Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:4360

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
ROE 25/735, ROE 25/736 en ROE 25/737
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.3 Wsf 2000Art. 3.8 Wsf 2000Art. 3.18 Wsf 2000Art. 5.1 Wsf 2000Art. 5.2 Wsf 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van verrekening aanvullende beurs met studielening door minister

Eiseres had in 2013 studiefinanciering aangevraagd, waaronder een aanvullende beurs die door een technische fout niet werd toegekend. In 2024 verzocht zij om herstel, waarna de minister de aanvullende beurs met terugwerkende kracht toekende en verrekende met haar lening.

Eiseres betoogde dat zij recht had op uitbetaling van de aanvullende beurs zonder verrekening, mede vanwege haar moeilijke financiële situatie. De minister stelde dat de verrekening correct was en dat zij niet meer studiefinanciering kon ontvangen dan wettelijk is vastgesteld.

De rechtbank stelde vast dat de aanvullende beurs terecht was toegekend en dat de verrekening met de lening wettelijk is toegestaan. De rente en voorwaarden van de lening en aanvullende beurs zijn gelijk, waardoor eiseres niet slechter af is. De beroepen van eiseres werden ongegrond verklaard en zij kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de minister terecht de aanvullende beurs heeft verrekend met de lening en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummers: ROE 25/735, 25/736 en 25/737
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 mei 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. A.C. Dabekaussen),
en
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de minister
(gemachtigde: mr. A.C. Dabekaussen).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de wijze waarop de aanvullende beurs met terugwerkende kracht aan eiseres is toegekend en is verrekend met haar lening (studieschuld). Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de besluitvorming van de minister.
1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen ongegrond zijn. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop

2.Met het bestreden besluit 1 (zaaknummers ROE 25/736 en ROE 25/737) van

13 februari 2025 heeft de minister aan eiseres studiefinanciering in de vorm van een aanvullende beurs toegekend en verrekend met haar studieschuld.
2.1.
Met het bestreden besluit 2 (zaaknummer ROE 25/735) van 17 februari 2025 heeft de minister 43 maanden prestatiebeurs omgezet in een gift.
2.2.
Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.
2.3.
De minister heeft op 14 mei 2025 en 24 november 2025 verweer ingediend.
2.4.
Eiseres heeft op 2 december 2025 aanvullende stukken ingediend.
2.5.
De rechtbank heeft de beroepen op 11 december 2025 samen op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigden van partijen.
2.6.
Bij de sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank meegedeeld in beginsel binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn echter niet gehaald en de uitspraak termijn driemaal verlengd.
Beoordeling door de rechtbank
Inleiding
3. Eiseres heeft op 1 augustus 2013 studiefinanciering aangevraagd in de vorm van een basis- en aanvullende beurs per 1 september 2013 voor de wo-bachelor geneeskunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. De minister heeft eiseres daarop per 1 september 2013 studiefinanciering toegekend in de vorm van een studentenreisproduct en een basisbeurs. Daarbij is vermeld dat zij binnen drie weken bericht krijgt over aanvullende beurs omdat de persoonsgegevens van haar ouders nog niet zijn gecontroleerd en dat zij nog een maximaal bedrag kan bij lenen. Op 2 september 2013 heeft eiseres ook studiefinanciering aangevraagd in de vorm van een lening. Bij de verwerking van die aanvraag is door een technische fout bij de minister de aangevraagde aanvullende beurs vanaf 1 oktober 2013 uit het systeem verdwenen. Eiseres is daardoor per 1 oktober 2013 niet meer in aanmerking gebracht voor een aanvullende beurs. Eiseres heeft de minister op 29 mei 2024 verzocht met terugwerkende kracht alsnog een aanvullende beurs toe te kennen.
3.1.
De minister heeft de fout erkend en eiseres met terugwerkende kracht alsnog een aanvullende beurs toegekend en verrekend met haar studieschuld.
De besluitvorming

4.Met het primaire besluitvan 5 september 2024 heeft de minister aan eiseres een aanvullende beurs toegekend, namelijk van:

- oktober tot en met december 2013 € 16,93 (maximum bedrag € 252,17) gift;
- januari 2014 € 0,- (maximaal bedrag € 258,35) gift;
- februari 2014 tot en met augustus 2017 € 0,- (maximaal bedrag € 273,03) prestatiebeurs omgezet naar gift;
- september 2017 tot en met augustus 2020 € 0,- (maximaal bedrag € 387,92) prestatiebeurs.
Verder is vermeld dat de aanvullende beurs is afgewezen van:
- september 2020 tot en met januari 2024 omdat het einde van de prestatiebeurs-fase is bereikt;
- februari 2024 omdat de volledige duur studiefinanciering voor een ho opleiding is verbruikt;
- maart tot december 2024 omdat eiseres in deze periode 30 jaar of ouder is.
Met het primaire besluit [2] van 11 februari 2025 heeft de minister de hoogte van de aanvullende beurs vastgesteld en verrekend met de lening van eisers, namelijk van:
- januari 2014 € 0,- (maximaal 258,35) gift;
- februari 2014 tot en met december 2016 € 0,- (maximaal € 273,03) prestatiebeurs omgezet naar gift;
- januari 2017 tot en met augustus 2017 € 274,68 (maximale bedrag 274,69) prestatiebeurs omgezet naar gift);
- september 2017 tot en met december 2017 € 387,92 (maximale bedrag 387.92) prestatiebeurs;
- januari 2018 tot en met augustus 2018 € 398,16 (maximale bedrag € 398,16) prestatiebeurs;
- september 2018 tot en met december 2018 € 391,- (maximale bedrag € 391,-) prestatiebeurs;
- januari 2019 tot en met december 2019,- € 396,39 (maximale bedrag € 396,39) prestatiebeurs;
- januari 2020 tot en met augustus 2020 € 243,42 (maximale bedrag € 403,17).
Met het bestreden besluit 1 van 13 februari 2025 (ROE 25/736 en ROE 25/737) heeft de minister dit besluit gehandhaafd.

5.Met het primaire besluitvan 5 september 2024 heeft de minister 43 maanden prestatiebeurs omgezet in een gift. Met het bestreden besluit 2 (zaaknummer ROE 25/735) van 17 februari 2025 heeft de minister dit besluit gehandhaafd

Standpunt van partijen
6. Eiseres voert (hier samengevat weergegeven) aan dat zij zich in een moeilijke financiële bevindt. Zij ontvangt geen studiefinanciering meer, terwijl zij wel nog studeert. De misgelopen aanvullende beurs had zij goed kunnen gebruiken voor onder andere huur, boodschappen en studiematerialen. Eiseres is genoodzaakt naar de voedselbank te gaan en een bijstandsuitkering aan te vragen. Eiseres wil dat de minister alsnog ook de overige 43 maanden (van de in totaal 48 maanden) aanvullende beurs uitbetaald. Zij zou dan in een betere financiële situatie komen en zonder verdere problemen haar studie kunnen afronden. Daarnaast wil eiseres inzicht in het bedrag van haar aanvullende beurs, op welke wijze het bedrag van de aanvullende beurs is verrekend met haar schuld en of bij de verrekening ook rekening is gehouden met het destijds geldende rentepercentage.
7. De minister stelt zich (kort samengevat) op het standpunt gesteld dat eiseres het bedrag aan studiefinanciering heeft gekregen waar zij recht op had. Daarbij is een deel van het bedrag van de rentedragende lening alsnog aangemerkt als aanvullende prestatiebeurs met als voordeel dat bij het behalen van een diploma de aanvullende prestatiebeurs kan worden omgezet in een gift. Met een rentedragende lening kan dat niet. De rente op een rentedragende lening is gelijk aan de rente op de prestatiebeurs. De opgebouwde rente bij de prestatiebeurs wordt kwijtgescholden bij de omzetting in een gift. Eiseres is uit coulance alsnog een aanvullende beurs is toegekend. Er kan niet meer worden toegekend en uitbetaald.
Beoordeling
8. De rechtbank stelt – mede naar aanleiding van wat op de zitting is besproken – vast dat niet in geschil is dat de minister alsnog de aanvullende beurs aan eiseres heeft toegekend en dat 43 maanden (bovenop de vijf maanden die al als gift waren toegekend [4] ) daarvan heeft omgezet in een gift, maar dat de minister volgens eiseres de aanvullende beurs ten onrechte heeft verrekend met haar lening. Eiseres stelt geen inzicht te hebben in de verrekening en – zo is op de zitting toegelicht – door de verrekening slechter af te zijn dan wanneer de aanvullende beurs was uitbetaald, omdat de restschuld na vijftien jaar aflossen wordt kwijtgescholden.
9. De rechtbank verwijst voor de relevante wettelijke bepalingen naar de bijlage bij deze uitspraak.
10. De rechtbank stelt – mede met een verwijzing naar rechtsoverweging 4 – vast dat eiseres uiteindelijk (alsnog) een aanvullende beurs is toegekend over de periode september 2013 tot september 2020 en dat deze aanvullende beurs (waarvan de hoogte afhankelijk is van het inkomen van de ouders van eiseres) pas per 1 januari 2017 daadwerkelijk tot uitbetaling kwam (wegens het inkomen van haar ouders). Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de eerste vijf maanden aanvullende beurs (september 2013 tot en met januari 2014) al als een gift waren toegekend en dat vervolgens (alsnog) de 43 maanden daarná (februari 2014 tot en met augustus 2017) in een gift zijn omgezet, dus in totaal 48 maanden. Hiertegen zijn – ook op de zitting – geen afzonderlijke beroepsgronden ingediend. Het gaat eiseres om de verrekening van de achteraf alsnog toegekende aanvullende beurs met de eerder toegekende lening.
11. Anders dan eiseres betoogt, is de rechtbank van oordeel dat de minister terecht de aanvullende beurs van eiseres heeft verrekend met een deel van haar lening. Daarvoor is in de eerste plaats van belang dat de minister eiseres per 1 oktober 2013 studiefinanciering heeft toegekend in de vorm van een lening, maar zonder rekening te houden met (haar aanvraag voor) een aanvullende beurs. Die aanvraag was namelijk door een fout uit het systeem bij de minister verdwenen. Toen eiseres op 29 mei 2024 verzocht om alsnog de aanvullende beurs toe te kennen, heeft de minister deze fout hersteld en met de besluiten zoals vermeld onder rechtsoverweging 4 de aanvullende beurs toegekend in de vorm van een prestatiebeurs. De minister heeft de bevoegdheid om een besluit over studiefinanciering te herzien en om te verrekenen. [5] Daarbij heeft (de gemachtigde van) eiseres ter zitting erkend dat deze correctie (alsnog toekennen van een aanvullende beurs over die eerdere periode) juist is. In rechtsoverweging 10 is verder overwogen dat in de besluitvorming is gespecificeerd over welke maanden (achteraf alsnog en voor welke bedrag) aanvullende beurs is toegekend en welke 48 maanden in een gift zijn omgezet. De rechtbank ziet dan ook geen aanknopingspunten voor het standpunt van eiseres dat het bedrag van de aanvullende beurs onvoldoende inzichtelijk is en daarmee onduidelijk is welk bedrag is verrekend met haar studieschuld. De minister heeft daarover verder nog toegelicht dat de verrekening (in feite is dat de omzetting dan wel herziening van de lening in de achteraf alsnog toegekende aanvullende beurs) tot gevolg heeft dat die aanvullende beurs vervolgens kan worden omgezet in een gift, wat bij een lening niet kan. Dat is dus in het voordeel van eiseres. Bovendien is de rente voor zowel de lening als de (in een gift omzetbare) aanvullende beurs hetzelfde, waar dus op dat punt geen nadeel voor eiseres in zit. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiseres nu in dezelfde situatie is gebracht als zij had gezeten als zij toen direct de aanvullende beurs zou hebben gekregen in plaats van – abusievelijk – de lening. Daarbij is ook van belang dat een student geen hoger bedrag aan studiefinanciering kan ontvangen dan wettelijk [6] is vastgesteld, zoals de minister heeft toegelicht. Alsnog uitbetaling van de aanvullende beurs in aanvulling op wat eiseres al als maximum heeft ontvangen aan beurs en lening over die periode – wat eiseres ook vraagt in het beroepschrift – zou dat echter wel tot gevolg hebben. De minister stelt terecht dat dit dus niet aan de orde kan zijn. Eiseres stelt weliswaar dat zij door de verrekening nu na 15 jaar aflossing met een lagere restschuld blijft zitten die dan wordt kwijtgescholden terwijl zij anders daarnaast ook nog de aanvullende beurs had ontvangen en met een hogere restschuld (mede vanwege de niet-verrekende lening) zou zijn blijven zitten die dan ook zou zijn kwijtgescholden (en zij om die reden nu slechter af is), maar dat kan daarom niet tot een ander oordeel leiden. De rechtbank begrijpt dat eiseres wegens haar gestelde financiële omstandigheden de aanvullende beurs liever nu alsnog had uitbetaald gekregen, maar dat betekent niet dat de besluitvorming van de minister over de eerdere periode onjuist is. Los daarvan heeft eiseres haar financiële situatie overigens ook niet inzichtelijk gemaakt. De rechtbank ziet dan ook evenmin aanleiding voor het oordeel dat de minister de (vorm van de) studiefinanciering over die eerdere periode niet mocht herzien, omzetten dan wel verrekenen (van een lening in een aanvullende beurs). Tot slot overweegt de rechtbank dat eiseres gedurende de aflossingsperiode van haar studieschuld gebruik kan maken van de wettelijke regeling waarbij jaarlijks wordt vastgesteld of en hoeveel zij op basis van haar draagkracht moet aflossen. [7]
Conclusie en gevolgen

12.De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt.

13. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart:
- de beroepen ROE 25/735, ROE 25/736 en ROE 25/737 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Broier, rechter, in aanwezigheid van
J.M.M. Versteegh-Janssen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2026
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 4 mei 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage:
Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000)
Artikel 3.3.
Geldend van 01-10-2017 t/m 31-12-2017
1. Het budget voor een student voor een kalendermaand is het totaal van:
a. een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud;
b. het collegegeldkrediet; en
c. een reisvoorziening.
2. Dit budget kan worden verhoogd met een toeslag voor een eenoudergezin ingevolge artikel 3.5.
3. In afwijking van het eerste lid bestaat het budget voor een student die in aanmerking komt voor levenlanglerenkrediet alleen uit dat krediet.
4. De bedragen zijn opgenomen in artikel 3.18.
Artikel 3.3.
Geldend van 01-01-2025 t/m 31-12-2025
1. Het budget voor een ho-student voor een kalendermaand is het totaal van:
a. een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud;
b. het collegegeldkrediet; en
c. een reisvoorziening.
2. Dit budget kan worden verhoogd met een toeslag voor een eenoudergezin ingevolge artikel 3.5.
3. In afwijking van het eerste lid bestaat het budget voor een ho-student die in aanmerking komt voor levenlanglerenkrediet alleen uit dat krediet.
4. De bedragen zijn opgenomen in artikel 3.18.
Artikel 3.8. Aanvullende beurs
Geldend van 01-10-2017 t/m 31-12-17
1. De hoogte van de aanvullende beurs is afhankelijk van het ouderlijk inkomen en wordt berekend ingevolge de artikelen 3.9 tot en met 3.13.
2. Het maximale bedrag van de aanvullende beurs is opgenomen in artikel 3.18.
Artikel 3.8. Hoogte aanvullende beurs
Geldend van 01-01-2025 t/m 31-12-2025
De hoogte van de aanvullende beurs is het maximumbedrag van de aanvullende beurs, genoemd in artikel 3.18, minus de veronderstelde ouderlijke bijdrage die wordt berekend ingevolge de artikelen 3.9 tot en met 3.13.
(…)
Artikel 3.18.
Geldend van 01-10-2017 t/m 31-12-2017
De bedragen in onderstaande overzichten luiden per maand naar de maatstaf van 1 januari 2014, en voor overzicht 3 naar de maatstaf van 1 september 2015:
Overzicht 1. Normbedragen voor de kosten van levensonderhoud
(…)
B. Hoger onderwijs
Normbedrag € 833,22
[Red: per 1 januari 2017: € 867,68]
Overzicht 2. Financieringsbronnen
(…)
B. Hoger onderwijs
Basislening € 467,89
[Red: per 1 januari 2017: € 481,60]
Maximale aanvullende beurs/lening of veronderstelde ouderlijke bijdrage € 365,33
[Red: per 1 januari 2017: € 386,08]
Overzicht 3. Aanvullende financieringsbron
Hoger onderwijs
Toeslag eenoudergezin € 247,12
[Red: per 1 januari 2017: € 251,04]
(…)
Artikel 3.18.
Geldend van 01-01-2025 t/m 31-12-2025
De bedragen in onderstaande overzichten luiden per maand naar de maatstaf van 1 januari 2023, en voor overzicht 1, onder B, en overzicht 2, onderdeel B, naar de maatstaf van 1 september 2023:
Overzicht 1. Normbedragen voor de kosten van levensonderhoud
(…)
B. Hoger onderwijs
Normbedrag thuiswonend € 793,27
[Red: per 1 januari 2025: € 906,11]
Normbedrag uitwonend € 957,87
[Red: per 1 januari 2025: € 1.094,12]
Overzicht 2. Financieringsbronnen
(…)
B. Hoger onderwijs
Basisbeurs (exclusief toeslag eenoudergezin)
thuiswonend € 110,30
[Red: per 1 januari 2025: € 125,99]
uitwonend € 274,90
[Red: per 1 januari 2025: € 314,00]
Basislening
thuis- en uitwonend € 266,97
[Red: per 1 januari 2025: € 304,95]
Maximale aanvullende beurs/lening of veronderstelde ouderlijke bijdrage
thuis- en uitwonend € 416,00
[Red: per 1 januari 2025: € 475,17]
Overzicht 3. Aanvullende financieringsbron
Hoger onderwijs
Toeslag eenoudergezin € 277,13
[Red: per 1 januari 2025: € 316,55]
(…)
Artikel 3.21.
1. Studiefinanciering wordt toegekend per studiefinancieringstijdvak.
2. Een aanvraag voor studiefinanciering wordt vóór het einde van het studiejaar waarop de aanvraag betrekking heeft ingediend.
3. Studiefinanciering of de verhoging daarvan wordt niet toegekend voor een periode voorafgaand aan het studiejaar waarin de aanvraag is ingediend.
4. De reisvoorziening of het levenlanglerenkrediet wordt niet toegekend voor een periode voorafgaand aan de datum van indiening van de aanvraag.
5. Op aanvraag van de student onderbreekt of beëindigt Onze Minister de studiefinanciering met ingang van de kalendermaand die de student in zijn aanvraag aangeeft, met dien verstande dat de onderbreking of beëindiging niet plaatsvindt voor een periode voorafgaand aan de datum van de indiening van de aanvraag. De onderbreking omvat ten minste 1 maand.
(…)
Artikel 5.1. Prestatiebeurs hoger onderwijs
Geldend van 01-10-2017 t/m 31-12-2017
Een student komt voor zover wordt voldaan aan de van toepassing zijnde voorwaarden in aanmerking voor studiefinanciering in de vorm van een prestatiebeurs, inhoudende:
a. een aanvullende beurs;
b. een reisvoorziening; en
c. een toeslag eenoudergezin.
Artikel 5.1. Prestatiebeurs hoger onderwijs
Geldend van 01-01-2025 t/m 31-12-2025
Een ho-student komt voor zover wordt voldaan aan de van toepassing zijnde voorwaarden in aanmerking voor studiefinanciering in de vorm van een prestatiebeurs, inhoudende:
a. een basisbeurs;
b. een aanvullende beurs;
c. een reisvoorziening; en
d. een toeslag eenoudergezin.
Artikel 5.2. Vorm en duur studiefinanciering
Geldend van 01-10-2017 t/m 31-12-2017
1. De prestatiebeurs hoger onderwijs wordt aan een student verstrekt:
a. voor een opleiding in het hoger beroepsonderwijs gedurende:
1°. de periode waarop de studielast van een bacheloropleiding op grond van artikel 7.4b, eerste lid, van de WHW is gebaseerd; of
2°. één jaar voor een masteropleiding genoemd in artikel 7.4b, tweede tot en met zevende lid, van de WHW; of
b. voor een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, van de WHW gedurende de periode waarop de studielast van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs op grond van artikel 7.4a, eerste tot en met zevende lid, van de WHW is gebaseerd.
2. In afwijking van het eerste lid, wordt de aanvullende beurs in de eerste 5 maanden waarvoor aanspraak op studiefinanciering bestaat, verstrekt in de vorm van een gift.
3. De basislening, aanvullende lening en het collegegeldkrediet kunnen worden verstrekt gedurende de periode waarin aanspraak kan worden gemaakt op de prestatiebeurs hoger onderwijs.
4. Gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, kan het collegegeldkrediet worden verstrekt en kan daarnaast studiefinanciering worden verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag van de lening, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, vierde lid, 3.3, 3.13 en 3.18 naar de maatstaf van 1 januari 2014 per maand € 894,51 [Red: per 1 januari 2017: € 931,51] . In de eerste 12 maanden kan tevens een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs.
5. Op aanvraag kan een student als bedoeld in artikel 3.5 gedurende de 36 maanden, bedoeld in het vierde lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid.
Artikel 5.2. Vorm en duur studiefinanciering Geldig van 01-01-2025 t/m 31-12-2025
1. De prestatiebeurs hoger onderwijs wordt eenmalig aan een ho-student verstrekt gedurende 4 jaar, vermeerderd met:
a. eenmalig het aantal maanden dat het resultaat is van het aantal studiepunten, genoemd in de artikelen 7.5, eerste lid, onderdeel d, 7.5b, eerste lid en 7.5c, tweede en vierde lid WHW, gedeeld door vijf, indien een student is ingeschreven aan een in de betreffende artikelleden genoemde masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs;
b. eenmalig het aantal maanden dat het resultaat is van het aantal studiepunten, genoemd in de artikelen 7.5a en 7.5c, tweede tot en met vijfde lid, WHW minus zestig en gedeeld door vijf, indien een ho-student is ingeschreven aan een in de betreffende artikelleden genoemde opleiding in het wetenschappelijk onderwijs.
2. In afwijking van het eerste lid, wordt de aanvullende beurs in de eerste 5 maanden waarvoor aanspraak op studiefinanciering bestaat, verstrekt in de vorm van een gift.
3. De basislening, aanvullende lening en het collegegeldkrediet kunnen worden verstrekt gedurende de periode waarin aanspraak kan worden gemaakt op de prestatiebeurs hoger onderwijs.
4. Gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, kan het collegegeldkrediet worden verstrekt en kan daarnaast studiefinanciering worden verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag van de lening, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, vierde lid, 3.3, 3.13 en 3.18 naar de maatstaf van 1 januari 2014 per maand € 894,51 [Red: per 1 januari 2025: € 1.174,60] . In de eerste 12 maanden kan tevens een reisvoorziening worden verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs.
5. Op aanvraag kan een ho-student als bedoeld in artikel 3.5 gedurende de 36 maanden, bedoeld in het vierde lid, tevens in aanmerking komen voor een lening ter grootte van het bedrag, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid.
(…)
Artikel 7.1. Herziening door Minister Geldend van 01-10-2017 t/m 31-12-2025
1. Onze Minister kan een beschikking herzien waarbij:
(…)
b.de vorm van de studiefinanciering is vastgelegd,
(…)
2. Herziening vindt plaats op grond van het feit dat:
(…)
h. andere, nader gebleken feiten of omstandigheden, die, waren zij eerder bekend geweest, tot een andere beschikking zouden hebben geleid.
(…)
Artikel 7.4. Verrekening teveel toegekende en uitbetaalde studiefinanciering Geldig van 01-10-2027 t/m 31-12-2025
(…)
2. Indien een herzieningsbeschikking als bedoeld in artikel 7.1, eerste en tweede lid, of een beslissing op bezwaar daartoe aanleiding geeft, wordt voor zover het bedrag waarvoor het recht om een lening af te sluiten te hoog is toegekend, het deel dat te hoog is toegekend en uitbetaald door de betrokkene terugbetaald of met hem verrekend.
(…)
Artikel 12.14. Cohortgarantie studievoorschot voor studenten aan een bacheloropleiding, masteropleiding, ongedeelde opleiding of opleiding duplex ordo
Geldend van 01-10-2017 t/m 31-12-2017.
1. Op een student die vóór 1 september van het jaar waarin de Wet studievoorschot hoger onderwijs in werking treedt stond ingeschreven aan een bacheloropleiding, masteropleiding of ongedeelde opleiding of die onderwijs volgde volgend op een opleiding gericht op een levensbeschouwelijk ambt of beroep als bedoeld in artikel 7.4a, vijfde lid, van de WHW, en die studiefinanciering toegekend heeft gekregen voor een opleiding in het hoger onderwijs, blijven de volgende artikelen, zoals die luidden vóór het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AX, van de Wet studievoorschot hoger onderwijs, voor de nominale duur van die opleiding van toepassing:
a. van hoofdstuk 1, de artikelen 1.1 en 1.5;
b. van hoofdstuk 2, de artikelen 2.13, eerste lid, 2.16, tweede lid, en 2.17;
c. van hoofdstuk 3, de artikelen 3.1, eerste en tweede lid, 3.6, en paragraaf 3.3, met uitzondering van artikel 3.10, tweede lid; en
d. hoofdstuk 5, met uitzondering van artikel 5.9, eerste lid, en artikel 5.16, derde lid, waarbij voor «prestatiebeurs hoger onderwijs» wordt gelezen: prestatiebeurs;
e. van hoofdstuk 9, de artikelen 9.1b, 9.9 en 9.9a.
2. In afwijking van artikel 3.18 gelden voor de thuiswonende onderscheidenlijk uitwonende student die overeenkomstig het eerste lid studiefinanciering toegekend heeft gekregen de volgende bedragen per maand, naar de maatstaf van 1 januari 2014:
thuiswonende
uitwonende
a. maandbedrag als bedoeld in overzicht 1 van artikel 3.18
€ 633,44
[Red: per 1 januari 2017: € 659,63]
€ 833,22
[Red: per 1 januari 2017: € 867,68]
b. basisbeurs als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18
€ 100,25
[Red: per 1 januari 2017: € 104,40]
€ 279,14
[Red: per 1 januari 2017: € 290,68]
c. maximale aanvullende beurs of lening als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18
€ 237,46
[Red: per 1 januari 2017: € 252,91]
€ 258,35
[Red: per 1 januari 2017: € 274,68]
d. basislening als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18
€ 295,73
[Red: per 1 januari 2017: € 302,32]
€ 295,73
[Red: per 1 januari 2017: € 302,32]
3. Artikel 6.2a is niet van toepassing op het afronden van een opleiding waarvoor de debiteur overeenkomstig het eerste lid studiefinanciering toegekend heeft gekregen.
4. Voor de debiteur met een schuld uit een lening die is ontstaan door verstrekking van studiefinanciering overeenkomstig het eerste lid, wordt de lening aangemerkt als een lening beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, tenzij artikel 10a.1 van toepassing is.
5. Indien een debiteur als bedoeld in het vierde lid ingevolge de Wet studievoorschot hoger onderwijs geen basisbeurs toegekend heeft gekregen voor een masteropleiding of voor onderwijs volgend op een opleiding gericht op een levensbeschouwelijk ambt of beroep als bedoeld in artikel 7.4a, vijfde lid, van de WHW, kan de lening worden aangemerkt als een lening hoger onderwijs als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, indien de debiteur vóór aanvang van de aflosfase, maar na 31 december 2016, daartoe een aanvraag indient.
6. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met het oog op een goede uitvoering van dit artikel.
Artikel 12.14. Cohortgarantie studievoorschot voor ho-studenten aan een bacheloropleiding, masteropleiding, ongedeelde opleiding of opleiding duplex ordo
Geldend van 01-01-2025 t/m 31-12-2025.
1. Op een ho-student die vóór 1 september 2015 stond ingeschreven aan een bacheloropleiding, masteropleiding of ongedeelde opleiding of die onderwijs volgde volgend op een opleiding gericht op een levensbeschouwelijk ambt of beroep als bedoeld in artikel 7.5c, derde lid, WHW, en die studiefinanciering toegekend heeft gekregen voor een opleiding in het hoger onderwijs, blijven de volgende artikelen, zoals die luidden op 31 augustus 2015, voor de nominale duur van die opleiding van toepassing:
a. van hoofdstuk 1, de artikelen 1.1 en 1.5;
b. van hoofdstuk 2, de artikelen 2.13, eerste lid, 2.16, tweede lid, en 2.17;
c. van hoofdstuk 3, de artikelen 3.1, eerste en tweede lid, 3.6, en paragraaf 3.3, met uitzondering van artikel 3.10, tweede lid; en
d. hoofdstuk 5, met uitzondering van artikel 5.9, eerste lid, en artikel 5.16, derde lid, waarbij voor «prestatiebeurs hoger onderwijs» wordt gelezen: prestatiebeurs;
e.van hoofdstuk 9, de artikelen 9.1b, 9.9 en 9.9a.
2. In afwijking van artikel 3.18 gelden voor de thuiswonende onderscheidenlijk uitwonende ho-student die overeenkomstig het eerste lid studiefinanciering toegekend heeft gekregen de volgende bedragen per maand, naar de maatstaf van 1 januari 2014:
thuiswonende
uitwonende
a. maandbedrag als bedoeld in overzicht 1 van artikel 3.18
€ 633,44
[Red: per 1 januari 2025: € 906,11]
€ 833,22
[Red: per 1 januari 2025: € 1.094,12]
b. basisbeurs als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18
€ 100,25
[Red: per 1 januari 2025: € 125,99]
€ 279,14
[Red: per 1 januari 2025: € 314,00]
c. maximale aanvullende beurs of lening als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18
€ 237,46
[Red: per 1 januari 2025: € 475,17]
€ 258,35
[Red: per 1 januari 2025: € 475,17]
d. basislening als bedoeld in overzicht 2 van artikel 3.18
€ 295,73
[Red: per 1 januari 2025: € 304,95]
€ 295,73
[Red: per 1 januari 2025: € 304,95]
3. Artikel 6.2a is niet van toepassing op het afronden van een opleiding waarvoor de debiteur overeenkomstig het eerste lid studiefinanciering toegekend heeft gekregen.
4. Voor de debiteur met een schuld uit een lening die is ontstaan door verstrekking van studiefinanciering overeenkomstig het eerste lid, wordt de lening aangemerkt als een lening beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, tenzij artikel 10a.1 van toepassing is.
5. Indien een debiteur als bedoeld in het vierde lid ingevolge de Wet studievoorschot hoger onderwijs geen basisbeurs toegekend heeft gekregen voor een masteropleiding of voor onderwijs volgend op een opleiding gericht op een levensbeschouwelijk ambt of beroep als bedoeld in artikel 7.5c, derde lid, WHW, kan de lening worden aangemerkt als een lening hoger onderwijs als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, indien de debiteur vóór aanvang van de aflosfase, maar na 31 december 2016, daartoe een aanvraag indient.
6. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met het oog op een goede uitvoering van dit artikel.

Voetnoten

1.Kenmerk 0162624074.
2.Kenmerk 0175928464.
3.Kenmerk 0162624076.
4.Artikel 5.2, tweede lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000).
5.Artikel 7.1 en 7.4 van de Wsf 2000.
6.Zie artikel 3.3 en 3.18 van de Wsf 2000.