AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ongegrond beroep tegen omgevingsvergunning voor zorg/woongebouw ondanks overschrijding redelijke termijn
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Peel en Maas verleende een omgevingsvergunning voor het bouwen van een zorg/woongebouw, inclusief een afwijking van de maximale goothoogte. Eisers, woonachtig in de directe omgeving, stelden beroep in tegen deze besluiten. De rechtbank oordeelt dat het bouwplan voldoet aan het bestemmingsplan en niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand. De bezwaren tegen de afwijking van de goothoogte zijn niet gegrond verklaard.
De rechtbank weegt mee dat het bouwplan vrijwel volledig is gerealiseerd, maar stelt dat dit het belang van eisers bij vernietiging van het besluit niet wegneemt. Eisers voerden onder meer aan dat het beeldkwaliteitsplan onvoldoende duidelijk is en dat het bouwvolume niet overeenkomt met de tekeningen, maar de rechtbank volgt de eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat het beeldkwaliteitsplan voldoende duidelijk is en dat het bouwplan conform de vergunning is gerealiseerd.
Verder oordeelt de rechtbank dat het advies van de Adviescommissie ruimtelijke kwaliteit voldoende gemotiveerd en onafhankelijk is. Eisers hebben ook een beroep gedaan op een schending van de redelijke termijn, aangezien de totale procedure ruim twee jaar duurde, wat acht maanden langer is dan toegestaan. De rechtbank veroordeelt de Staat der Nederlanden tot betaling van een immateriële schadevergoeding van €1.000,- aan eisers 1 en 2 gezamenlijk.
De beroepen worden ongegrond verklaard, het griffierecht wordt niet teruggegeven en er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter M.B.L. van der Weele op 6 mei 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard, met toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummers: ROE 24/3343, 24/3344 en 24/3345
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 mei 2026 in de zaken tussen
[eisers 1] ,uit [woonplaats 1] , eisers 1,
(gemachtigde: mr. W. Visser),
[eisers 2] , uit [woonplaats 2] , eisers 2
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
[eiser 3] , uit [woonplaats 3] , eiser 3,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Peel en Maas, het college
(gemachtigde: mr. N.J.A.G. Alofs).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [Stichting] uit [vestigingsplaats] (vergunninghoudster)
(gemachtigde: mr. R.J.J.M.M. Metsemakers).
Procesverloop
1. Bij besluit van 16 augustus 2023 (het primaire besluit) heeft het college aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor de realisatie van een zorg/woongebouw op het adres [adres] in [plaats] .
1.1.
Bij besluiten van 24 april 2024 (de bestreden besluiten) heeft het college de daartegen ingediende bezwaren van eisers gegrond verklaard en het primaire besluit vervangen door een gewijzigde omgevingsvergunning.
1.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Op 21 november 2024 hebben eisers 2 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoek is op 16 december 2024 op zitting behandeld. De voorzieningenrechter heeft op 23 december 2024 uitspraak gedaan. [1] Eiser 3 heeft ook een verzoek om voorlopige voorziening ingediend, maar heeft dit verzoek ingetrokken voordat een inhoudelijke behandeling kon plaatsvinden.
1.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers [eisers 2] , [eiser 3] , [eisers 1] , mr. L.M.A. Schrieder, kantoorgenoot van de gemachtigde van eisers 1, de gemachtigde van eisers 2, de gemachtigde van het college tezamen met [vergunninghoudster] , vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [belanghebbende] en haar gemachtigde.
1.4.
Voorafgaand aan de zitting ontving de rechtbank nieuwe gedingstukken van eiser 3. Ter zitting heeft de rechtbank aan eiser 3 medegedeeld deze stukken inhoudelijk niet te behandelen en ook niet toe te voegen aan het dossier, omdat ze te laat zijn ingediend.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van de bestreden besluiten
2. Op 19 juni 2023 heeft vergunninghoudster een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het bouwen van een zorg/woongebouw op het adres [adres] in [plaats] (hierna: de locatie). De aanvraag is ingediend voor de activiteit ‘bouwen’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Bij het primaire besluit heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning verleend. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat zich geen weigeringsgronden als bedoeld artikel 2.10 van de Wabo voordoen omdat geen sprake is van strijd met het Bouwbesluit, het bestemmingsplan of de redelijke eisen van welstand.
2.1.
Bij het beoordelen van de aanvraag heeft het college getoetst aan het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘ [adres] [plaats] ’ (hierna: het bestemmingsplan). Dit bestemmingsplan is vastgesteld ten behoeve van het bouwproject van vergunninghoudster. Over het bestemmingsplan is bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) geprocedeerd. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 31 januari 2024 [2] het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan vernietigd, maar bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven.
2.2.
Bij de bestreden besluiten heeft het college de bezwaren van eisers gegrond verklaard en de verleende omgevingsvergunning vervangen door een gewijzigde omgevingsvergunning. Het college heeft bij de gewijzigde omgevingsvergunning de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag voor de activiteit ‘afwijken bestemmingsplan’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) omdat het bouwplan op specifieke punten in strijd is met de maximaal toegestane goothoogte op grond van het bestemmingsplan. De goothoogte bedraagt voor een specifiek deel van het bouwplan namelijk 12,7 meter, in afwijking van de in het bestemmingsplan voorgeschreven maximale goothoogte van 12 meter.
2.3.
Het college heeft de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘afwijken bestemmingsplan’ bij de bestreden besluiten verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2°, van de Wabo in samenhang met artikel 4, aanhef, onderdeel 1, van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) (de zogenoemde kruimelgevallenregeling). Verder heeft het college bij het bestreden besluit een aanvullende motivering gegeven ten aanzien van de vergunde goothoogte en de toetsing van het bouwplan aan de redelijke eisen van welstand.
2.4.
Eisers zijn het oneens met de bestreden besluiten en hebben daarom beroep ingesteld. Zij zijn woonachtig in de directe omgeving van het bouwplan.
Procesbelang
3. Het vergunde bouwplan is vrijwel volledig gerealiseerd. De naderende afronding van het bouwplan heeft bij partijen de vraag opgeroepen of eisers nog altijd belang hebben bij het vernietigen van de omgevingsvergunning. Ter zitting heeft de rechtbank partijen voorgehouden dat hoewel de bouw aan de buitenkant voltooid is, dit niet af doet aan het belang van eisers bij vernietiging van het bestreden besluit. Het vernietigen van het bestreden besluit kan voor eisers immers nog altijd rechtsgevolgen meebrengen. De rechtbank is daarom van oordeel dat eisers nog altijd een belang hebben bij deze procedure.
Omvang van het geding
4. De omgevingsvergunning is verleend voor de activiteiten bouwen en afwijken van het bestemmingsplan ten aanzien van de goothoogte. Wat betreft het bouwen moet er getoetst worden aan artikel 2.10 van de Wabo, in dit geval of de bouwactiviteit in strijd is met het bestemmingsplan, in het bijzonder artikel 3.3.3 waarin is bepaald dat het bouwplan moet voldoen aan het beeldkwaliteitsplan dat onderdeel uitmaakt van het bestemmingsplan. Verder moet er voldaan worden aan de welstandseisen, zoals bedoeld in onderdeel d van voornoemd artikel. Ten aanzien van het afwijken van het bestemmingsplan is de omgevingsvergunning beperkt tot het verruimen van de goothoogte. Tegen het afwijken van de maximale goothoogte hebben eisers geen beroepsgronden aangevoerd.
5. Eisers hebben op diverse momenten verwezen naar een concept monumentenlijst waarop de locatie [adres] genoemd wordt. Deze lijst is niet in het bezit van eisers, maar zij vinden dat de lijst van wezenlijk belang is voor de uitkomst van hun beroep. De rechtbank overweegt daarover als volgt. De concept monumentenlijst wordt niet beoordeeld. De lijst is geen onderdeel van het toetsingskader van de omgevingsvergunning zoals hiervoor besproken. Voor zover eisers aanvoeren dat de lijst toch van belang is, omdat deze ten grondslag kan worden gelegd aan een verzoek om herziening van de uitspraak van de Afdeling van 31 januari 2024, stelt de rechtbank vast dat dat buiten de omvang van het geding valt, omdat het toetsingskader van deze uitspraak wordt gevormd door het bestemmingsplan zoals dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gold.
Is de bouwactiviteit in strijd met het bestemmingsplan?
6. Eisers zijn van mening dat het college ten onrechte heeft besloten dat het bouwplan aan het bestemmingsplan voldoet. Het beeldkwaliteitsplan is volgens eisers niet duidelijk genoeg, waardoor een eventueel handhavingstraject volgens hen nooit zal slagen. Daarnaast vinden eisers dat het gerealiseerde bouwvolume niet overeenkomt met het beeldkwaliteitsplan. Zij verwijzen daarbij naar een schets op pagina 9 van het beeldkwaliteitsplan.
7. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 31 januari 2024 geoordeeld dat het beeldkwaliteitsplan voldoende duidelijk is. Met die uitspraak is de geldigheid van het bestemmingsplan, en daarmee ook het beeldkwaliteitsplan, vast komen te staan. De rechtbank zal zich daarom niet uitlaten over de rechtmatigheid en handhaafbaarheid van het bestemmingsplan.
8. Ten aanzien van het bouwvolume overweegt de rechtbank dat er in het beeldkwaliteitsplan meerdere tekeningen zijn opgenomen van het te realiseren bouwplan. Dat het bouwplan, zoals vergund, niet overeenkomt met de tekening op bladzijde 9, maakt niet dat het in strijd is met het beeldkwaliteitsplan, omdat op bladzijde 18, 19 en 20 duidelijk is afgebeeld hoe het gebouw eruit moet komen te zien.
9. Volgens eisers 2 is er geen verspringing gemaakt in het daadwerkelijk gerealiseerde gebouw. Daarmee wordt gedoeld op lagere bouwhoogte in het midden van het gebouw, waardoor het gebouw als twee onderdelen oogt in plaats van een massief geheel. De rechtbank constateert echter dat op onder andere bladzijde 13 van het beeldkwaliteitsplan een verspringing te zien is. In de bouwtekeningen die onderdeel van de vergunning zijn is deze verspringing eveneens aanwezig. Het bouwplan zoals vergund is dus overeenkomstig het beeldkwaliteitsplan. Voor zover niet conform de bouwtekeningen die onderdeel uitmaken van de omgevingsvergunning zou zijn gebouwd, is hiervoor een handhavingsverzoek het aangewezen instrument. De rechtbank kan in deze procedure immers alleen oordelen over hetgeen wat vergund is, niet of hetgeen gerealiseerd is in lijn is met de verleende vergunning. Voor het oordeel dat de bouwtekeningen niet in lijn zijn met het beeldkwaliteitsplan, ziet de rechtbank geen aanleiding.
10. Voor zover eiser 3 betoogt dat het advies van de Adviescommissie ruimtelijke kwaliteit (ARK) niet juist heeft geadviseerd over de conformiteit van de aanvraag met het beeldkwaliteitsplan en daarom onvoldoende is gemotiveerd dat aan het beeldkwaliteitsplan wordt voldaan, is de rechtbank van oordeel dat, wat daar ook van zij, dit niet tot vernietiging van het bestreden besluit kan leiden. De rechtbank heeft hiervoor immers overwogen dat het bouwplan in overeenstemming is met het beeldkwaliteitsplan.
11. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bouwplan voldoet aan het bestemmingsplan, behoudens de door het college vergunde afwijking van de goothoogte waarover eisers geen beroepsgronden hebben aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de omgevingsvergunning gelet op het bestemmingsplan niet mocht worden vergund.
Is de bouwactiviteit in strijd met de redelijke eisen van welstand?
12. Eisers 1 voeren aan dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand, zoals bedoeld in artikel 2.10, onder d, van de Wabo. Dit wordt beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet. Voor de gemeente Peel en Maas heeft de gemeenteraad op grond van artikel 12a van de Woningwet een welstandsnota vastgesteld, namelijk de Nota Ruimtelijke Kwaliteit. [3]
13. Dit aspect van de verleende vergunning is uitvoerig aan bod gekomen in de uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening van eisers 2. De rechtbank verwijst naar hetgeen de voorzieningenrechter over de gronden van eisers op dit punt heeft geoordeeld en maakt de uitgebreide overwegingen van de voorzieningenrechter tot de hare.
14. Samengevat komt het erop neer dat voor zover eisers betogen dat er een link is tussen het beeldkwaliteitsplan en de redelijke eisen van welstand, de rechtbank, net als de voorzieningenrechter, als volgt overweegt. In het beeldkwaliteitsplan zijn stedenbouwkundige eisen neergelegd. Dit beeldkwaliteitsplan maakt deel uit van de bestemmingsplanregels op grond van artikel 3.3.3 van het bestemmingsplan. Het is de rechtbank niet gebleken dat het beeldkwaliteitsplan tevens op grond van artikel 12a van de Woningwet door de gemeenteraad is vastgesteld als zijnde onderdeel van de welstandscriteria. Dit betekent dat in het kader van de door het college te verrichten toets aan artikel 2.10, eerste lid, onder d van de Wabo niet aan het beeldkwaliteitsplan dient te worden getoetst, terwijl daarin wel stedenbouwkundige eisen zijn neergelegd. De toets aan het beeldkwaliteitsplan vindt enkel plaats bij de beoordeling van het college of het bouwplan voldoet aan het bestemmingsplan (artikel 2.10, eerste lid, onder c van de Wabo).
15. Ten aanzien van de stelling van eisers dat het bouwplan überhaupt in strijd is met de redelijke eisen van welstand, verwijst de rechtbank naar onderdeel 5 van de uitspraak van de voorzieningenrechter. De rechtbank volgt de voorzieningenrechter in haar oordeel dat het bouwplan niet in strijd is met de Nota Ruimtelijke Kwaliteit en de redelijke eisen van welstand.
16. Voor zover eisers hebben betoogd dat de dorpsbouwmeester niet onafhankelijk is, verwijst de rechtbank naar onderdeel 3 van de uitspraak van de voorzieningenrechter. Met de voorzieningenrechter is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat de dorpsbouwmeester of de ARK niet onafhankelijk hebben geadviseerd. Verder is de rechtbank van oordeel dat, anders dan door eiser 3 betoogd, niet is gebleken dat een externe adviseur betrokken had moeten worden bij het advies van de ARK. De rechtbank is niet gebleken van regelgeving die het betrekken van een externe adviseur verplicht stelt.
17. Daarnaast is de rechtbank niet gebleken dat het advies van de ARK niet kan dienen als basis van handhavend optreden wegens gebruik van andere materialen dan daarin zijn voorgeschreven, zoals eisers gesteld hebben. Het advies is immers onderdeel van de omgevingsvergunning. Met de voorzieningenrechter is de rechtbank van oordeel dat het advies voldoende duidelijk is om als handhavingsgrondslag te dienen. De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 6.2 van de uitspraak van de voorzieningenrechter.
18. Ter zitting hebben eisers 2 aangegeven op welke onderdelen de uitspraak van de voorzieningenrechter volgens hen niet goed gemotiveerd was. Zij hebben hierbij verwezen naar de concept monumentenlijst en de contra-expertise die zij hebben ingebracht. Over de concept monumentenlijst verwijst de rechtbank naar overweging 5 van deze uitspraak. Ten aanzien van de contra-expertise stelt de rechtbank vast dat, in tegenstelling tot hetgeen eisers stellen, de voorzieningenrechter in onderdeel 5 van haar uitspraak uitgebreid stil heeft gestaan bij de beoordeling hiervan. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat aanvullende overwegingen nodig zijn ter onderbouwing van het oordeel dat de contra-expertise niet maakt dat het advies van de ARK gebrekkig of onzorgvuldig is.
19. Voor het overige (zoals de verbindendheid van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit) verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de voorzieningenrechter.
Overschrijding redelijke termijn
20. Ter zitting hebben eisers 1 en 2 een beroep gedaan op schadevergoeding vanwege het schenden van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 vanPro het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 vanPro het EVRM is overschreden, indien de duur van de totale procedure te lang is. In zaken met een voorafgaande bezwaarschriftprocedure vangt de termijn aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. De termijn eindigt (in de regel) op het moment waarop de bestuursrechter uitspraak doet. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar duren en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren (ofwel in totaal 24 maanden).
21. Op 31 augustus 2023 zijn de bezwaarschriften van eisers 1 en 2 ontvangen door het college. De termijn eindigt op het moment dat deze uitspraak is gedaan. Afgerond betekent dit dat de procedure in totaal twee jaar en acht maanden heeft geduurd. De redelijke termijn is met acht maanden overschreden.
21.1.
Het bestreden besluit is op 24 april 2024 genomen. De fase in bezwaar heeft acht maanden geduurd. Het college heeft twee maanden te lang over het behandelen van het bezwaar gedaan. Daar staat tegenover dat het overgrote gedeelte van de termijnoverschrijding aan de rechtbank te wijten is (zes maanden). Omdat de rechtbank verantwoordelijk is voor nagenoeg de volledige termijnoverschrijding, wordt de Staat der Nederlanden (ministerie van Justitie en Veiligheid) veroordeeld tot het betalen van de schadevergoeding. Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat zich in dit geval geen bijzondere omstandigheden voordoen die verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigen.
21.2.
Uitgaande van een forfaitair bedrag van € 500,- per half jaar (of een deel daarvan) dat de redelijke termijn is overschreden, stelt de rechtbank gelet op het voorgaande vast dat de aan eisers 1 en 2 toe te kennen schadevergoeding € 1.000,- bedraagt. Voor beide eisers (1 en 2) geldt dat dit bedrag per groep wordt toegekend, omdat zij samen hebben geprocedeerd.
Conclusie en gevolgen
22. De beroepen zijn ongegrond. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de beroepen ongegrond;
veroordeelt de Staat der Nederlanden (ministerie van Justitie en Veiligheid) tot betaling van een immateriële schadevergoeding tot een bedrag van € 250,- voor ieder van eisers 1, en € 500,- voor ieder van eisers 2.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B.L. van der Weele, rechter, in aanwezigheid van mr. L. van der Genugten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 6 mei 2026
griffier
De rechter is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 6 mei 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.