17.1.Voor het genoemde preventieve toezicht is het essentieel dat voldoende informatie wordt verzameld op grond waarvan financiële risico’s op een voor alle advocaten uniforme wijze worden geanalyseerd en vroegtijdig kunnen worden gesignaleerd. Op grond van de verzamelde informatie wordt een eerste data analyse gedaan, waarna voor zover nodig nader onderzoek op maat wordt gedaan. Dat betekent dat de uitgevraagde informatie relevant is voor de toezichthoudende taak van de deken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de uitvraag een passende en noodzakelijke maatregel is om het beoogde doel, namelijk inzicht krijgen in de financiële risico’s bij advocatenkantoren, te bereiken. De rechtbank volgt de deken ook in zijn standpunt dat de wijze waarop de uitvraag plaatsvindt het minst belastend is, omdat elke advocaat de gevraagde financiële cijfers toch al paraat heeft. Dat om informatie wordt gevraagd waarover eiser als eenmanszaak niet hoeft te beschikken is de rechtbank niet gebleken. Het door eiser genoemde voorbeeld van debiteuren en crediteuren gaat niet op, nu uit artikel 6.5 van de Voda volgt dat eiser verplicht is om een balans op te maken en daaruit volgt dat de cijfers over debiteuren en crediteuren beschikbaar moeten zijn. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het bovendien om beperkte informatie die wordt gevraagd en het invullen via een beschikbaar portaal kost weinig tijd, waardoor de uitvraag ook minder belastend is dan bijvoorbeeld een kantoorbezoek of het indienen van een (dure) accountantsverklaring. De beroepsgrond slaagt niet.
Is de last voldoende duidelijk?
18. Eiser stelt zich op het standpunt dat de opgelegde lasten onvoldoende duidelijk zijn. In de lasten onder dwangsom wordt namelijk enkel verwezen naar de link waarmee de gevraagde opgave kan worden gedaan. Er is niet opgenomen welke informatie eiser exact moet verstrekken. Het is daarmee niet duidelijk waaraan eiser moet voldoen om het verbeuren van een dwangsom te voorkomen.
19. De rechtbank is van oordeel dat de lasten voldoende duidelijk zijn. De lasten zien namelijk op het verlenen van medewerking aan het invullen van de opgave via de link, op grond van artikel 5:20, eerste lid, van de Awb. Daarvoor is niet noodzakelijk om in de last onder dwangsom een lijst of beschrijving op te nemen van de informatie die in de opgave wordt gevraagd. De beroepsgrond slaagt niet.
Is de zienswijze van eiser voldoende meegewogen?
20. Eiser stelt zich tot slot op het standpunt dat het bestreden besluit 2 vernietigt moet worden omdat de deken daarmee ten onrechte het primaire besluit 2 in stand heeft gelaten. De bezwaaradviescommissie heeft geadviseerd dat het primaire besluit 2 onzorgvuldig tot stand is gekomen nu de deken daarin de zienswijze van eiser onvoldoende heeft meegewogen. Volgens eiser is deze onzorgvuldigheid niet door de deken hersteld.
21. De rechtbank is van oordeel dat de deken het in het primaire besluit 2 geconstateerde gebrek in het bestreden besluit 2 heeft hersteld. Door de bezwaaradviescommissie is immers uitgebreid op de door eiser in zijn zienswijze en bezwaar naar voren gebrachte gronden ingegaan en de deken heeft dit advies integraal overgenomen. Daarmee is de zienswijze van eiser alsnog voldoende meegenomen. De rechtbank volgt niet dat dit alleen maar mogelijk was door het intrekken van het primaire besluit 2 en het nemen van een nieuw besluit. De beroepsgrond slaagt niet.
Invorderingsbesluit last 2
22. Op 26 mei 2025 heeft de deken een invorderingsbesluit genomen. In dat besluit staat dat eiser pas op 2 december 2024 volledig aan last 2 heeft voldaan. Dat is twee volle weken na afloop van de begunstigingstermijn. Eiser heeft gelet daarop twee maal een dwangsom van € 500,- verbeurd. De eerste dwangsom van € 500,- had eiser reeds vrijwillig betaald. Met het besluit gaat de deken over tot invordering van de tweede € 500,-.
23. Eiser voert aan dat het invorderingsbesluit geen stand kan houden, in de eerste plaats omdat de last onder dwangsom niet juist is. Verder voert eiser aan dat de deken niet goed heeft geteld en er geen twee volle weken na de begunstigingstermijn zijn verstreken.
24. De rechtbank heeft hiervoor reeds geoordeeld dat last 2 stand kan houden. Het besluit waarmee deze last onder dwangsom is opgelegd dateert van 4 november 2024. De last houdt in dat eiser binnen twee weken na dagtekening van dit besluit alsnog de opgave Kengetallen, Kantooropgave en inlichtingen 2024 moet indienen. Anders dan de deken in het invorderingsbesluit heeft opgenomen, is de rechtbank van oordeel dat de eerste dag van de begunstigingstermijn 5 november 2024 betreft en dat de termijn van twee weken dus liep tot en met 18 november 2024. Eiser heeft de opgave uiteindelijk op 2 december 2024 volledig ingediend. Dat is op de laatste dag van de tweede week na het verstrijken van de begunstigingstermijn. Dat betekent dat eiser één volle week te laat (na afloop van de begunstigingstermijn) de opgave heeft gedaan en daarmee één maal een dwangsom van
€ 500,- heeft verbeurd. Deze dwangsom heeft eiser reeds voldaan.Het invorderingsbesluit ten aanzien van een tweede dwangsom van € 500,- kan geen stand houden. Het beroep tegen het invorderingsbesluit slaagt.