10.1.Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en hij moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Ten aanzien van de parkeerplaatsen
11. Verzoeker is van mening dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn belangen. Hij vindt dat het college onvoldoende heeft onderbouwd waarom de tien parkeerplaatsen naast zijn woning komen te liggen, en niet aan de overkant van de straat, ter hoogte van de [adres] .
12. Ter zitting heeft het college toegelicht waarom de tien parkeerplaatsen ter hoogte van de [adres] geprojecteerd zijn. Het college stelt dat de gronden waarop de tien parkeerplaatsen gerealiseerd worden de bestemming ‘centrum’ kennen waarop parkeren rechtstreeks is toegestaan als medefunctie. Daar staat tegenover dat op het perceel aan de overzijde van de straat, waar verzoeker op doelt, de bestemming ‘Agrarisch met Waarden – Natuur- en landschapswaarden’ rust. Het college heeft toegelicht dat op die zijde van de straat al het maximaal aantal parkeerplaatsen staat geprojecteerd en dat het college de voorkeur heeft om de tien parkeerplaatsen niet in het buitengebied, maar in het centrum te laten plaatsen.
13. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college voldoende duidelijk gemaakt waarom de parkeerplaatsen ter hoogte van de [adres] worden gerealiseerd en niet aan de overzijde van de straat, gelet op de landschappelijke inpassing van de parkeerplaatsen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van strijd met de goede ruimtelijke ordening op dit onderdeel.
Geluidshinder en visuele hinder
14. Verzoeker heeft verder gesteld dat hij geluidsoverlast zal ervaren als gevolg van de ingebruikname van het terras en de parkeerplaatsen. Het college verwijst naar een akoestisch onderzoek dat onderdeel uitmaakt van de aanvraag. Hoewel het verwachte geluidsniveau per etmaal (47 dB(A)) hoger is dan de norm waarvan in het rapport is uitgegaan (45 dB(A)), blijft het niveau onder de norm zoals opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer (50 dB(A)). Hetzelfde geldt voor het maximaal geluidsniveau. Het verwachte niveau (67 dB(A)) overstijgt de norm (65 dB(A)) zoals omschreven in het rapport, maar niet de norm van het Activiteitenbesluit milieubeheer (70 dB(A)). Het college is daarom van mening dat, hoewel sprake is van een lichte overschrijding van de geluidsnormen in het rapport, dit niet tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van verzoeker leidt.
15. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college voldoende rekening gehouden met de belangen van verzoeker en zijn deze belangen weloverwogen afgezet tegen de geluidsnormen zoals opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Verzoeker heeft te weinig aangevoerd om in deze procedure tot een andersluidend oordeel te komen. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat eerdere bezwaren in de zienswijze van verzoeker hebben geleid tot aanpassingen in de uiteindelijk verleende omgevingsvergunning. Zo is in de omgevingsvergunning opgenomen dat geen versterkte muziek mag worden afgespeeld op het terras en is aan de omgevingsvergunning toegevoegd dat na 20:00 uur geen eten meer in de brasserie mag worden geserveerd. Daarnaast was oorspronkelijk de bedoeling dat achter de brasserie, aan de zijde van de woning van verzoeker, het laden en lossen in de voorraadkelder plaats zou vinden. Inmiddels is het bouwplan zo aangepast dat het laden en lossen aan de straatzijde van de brasserie zal plaatsvinden.
16. Daarnaast vreest verzoeker dat hij visuele hinder zal ervaren als gevolg van het zicht op de geparkeerde auto’s en van de koplampen van de auto’s die van de parkeerplaatsen gebruik zullen maken. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat deze visuele hinder niet zodanig is dat hierdoor het treffen van een voorlopige voorziening, in afwachting van de behandeling van de bodemprocedure, noodzakelijk is.
17. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter in dit stadium van de procedure niet ervan overtuigd geraakt dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van verzoeker en dat onverwijlde spoed een voorlopige voorziening vereist. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.