ECLI:NL:RBLIM:2026:4398

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
12172629 \ CV EXPL 26-1636
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Dohmen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
ECLI:NL:HR:2002:AE4553
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot terbeschikkingstelling gehuurde wegens ontbreken spoedeisend belang

Eiser vordert in kort geding dat Miwolari B.V. het gehuurde uiterlijk per 1 mei 2026 ter beschikking stelt, met een dwangsom bij niet-nakoming. Het gehuurde betreft een woning die door verbouwing is gesplitst in twee appartementen. Eiser baseert zijn vordering op een huurrelatie die door het hof is vastgesteld, ondanks eerdere ontbinding van de huurovereenkomst met zijn vader.

Miwolari voert verweer en stelt dat eiser geen spoedeisend belang heeft, omdat eiser een ander hoofdverblijf heeft en het gehuurde vanwege renovatiewerkzaamheden niet beschikbaar is. De kantonrechter overweegt dat eiser het gehuurde al geruime tijd niet als hoofdverblijf gebruikt en dat de feitelijke situatie is veranderd door renovatie en herontwikkeling.

De kantonrechter concludeert dat eiser onvoldoende urgentie heeft aangetoond om het gehuurde op korte termijn te betrekken, mede omdat hij elders een eigen woning heeft en het gehuurde incidenteel gebruikte. Ook is er een bodemprocedure aanhangig die spoedig zal worden behandeld. Daarom wordt de vordering afgewezen en wordt eiser veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Vordering tot onmiddellijke terbeschikkingstelling gehuurde afgewezen wegens ontbreken spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12172629 \ CV EXPL 26-1636
Vonnis in kort geding van 6 mei 2026
in de zaak van
[eisende partij],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: [gemachtigde],
tegen
MIWOLARI B.V.,
te Roermond,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Miwolari,
gemachtigde: mr. A.P.C. Houben.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de op 20 april 2026 door [eisende partij] nader overlegde producties 1 tot en met 22,
- de aanvullende producties 8 en 9 van 20 april 2026 van [eisende partij] ,
- de mondelinge behandeling van 21 april 2026,
- de spreekaantekeningen van [eisende partij] ,
- de pleitnota van Miwolari.

2.De feiten

2.1.
Miwolari is eigenaar van de woonruimte en kelder gelegen aan de [adres 1] te [plaats] (hierna: het gehuurde).
2.2.
Tussen Miwolari en de vader van [eisende partij] zijn er schriftelijke huurovereenkomsten gesloten voor het gehuurde. Er is geen schriftelijke huurovereenkomst tussen Miwolari en [eisende partij] .
2.3.
Bij vonnis van de kantonrechter d.d. 22 januari 2025 is de huurovereenkomst tussen de vader van [eisende partij] en Miwolari voor het gehuurde ontbonden.
2.4.
Het gehuurde is per 1 mei 2025 ontruimd en [eisende partij] heeft vanaf dat moment geen huur meer betaald aan Miwolari.
2.5.
Bij arrest van 4 november 2025 heeft het Hof ’s-Hertogenbosch het vonnis van 22 januari 2025 vernietigd waarbij is bepaald dat er tussen Miwolari en [eisende partij] sprake is van een huurrelatie.
2.6.
Op 5 december 2025 is Miwolari gesommeerd het gehuurde ter beschikking te stellen aan [eisende partij] . Bij e-mail van 25 maart 2026 heeft [eisende partij] dit opnieuw verzocht.
2.7.
Miwolari heeft [eisende partij] op 27 maart 2026 laten weten dat vanwege lopende renovatiewerkzaamheden het gehuurde nog niet toegankelijk is.
2.8.
Het gehuurde is tot het moment van dagvaarden niet ter beschikking gesteld aan [eisende partij] .
2.9.
Miwolari heeft op 16 april 2026 een bodemprocedure aanhangig gemaakt bij Rechtbank Limburg, locatie [plaats] , met zaaknummer 12172629 CV 26-1636, met betrekking tot de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde met nevenvorderingen.

3.Het geschil

3.1.
[eisende partij] vordert dat de kantonrechter - samengevat - Miwolari veroordeelt het gehuurde uiterlijk per 1 mei 2026 ter beschikking te stellen aan [eisende partij] en aan deze veroordeling een dwangsom te verbinden van € 500,00 per dag, tot een maximum van
€ 100.000,00, met veroordeling van Miwolari in de proceskosten.
3.2.
[eisende partij] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. [eisende partij] vordert nakoming van de huurovereenkomst tussen partijen. Daarom dient Miwolari het gehuurde, te weten de volledige begane grond inclusief kelder en voorzieningen, weer ter beschikking te stellen aan [eisende partij] . Dat Miwolari na de onrechtmatige ontruiming van [eisende partij] veranderingen aan het gehuurde heeft doorgevoerd, maakt dit niet anders. [eisende partij] vordert dan ook van Miwolari het gehuurde uiterlijk per 1 mei 2026 aan hem ter beschikking te stellen.
3.3.
Miwolari voert verweer. Miwolari concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met veroordeling van [eisende partij] in de proceskosten.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter wijst de vorderingen van [eisende partij] af. Hieronder licht de kantonrechter toe hoe hij tot dit oordeel komt.
Spoedeisend belang
4.2.
Allereerst dient te worden beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang aan de kant van [eisende partij] . De vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, dient beantwoord te worden aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. De omstandigheid dat de eisende partij lang heeft stilgezeten, kan bij die afweging een rol spelen, en de omstandigheid dat een rechtsvraag in geschil is waarop het antwoord niet evident is, kan leiden tot behoedzaamheid bij de toewijzing van de gevraagde voorziening, maar deze omstandigheden kunnen noch ieder voor zich noch in onderlinge samenhang het oordeel rechtvaardigen dat de eisende partij geen spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening (meer) heeft. [1]
4.3.
Op het punt van het spoedeisend belang heeft [eisende partij] aangevoerd dat de spoedeisendheid besloten ligt in de tussen partijen geldende huurovereenkomst. [eisende partij] huurt de woning van Miwolari en heeft een zwaarwegend belang bij het hebben van een woning. Tijdens de mondelinge behandeling van de zaak heeft [eisende partij] aangegeven dat hij het gehuurde nodig heeft in verband met zijn medische situatie. [eisende partij] heeft namelijk op 8 maart 2022 een beroerte gehad en gebruikt het gehuurde om er tot rust te komen. ’s Avonds ging [eisende partij] naar het gehuurde om er te slapen en overdag verbleef [eisende partij] in zijn andere woning op de [adres 2] in [plaats] . [eisende partij] is ziek geweest door een gescheurde kruisband en beroerte en heeft daardoor een lange periode voor revalidatie nodig gehad. Daarnaast voert [eisende partij] aan dat in kort geding kan worden tegengegaan dat het gehuurde verhuurd wordt aan een andere partij hetgeen Miwolari verklaard heeft te zullen doen.
4.4.
Miwolari betwist dat er sprake is van een spoedeisend belang. Weliswaar strekt de vordering van [eisende partij] tot het onmiddellijk ter beschikking stellen van het gehuurde, maar daarvoor bestaat geen grond. [eisende partij] gebruikte het gehuurde al geruime tijd niet meer als hoofdverblijf. Ook staat [eisende partij] sinds april 2022 samen met zijn partner ingeschreven op het adres [adres 2] in [plaats] . Dit betreft een eigen woning. Tot slot heeft [eisende partij] zelf verklaard dat hij het gehuurde slechts incidenteel gebruikte. Doordat [eisende partij] al jaren elders woont, gaat het hier dus niet om een huurder die het gehuurde is kwijtgeraakt.
4.5.
Daar komt nog bij dat de feitelijke situatie wezenlijk is veranderd. Het gehuurde wordt uitvoerig gerenoveerd en er is sprake van een herontwikkeling van het complex. Dat de bodemrechter zich nog moet uitlaten over de rechtsverhouding tussen partijen maakt dit tegelijkertijd een situatie waarin de rechter in kort geding terughoudend moet zijn. Een toewijzing van de vordering brengt, zolang de bodemrechter zich nog moet uitlaten over deze situatie, allerlei praktische en juridische problemen met zich mee. Een nieuwe feitelijke situatie maakt het moeilijk en onwenselijk om deze weer terug te draaien, aldus Miwolari.
4.6.
De kantonrechter oordeelt dat [eisende partij] geen spoedeisend belang heeft bij zijn vordering tot het ter beschikking stellen van het gehuurde. In de kern gaat deze zaak niet om een huurder die zijn onderdak verliest bij afwijzing van zijn vordering, maar om een huurder die het gehuurde nodig heeft om er tot rust te komen. Als onweersproken staat vast dat [eisende partij] over een andere woning beschikt op de [adres 2] in [plaats] alwaar hij zijn hoofdverblijf heeft. [eisende partij] en zijn partner zijn samen eigenaar van deze woning en [eisende partij] staat sinds 20 april 2022 ook op de [adres 2] in [plaats] ingeschreven. Weliswaar heeft [eisende partij] ter zitting aangegeven dat hij het gehuurde uitsluitend zelf nodig heeft vanwege gezondheidsredenen, maar dit strookt niet met hetgeen hij nadien heeft verklaard over het verblijf van zijn minderjarig kind in het gehuurde. Als [eisende partij] het gehuurde al nodig heeft om er zélf tot rust te komen, dan ligt het minder voor de hand dat zijn minderjarig kind bij hem aanwezig is in het gehuurde. Daarmee heeft [eisende partij] niet duidelijk gemaakt wat de noodzaak is om op korte termijn in het gehuurde te kunnen verblijven. Ook op zitting is verder niet gebleken van feiten en omstandigheden daaromtrent. Inmiddels is er al meer dan een jaar verstreken dat [eisende partij] niet meer in het gehuurde verblijft, terwijl hij op zitting heeft verklaard in de tussentijd bij vrienden van hem terecht te kunnen.
4.7.
De kantonrechter merkt daarbij op dat er aan de kant van Miwolari diverse pogingen zijn gedaan om een alternatieve woning aan [eisende partij] aan te bieden. Miwolari voert namelijk aan het gehuurde niet meer ter beschikking te kunnen stellen nu dit opnieuw verhuurd wordt, hetgeen [eisende partij] betwist. Zelfs op zitting is er door Miwolari opnieuw een aanbod gedaan voor één van de drie woningen die zij tot haar beschikking heeft en die kwalitatief nog beter zijn dan het gehuurde. Desondanks heeft [eisende partij] ervan afgezien om gebruik te maken van dit aanbod.
4.8.
Alles overwegende leidt naar het oordeel van de kantonrechter ertoe dat niet is gebleken van de noodzaak en urgentie van [eisende partij] om op korte termijn het gehuurde weer ter beschikking te hebben.
4.9.
Uit het voorgaande volgt dat [eisende partij] zijn spoedeisend belang bij het weer ter beschikking stellen van het gehuurde in kort geding onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Daar komt nog bij dat niet valt in te zien waarom de aanhangige bodemprocedure niet kan worden afgewacht. De mondelinge behandeling daarvan staat gepland voor 29 april 2026. Het vonnis daarin valt vier weken later te verwachten. Nu de rechtsverhouding tussen partijen ter discussie staat, leent deze zaak zich niet voor behandeling in kort geding. Daarvoor is nader feitenonderzoek en zo mogelijk bewijslevering nodig waarvoor in kort geding geen plaats is.
4.10.
Nu het spoedeisend belang ontbreekt, komt de kantonrechter niet toe aan de inhoudelijke behandeling van de stellingen van partijen. De vorderingen van [eisende partij] worden afgewezen.
[eisende partij] wordt in de proceskosten veroordeeld
4.11.
[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Miwolari worden begroot op:
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
721,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eisende partij] af,
5.2.
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 721,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.