoekster uiteindelijk weer samen met haar kinderen kan wonen.

4.Beoordeling

4.1.
De rechtbank stelt allereerst vast dat verzoekster ontvankelijk is in haar verzoek, aangezien haar verzoekschrift binnen de in artikel 10:7 lid 2 Wvggz Pro gestelde termijn bij de rechtbank is ingediend.
4.2
Op grond van artikel 10:9 lid 1 Wvggz Pro kan de rechtbank de beslissing, waartegen de klacht is gericht, schorsen. De rechtbank hanteert daarbij een terughoudende toets. De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 3:2, lid 2 sub a Wvggz de basisvoorwaarde voor dwangbehandeling is dat het gedrag van verzoekster als gevolg van de psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel. Wat betreft de psychische stoornis en het daaruit voortvloeiend ernstig nadeel verwijst de rechtbank naar de beschikking van de rechtbank
van 16 januari 2026, waarbij ten aanzien van verzoeker een zorgmachtiging is afgegeven. Deze beslissing heeft kracht van gewijsde.
4.3.
Uit de verklaring van de regiebehandelaar en de psychiater ter zitting volgt thans voldoende waarom gekozen is voor het antipsychoticum met werkende stof Aripripazol en dat dit medicijn in lijn met de professionele standaard wordt gegeven. Ook is duidelijk geworden waarom het noodzakelijk is dat de vijfde depotdosering op 30 april 2026 gegeven moet worden en niet kan uitgesteld worden omdat er dan een grotere kans op terugval is omdat de stabiele spiegel dan mogelijk niet bereikt wordt. Daarbij is ook zeer recent duidelijk geworden dat de door verzoekster gestelde bijwerkingen mogelijk komen door een tot nu toe te hoge dosering van het slaapmiddel Zopiclon door een mogelijk ander genetisch profiel van verzoekster en dat die slaapmedicatie zal worden aangepast.
4.4.
De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om te kunnen concluderen dat sprake is van een onjuiste beoordeling door de behandelaren en in het verlengde daarvan ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om gebruik te maken van haar (discretionaire) bevoegdheid tot schorsing van het besluit tot het toedienen van de medicatie in afwachting van de beslissing op het klachtverzoek van verzoeker door de rechtbank.
4.5
Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.

5.Beslissing

De rechtbank:
5.1.
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Mil, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026, in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.