ECLI:NL:RBLIM:2026:4411

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
C/03/337506 / HA ZA 25-2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Roeffen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 RvArt. 767 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling openstaande factuur advocaatkosten na intrekking toevoeging gefinancierde rechtsbijstand

Mr. [eiser] heeft [gedaagde] bijgestaan in een echtscheidingsprocedure en factureerde zijn werkzaamheden na intrekking van de toevoeging gefinancierde rechtsbijstand. De toevoeging was aanvankelijk verleend, vervolgens ingetrokken vanwege het financiële resultaat, daarna hersteld en uiteindelijk definitief ingetrokken na afronding van de procedure.

De rechtbank oordeelde dat ondanks het formele bezwaar dat de vordering door de eenmanszaak was ingesteld terwijl de maatschap partij had moeten zijn, dit bezwaar niet ontvankelijk werd verklaard om herhaling van procedures te voorkomen. De factuur was op het moment van dagvaarding niet opeisbaar, maar werd dat wel na de definitieve intrekking van de toevoeging.

De rechtbank stelde vast dat het aantal gewerkte uren door mr. [eiser] voldoende was onderbouwd en dat het uurtarief €194,21 exclusief btw moest zijn. Na aftrek van de reeds betaalde eigen bijdrage werd gedaagde veroordeeld tot betaling van €17.774,95. Proceskosten werden gecompenseerd en overige vorderingen afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €17.774,95 aan advocaatkosten na definitieve intrekking van de toevoeging gefinancierde rechtsbijstand.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/337506 / HA ZA 25-2
Vonnis van 13 mei 2026
in de zaak van
[eiser] , H.O.D.N. [advocatenkantoor],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: mr. [eiser] ,
advocaat: mr. [eiser] ,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. L.C. van Kasteren.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 4
- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 4
- de conclusie van repliek tevens vermindering van eis met producties 5 t/m 14
- de conclusie van dupliek
- het bericht van 9 maart 2026 met productie 15 van mr. [eiser]
- de mondelinge behandeling van 16 maart 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Mr. [eiser] heeft [gedaagde] bijgestaan in het kader van haar echtscheidingsprocedure. Door mr. [eiser] is op 8 september 2021 aan [gedaagde] een opdrachtbevestiging verstuurd, welke opdrachtbevestiging ook door [gedaagde] is ondertekend. In de opdrachtbevestiging is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:
“Mogelijk leidt de door ons kantoor verleende juridische bijstand tot een dermate financieel resultaat dat de Raad achteraf oordeelt dat u de kosten van de verleende rechtsbijstand zelf dient te voldoen (grens 2021: € 15.670,-). De Raad kan aldus afhankelijk van het resultaat in uw zaak achteraf de toevoeging intrekken. Mocht de Raad geen toevoeging verlenen of de toevoeging intrekken, dan zal over de verrichte werkzaamheden het uurtarief van € 235,- inclusief btw in rekening worden gebracht.”
2.2.
Bij aanvang van de werkzaamheden is voor [gedaagde] een toevoeging gefinancierde rechtsbijstand (hierna: toevoeging) aangevraagd bij de Raad voor de Rechtsbijstand (hierna: de Raad). Die toevoeging is ook verleend.
2.3.
Op 7 mei 2024 heeft mr. [eiser] de Raad verzocht om de toevoeging in te trekken vanwege het financiële resultaat van de echtscheidingsprocedure. De Raad heeft vervolgens bij besluit van 25 juni 2024 de toevoeging ingetrokken.
2.4.
Eveneens op 7 mei 2024 heeft mr. [eiser] voor zijn werkzaamheden een factuur ter hoogte van € 26.472,99 aan [gedaagde] verstuurd. Op de factuur is een betalingstermijn van 14 dagen opgenomen. [gedaagde] heeft de factuur ondanks sommatie niet voldaan, waarna mr. [eiser] de onderhavige procedure is gestart.
2.5.
Mr. [eiser] heeft deze rechtbank verzocht om conservatoir beslag te mogen leggen op een onroerende zaak te Venlo, die mede in eigendom van [gedaagde] is. Op 10 september 2024 is het verlof verleend. Op 25 september 2024 heeft mr. [eiser] beslag laten leggen op de onroerende zaak.
2.6.
[gedaagde] heeft bezwaar aangetekend tegen de intrekking van de toevoeging. Het bezwaar is gegrond verklaard, omdat de intrekking prematuur was. Er was geen sprake van een definitieve afronding van de echtscheidingsprocedure, omdat tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep was ingesteld. De toevoeging is op 12 mei 2025 door de Raad hersteld.
2.7.
De zaak waarvoor de toevoeging is verstrekt is definitief geëindigd met de beschikking van het hof 's-Hertogenbosch van 6 maart 2025. Er is geen cassatieberoep ingesteld. De Raad heeft op 11 augustus 2025 de toevoeging wederom ingetrokken. [gedaagde] is tegen die intrekking in bezwaar gegaan. De Raad heeft bij beslissing van 16 januari 2026 geoordeeld dat de intrekking wordt gehandhaafd.

3.Het geschil

3.1.
Mr. [eiser] vordert na eisvermindering – samengevat – betaling van een bedrag van € 21.572,50 (hoofdsom factuur verminderd met eigen bijdrage en btw).
3.2.
Bij dagvaarding vorderde mr. [eiser] ook betaling van buitengerechtelijke kosten, beslagkosten, proceskosten en rente. Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. [eiser] die nevenvorderingen ingetrokken, zodat thans uitsluitend de hoofdsom onderwerp van dit geschil is.
3.3.
[gedaagde] voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.1.
Deze zaak heeft een internationaal karakter, omdat [gedaagde] in China woont.
4.2.
Op grond van artikel 10 jo Pro. artikel 767 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de rechtbank bevoegd, waarvan de voorzieningenrechter het verlof tot het gelegde beslag heeft verleend. Deze rechtbank heeft op 10 september 2024 verlof verleend tot het leggen van conservatoir beslag onder de onroerende zaak van [gedaagde] te Venlo. Op 25 september 2024 heeft mr. [eiser] beslag laten leggen op de onroerende zaak. Daarmee is deze rechtbank bevoegd om van het onderhavige geschil kennis te nemen.
4.3.
Op het geschil is, mede gezien de impliciete rechtskeuze die partijen hebben gedaan,
Nederlands recht van toepassing.
Inhoudelijke beoordeling
4.4.
Mr. [eiser] vordert betaling van een bedrag van € 21.572,50, zijnde de factuur van 7 mei 2024 ter hoogte van € 26.472,99 verminderd met de door [gedaagde] betaalde eigen bijdrage van € 306,- en verminderd met de btw. De factuur is opgebouwd uit 93,1 uur tegen een uurtarief van € 235,- inclusief btw.
4.5.
[gedaagde] voert bij wijze van verweer aan dat de vordering is ingesteld door de eenmanszaak van mr. [eiser] , terwijl die eenmanszaak ondertussen is ingebracht in een maatschap. Nu de maatschap geen partij is in deze procedure, kan de vordering volgens [gedaagde] niet worden toegewezen. [gedaagde] verwijt mr. [eiser] dat hij de waarheidsplicht heeft geschonden, door bij dagvaarding niet alle feiten juist en volledig naar voren te brengen. De factuur waarvan nu betaling wordt gevorderd is volgens [gedaagde] niet opeisbaar, omdat deze is verstuurd toen [gedaagde] nog aanspraak kon maken op een toevoeging. [gedaagde] verwijst in dat kader naar het bezwaar van haar op de intrekking van de toevoeging en de beslissing van de Raad.
Verder voert [gedaagde] aan dat het uurtarief € 194,21 (exclusief btw) had moeten zijn en betwist zij dat mr. [eiser] het genoemde aantal uren heeft besteed althans betwist zij dat het aantal uren redelijk is. [gedaagde] stelt zich verder op het standpunt dat mr. [eiser] zijn zorgplicht tegenover haar heeft geschonden door eenzijdig de bijstand te beëindigen. [gedaagde] stelt dat zij hierdoor schade heeft geleden.
4.6.
Ten aanzien van het verweer van [gedaagde] dat enkel de maatschap onderhavige vordering had kunnen instellen overweegt de rechtbank als volgt. Mr. [eiser] heeft erkend dat de eenmanszaak ondertussen is ingebracht in de maatschap. Dit heeft tot gevolg dat de vordering eigenlijk enkel door de maatschap had kunnen worden ingesteld. Daar staat tegenover dat uit de door [gedaagde] in het geding gebrachte processtukken blijkt dat het voor haar van meet af aan duidelijk was tegen welke vorderingen zij zich moest verweren, namelijk de vorderingen van haar voormalig advocaat. Dat heeft zij ook gedaan. Mr. [eiser] heeft verder aangegeven dat hij bevoegd is de maatschap te vertegenwoordigen en dat [gedaagde] bevrijdend aan hem kan betalen. Mr. [eiser] heeft verder aangegeven dat wanneer de vordering op deze formele grond wordt afgewezen, hij een nieuwe procedure zal starten. De rechtbank overweegt dat geen van partijen belang heeft bij een afwijzing van de vordering op formele gronden, waarna en nieuwe procedure zal worden gestart namens de maatschap. Dit is een herhaling van zetten die eenieder, met name [gedaagde] , tijd en geld zal kosten. Daar staat tegenover dat partijen belang hebben bij duidelijkheid in deze kwestie. Gelet op het vorenstaande en in het kader van de deformalisering van de rechtspraak zal de rechtbank voorbij gaan aan het ontvankelijkheidsverweer van [gedaagde] en overgaan tot inhoudelijke behandeling.
4.7.
[gedaagde] heeft terecht aangevoerd dat mr. [eiser] niet alle feiten juist en volledig naar voren heeft gebracht in zijn processtukken. Met name de perikelen rondom de toevoeging heeft mr. [eiser] niet toegelicht in zijn dagvaarding. [gedaagde] heeft daar in haar processtukken uitvoerig bij stilgestaan en daardoor mogelijk meer werk gehad aan het opstellen van een verweer. Vervolgens heeft de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling alle feiten met partijen besproken. [gedaagde] is dus niet in haar verdediging geschaad, maar heeft mogelijk meer proceskosten gemaakt dan anders nodig zou zijn geweest. Mr. [eiser] heeft dit erkend en om die reden zijn nevenvorderingen, waaronder de proceskostenveroordeling, ingetrokken. De rechtbank is van oordeel dat door intrekking van de nevenvorderingen voldoende tegemoet is gekomen aan de procesbelangen van [gedaagde] , zodat verdere consequenties op dit punt naar het oordeel van de rechtbank niet nodig zijn.
4.8.
Met betrekking tot de opeisbaarheid van de vordering overweegt de rechtbank als volgt. Ten tijde van het opstarten van deze procedure was de factuur inderdaad niet opeisbaar. Dat neemt niet weg dat sinds de beslissing van de Raad van 16 januari 2026 de toevoeging definitief is ingetrokken en is komen vast te staan dat [gedaagde] de advocaatkosten zelf dient te dragen. Vanaf dat moment is de vordering van mr. [eiser] dan ook opeisbaar geworden. Het is naar het oordeel van de rechtbank niet noodzakelijk dat mr. [eiser] daarvoor een nieuwe factuur naar [gedaagde] zou versturen. Daar komt bij dat partijen het er ook over eens zijn dat [gedaagde] aan mr. [eiser] in beginsel een bedrag zou moeten betalen, maar zij verschillen van mening over de hoogte daarvan.
4.9.
Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat mr. [eiser] 93,1 uur heeft besteed aan juridische bijstand voor [gedaagde] . Door mr. [eiser] zijn gedetailleerde urenstaten overgelegd, die ook steeds gedurende de bijstand met [gedaagde] zijn gedeeld, terwijl [gedaagde] daar nooit inhoudelijk bezwaar tegen heeft gemaakt. Ook in deze procedure heeft [gedaagde] enkel in algemene zin aangegeven dat het aantal uren volgens haar te hoog was. Echter, desgevraagd heeft zij niet specifiek kunnen aangeven welke uren volgens haar ten onrechte zouden zijn gemaakt. [gedaagde] heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd betwist dat de door mr. [eiser] gestelde uren (terecht) zijn gemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. [eiser] in lijn met het verweer van [gedaagde] ingestemd met toepassing van een uurtarief van € 194,21 zodat de rechtbank daarvan uit zal gaan.
4.10.
Samengevat komt de rechtbank tot de conclusie dat mr. [eiser] gelet op het aantal bestede uren in beginsel aanspraak kan maken op een bedrag van € 18.080,95 (93,1 uur x € 194,21). Van dit bedrag moet de door [gedaagde] reeds betaalde eigen bijdrage van € 306,- worden afgetrokken. Dit leidt tot een bedrag van € 17.774,95 dat thans nog door [gedaagde] aan mr. [eiser] is verschuldigd.
4.11.
De rechtbank kan in haar beslissing niet ingaan op de stellingen van [gedaagde] dat zij schade heeft geleden die door mr. [eiser] dient te worden vergoed. De rechtbank kan immers enkel beslissen op de aan haar voorgelegde vorderingen. [gedaagde] heeft geen eis in reconventie ingesteld waar mr. [eiser] op had kunnen reageren en haar stellingen ook niet nader met stukken onderbouwd. Er is dan ook geen sprake van een vordering aan de zijde van [gedaagde] waar de rechtbank op kan beslissen.
Proceskosten
4.12.
[gedaagde] is de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, zodat zij in beginsel de proceskosten van mr. [eiser] zou moeten vergoeden conform het liquidatietarief. Mr. [eiser] heeft de vordering proceskostenveroordeling ingetrokken (zie r.o. 4.7.). De rechtbank is echter ambtshalve verplicht omtrent de proceskostenveroordeling een beslissing te geven. Daarom zal de rechtbank de proceskosten tussen partijen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan mr. [eiser] te betalen een bedrag van € 17.774,95,
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Roeffen en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.