12.De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt.
13. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
- de beroepen ROE 25/735, ROE 25/736 en ROE 25/737 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Broier, rechter, in aanwezigheid van
J.M.M. Versteegh-Janssen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2026
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 4 mei 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000)
Artikel 3.3.
Geldend van 01-10-2017 t/m 31-12-2017
1. Het budget voor een student voor een kalendermaand is het totaal van:
a. een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud;
b. het collegegeldkrediet; en
2. Dit budget kan worden verhoogd met een toeslag voor een eenoudergezin ingevolge artikel 3.5.
3. In afwijking van het eerste lid bestaat het budget voor een student die in aanmerking komt voor levenlanglerenkrediet alleen uit dat krediet.
4. De bedragen zijn opgenomen in artikel 3.18.
Artikel 3.3.
Geldend van 01-01-2025 t/m 31-12-2025
1. Het budget voor een ho-student voor een kalendermaand is het totaal van:
a. een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud;
b. het collegegeldkrediet; en
2. Dit budget kan worden verhoogd met een toeslag voor een eenoudergezin ingevolge artikel 3.5.
3. In afwijking van het eerste lid bestaat het budget voor een ho-student die in aanmerking komt voor levenlanglerenkrediet alleen uit dat krediet.
4. De bedragen zijn opgenomen in artikel 3.18.
Artikel 3.8. Aanvullende beurs
Geldend van 01-10-2017 t/m 31-12-17
1. De hoogte van de aanvullende beurs is afhankelijk van het ouderlijk inkomen en wordt berekend ingevolge de artikelen 3.9 tot en met 3.13.
2. Het maximale bedrag van de aanvullende beurs is opgenomen in artikel 3.18.
Artikel 3.8. Hoogte aanvullende beurs
Geldend van 01-01-2025 t/m 31-12-2025
De hoogte van de aanvullende beurs is het maximumbedrag van de aanvullende beurs, genoemd in artikel 3.18, minus de veronderstelde ouderlijke bijdrage die wordt berekend ingevolge de artikelen 3.9 tot en met 3.13.
Artikel 3.18.
Geldend van 01-10-2017 t/m 31-12-2017
De bedragen in onderstaande overzichten luiden per maand naar de maatstaf van 1 januari 2014, en voor overzicht 3 naar de maatstaf van 1 september 2015:
Overzicht 1. Normbedragen voor de kosten van levensonderhoud
(…)
B. Hoger onderwijs
Normbedrag € 833,22
[Red: per 1 januari 2017: € 867,68]
Overzicht 2. Financieringsbronnen
(…)
B. Hoger onderwijs
Basislening € 467,89
[Red: per 1 januari 2017: € 481,60]
Maximale aanvullende beurs/lening of veronderstelde ouderlijke bijdrage € 365,33
[Red: per 1 januari 2017: € 386,08]
Overzicht 3. Aanvullende financieringsbron
Hoger onderwijs
Toeslag eenoudergezin € 247,12
[Red: per 1 januari 2017: € 251,04]
Artikel 3.18.
Geldend van 01-01-2025 t/m 31-12-2025
De bedragen in onderstaande overzichten luiden per maand naar de maatstaf van 1 januari 2023, en voor overzicht 1, onder B, en overzicht 2, onderdeel B, naar de maatstaf van 1 september 2023:
Overzicht 1. Normbedragen voor de kosten van levensonderhoud
(…)
B. Hoger onderwijs
Normbedrag thuiswonend € 793,27
[Red: per 1 januari 2025: € 906,11]
Normbedrag uitwonend € 957,87
[Red: per 1 januari 2025: € 1.094,12]
Overzicht 2. Financieringsbronnen
(…)
B. Hoger onderwijs
Basisbeurs (exclusief toeslag eenoudergezin)
thuiswonend € 110,30
[Red: per 1 januari 2025: € 125,99]
uitwonend € 274,90
[Red: per 1 januari 2025: € 314,00]
Basislening
thuis- en uitwonend € 266,97
[Red: per 1 januari 2025: € 304,95]
Maximale aanvullende beurs/lening of veronderstelde ouderlijke bijdrage
thuis- en uitwonend € 416,00
[Red: per 1 januari 2025: € 475,17]
Overzicht 3. Aanvullende financieringsbron
Hoger onderwijs
Toeslag eenoudergezin € 277,13
[Red: per 1 januari 2025: € 316,55]
1. Studiefinanciering wordt toegekend per studiefinancieringstijdvak.
2. Een aanvraag voor studiefinanciering wordt vóór het einde van het studiejaar waarop de aanvraag betrekking heeft ingediend.
3. Studiefinanciering of de verhoging daarvan wordt niet toegekend voor een periode voorafgaand aan het studiejaar waarin de aanvraag is ingediend.
4. De reisvoorziening of het levenlanglerenkrediet wordt niet toegekend voor een periode voorafgaand aan de datum van indiening van de aanvraag.
5. Op aanvraag van de student onderbreekt of beëindigt Onze Minister de studiefinanciering met ingang van de kalendermaand die de student in zijn aanvraag aangeeft, met dien verstande dat de onderbreking of beëindiging niet plaatsvindt voor een periode voorafgaand aan de datum van de indiening van de aanvraag. De onderbreking omvat ten minste 1 maand.
Artikel 5.1. Prestatiebeurs hoger onderwijs
Geldend van 01-10-2017 t/m 31-12-2017
Een student komt voor zover wordt voldaan aan de van toepassing zijnde voorwaarden in aanmerking voor studiefinanciering in de vorm van een prestatiebeurs, inhoudende:
a. een aanvullende beurs;
b. een reisvoorziening; en
c. een toeslag eenoudergezin.
Artikel 5.1. Prestatiebeurs hoger onderwijs
Geldend van 01-01-2025 t/m 31-12-2025
Een ho-student komt voor zover wordt voldaan aan de van toepassing zijnde voorwaarden in aanmerking voor studiefinanciering in de vorm van een prestatiebeurs, inhoudende:
b. een aanvullende beurs;
c. een reisvoorziening; en
d. een toeslag eenoudergezin.
Artikel 5.2. Vorm en duur studiefinanciering
Geldend van 01-10-2017 t/m 31-12-2017
1. De prestatiebeurs hoger onderwijs wordt aan een student verstrekt:
a. voor een opleiding in het hoger beroepsonderwijs gedurende:
1°. de periode waarop de studielast van een bacheloropleiding op grond van artikel 7.4b, eerste lid, van de WHW is gebaseerd; of
2°. één jaar voor een masteropleiding genoemd in artikel 7.4b, tweede tot en met zevende lid, van de WHW; of
b. voor een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, van de WHW gedurende de periode waarop de studielast van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs op grond van artikel 7.4a, eerste tot en met zevende lid, van de WHW is gebaseerd.
2. In afwijking van het eerste lid, wordt de aanvullende beurs in de eerste 5 maanden waarvoor aanspraak op studiefinanciering bestaat, verstrekt in de vorm van een gift.
3. De basislening, aanvullende lening en het collegegeldkrediet kunnen worden verstrekt gedurende de periode waarin aanspraak kan worden gemaakt op de prestatiebeurs hoger onderwijs.
4. Gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, kan het collegegeldkrediet worden verstrekt en kan daarnaast studiefinanciering worden verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag van de lening, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, vierde lid, 3.3, 3.13 en 3.18 naar de maatstaf van 1 januari 2014 per maand € 894,51 [Red: per 1 januari 2017: € 931,51] . In de eerste 12 maanden kan tevens een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs.
5. Op aanvraag kan een student als bedoeld in artikel 3.5 gedurende de 36 maanden, bedoeld in het vierde lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid.
Artikel 5.2. Vorm en duur studiefinanciering Geldig van 01-01-2025 t/m 31-12-2025
1. De prestatiebeurs hoger onderwijs wordt eenmalig aan een ho-student verstrekt gedurende 4 jaar, vermeerderd met:
a. eenmalig het aantal maanden dat het resultaat is van het aantal studiepunten, genoemd in de artikelen 7.5, eerste lid, onderdeel d, 7.5b, eerste lid en 7.5c, tweede en vierde lid WHW, gedeeld door vijf, indien een student is ingeschreven aan een in de betreffende artikelleden genoemde masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs;
b. eenmalig het aantal maanden dat het resultaat is van het aantal studiepunten, genoemd in de artikelen 7.5a en 7.5c, tweede tot en met vijfde lid, WHW minus zestig en gedeeld door vijf, indien een ho-student is ingeschreven aan een in de betreffende artikelleden genoemde opleiding in het wetenschappelijk onderwijs.
2. In afwijking van het eerste lid, wordt de aanvullende beurs in de eerste 5 maanden waarvoor aanspraak op studiefinanciering bestaat, verstrekt in de vorm van een gift.
3. De basislening, aanvullende lening en het collegegeldkrediet kunnen worden verstrekt gedurende de periode waarin aanspraak kan worden gemaakt op de prestatiebeurs hoger onderwijs.
4. Gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, kan het collegegeldkrediet worden verstrekt en kan daarnaast studiefinanciering worden verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag van de lening, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, vierde lid, 3.3, 3.13 en 3.18 naar de maatstaf van 1 januari 2014 per maand € 894,51 [Red: per 1 januari 2025: € 1.174,60] . In de eerste 12 maanden kan tevens een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs.
5. Op aanvraag kan een ho-student als bedoeld in artikel 3.5 gedurende de 36 maanden, bedoeld in het vierde lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid.
Artikel 7.1. Herziening door Minister Geldend van 01-10-2017 t/m 31-12-2025
1. Onze Minister kan een beschikking herzien waarbij:
b.de vorm van de studiefinanciering is vastgelegd,
2. Herziening vindt plaats op grond van het feit dat:
h. andere, nader gebleken feiten of omstandigheden, die, waren zij eerder bekend geweest, tot een andere beschikking zouden hebben geleid.
Artikel 7.4. Verrekening teveel toegekende en uitbetaalde studiefinanciering Geldig van 01-10-2027 t/m 31-12-2025
2. Indien een herzieningsbeschikking als bedoeld in artikel 7.1, eerste en tweede lid, of een beslissing op bezwaar daartoe aanleiding geeft, wordt voor zover het bedrag waarvoor het recht om een lening af te sluiten te hoog is toegekend, het deel dat te hoog is toegekend en uitbetaald door de betrokkene terugbetaald of met hem verrekend.
Artikel 12.14. Cohortgarantie studievoorschot voor studenten aan een bacheloropleiding, masteropleiding, ongedeelde opleiding of opleiding duplex ordo
Geldend van 01-10-2017 t/m 31-12-2017.
1. Op een student die vóór 1 september van het jaar waarin de Wet studievoorschot hoger onderwijs in werking treedt stond ingeschreven aan een bacheloropleiding, masteropleiding of ongedeelde opleiding of die onderwijs volgde volgend op een opleiding gericht op een levensbeschouwelijk ambt of beroep als bedoeld in artikel 7.4a, vijfde lid, van de WHW, en die studiefinanciering toegekend heeft gekregen voor een opleiding in het hoger onderwijs, blijven de volgende artikelen, zoals die luidden vóór het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AX, van de Wet studievoorschot hoger onderwijs, voor de nominale duur van die opleiding van toepassing:
a. van hoofdstuk 1, de artikelen 1.1 en 1.5;
b. van hoofdstuk 2, de artikelen 2.13, eerste lid, 2.16, tweede lid, en 2.17;
c. van hoofdstuk 3, de artikelen 3.1, eerste en tweede lid, 3.6, en paragraaf 3.3, met uitzondering van artikel 3.10, tweede lid; en
d. hoofdstuk 5, met uitzondering van artikel 5.9, eerste lid, en artikel 5.16, derde lid, waarbij voor «prestatiebeurs hoger onderwijs» wordt gelezen: prestatiebeurs;
e. van hoofdstuk 9, de artikelen 9.1b, 9.9 en 9.9a.
2. In afwijking van artikel 3.18 gelden voor de thuiswonende onderscheidenlijk uitwonende student die overeenkomstig het eerste lid studiefinanciering toegekend heeft gekregen de volgende bedragen per maand, naar de maatstaf van 1 januari 2014:
thuiswonende
uitwonende
a. maandbedrag als bedoeld in overzicht 1 van artikel 3.18
€ 633,44
[Red: per 1 januari 2017: € 659,63]
€ 833,22
[Red: per 1 januari 2017: € 867,68]
b. basisbeurs als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18
€ 100,25
[Red: per 1 januari 2017: € 104,40]
€ 279,14
[Red: per 1 januari 2017: € 290,68]
c. maximale aanvullende beurs of lening als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18
€ 237,46
[Red: per 1 januari 2017: € 252,91]
€ 258,35
[Red: per 1 januari 2017: € 274,68]
d. basislening als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18
€ 295,73
[Red: per 1 januari 2017: € 302,32]
€ 295,73
[Red: per 1 januari 2017: € 302,32]
3. Artikel 6.2a is niet van toepassing op het afronden van een opleiding waarvoor de debiteur overeenkomstig het eerste lid studiefinanciering toegekend heeft gekregen.
4. Voor de debiteur met een schuld uit een lening die is ontstaan door verstrekking van studiefinanciering overeenkomstig het eerste lid, wordt de lening aangemerkt als een lening beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, tenzij artikel 10a.1 van toepassing is.
5. Indien een debiteur als bedoeld in het vierde lid ingevolge de Wet studievoorschot hoger onderwijs geen basisbeurs toegekend heeft gekregen voor een masteropleiding of voor onderwijs volgend op een opleiding gericht op een levensbeschouwelijk ambt of beroep als bedoeld in artikel 7.4a, vijfde lid, van de WHW, kan de lening worden aangemerkt als een lening hoger onderwijs als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, indien de debiteur vóór aanvang van de aflosfase, maar na 31 december 2016, daartoe een aanvraag indient.
6. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met het oog op een goede uitvoering van dit artikel.
Artikel 12.14. Cohortgarantie studievoorschot voor ho-studenten aan een bacheloropleiding, masteropleiding, ongedeelde opleiding of opleiding duplex ordo
Geldend van 01-01-2025 t/m 31-12-2025.
1. Op een ho-student die vóór 1 september 2015 stond ingeschreven aan een bacheloropleiding, masteropleiding of ongedeelde opleiding of die onderwijs volgde volgend op een opleiding gericht op een levensbeschouwelijk ambt of beroep als bedoeld in artikel 7.5c, derde lid, WHW, en die studiefinanciering toegekend heeft gekregen voor een opleiding in het hoger onderwijs, blijven de volgende artikelen, zoals die luidden op 31 augustus 2015, voor de nominale duur van die opleiding van toepassing:
a. van hoofdstuk 1, de artikelen 1.1 en 1.5;
b. van hoofdstuk 2, de artikelen 2.13, eerste lid, 2.16, tweede lid, en 2.17;
c. van hoofdstuk 3, de artikelen 3.1, eerste en tweede lid, 3.6, en paragraaf 3.3, met uitzondering van artikel 3.10, tweede lid; en
d. hoofdstuk 5, met uitzondering van artikel 5.9, eerste lid, en artikel 5.16, derde lid, waarbij voor «prestatiebeurs hoger onderwijs» wordt gelezen: prestatiebeurs;
e.van hoofdstuk 9, de artikelen 9.1b, 9.9 en 9.9a.
2. In afwijking van artikel 3.18 gelden voor de thuiswonende onderscheidenlijk uitwonende ho-student die overeenkomstig het eerste lid studiefinanciering toegekend heeft gekregen de volgende bedragen per maand, naar de maatstaf van 1 januari 2014:
thuiswonende
uitwonende
a. maandbedrag als bedoeld in overzicht 1 van artikel 3.18
€ 633,44
[Red: per 1 januari 2025: € 906,11]
€ 833,22
[Red: per 1 januari 2025: € 1.094,12]
b. basisbeurs als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18
€ 100,25
[Red: per 1 januari 2025: € 125,99]
€ 279,14
[Red: per 1 januari 2025: € 314,00]
c. maximale aanvullende beurs of lening als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18
€ 237,46
[Red: per 1 januari 2025: € 475,17]
€ 258,35
[Red: per 1 januari 2025: € 475,17]
d. basislening als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18
€ 295,73
[Red: per 1 januari 2025: € 304,95]
€ 295,73
[Red: per 1 januari 2025: € 304,95]
3. Artikel 6.2a is niet van toepassing op het afronden van een opleiding waarvoor de debiteur overeenkomstig het eerste lid studiefinanciering toegekend heeft gekregen.
4. Voor de debiteur met een schuld uit een lening die is ontstaan door verstrekking van studiefinanciering overeenkomstig het eerste lid, wordt de lening aangemerkt als een lening beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, tenzij artikel 10a.1 van toepassing is.
5. Indien een debiteur als bedoeld in het vierde lid ingevolge de Wet studievoorschot hoger onderwijs geen basisbeurs toegekend heeft gekregen voor een masteropleiding of voor onderwijs volgend op een opleiding gericht op een levensbeschouwelijk ambt of beroep als bedoeld in artikel 7.5c, derde lid, WHW, kan de lening worden aangemerkt als een lening hoger onderwijs als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, indien de debiteur vóór aanvang van de aflosfase, maar na 31 december 2016, daartoe een aanvraag indient.
6. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met het oog op een goede uitvoering van dit artikel.