ECLI:NL:RBLIM:2026:45

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
ROE 22/2017
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om vergoeding voor beschadigde euromunten na afvalverwerking

In deze zaak heeft eiser, h.o.d.n. [bedrijfsnaam], een verzoek ingediend bij De Nederlandsche Bank N.V. (DNB) voor een vergoeding van 145.150 beschadigde euromunten. DNB heeft dit verzoek afgewezen op 22 december 2021, waarna eiser in bezwaar ging. DNB handhaafde de afwijzing in de beslissing op bezwaar van 22 juli 2022. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank Limburg, die op 6 januari 2026 uitspraak deed. De rechtbank oordeelde dat DNB terecht geen vergoeding heeft verleend, omdat de munten een bewerking hebben ondergaan die redelijkerwijs kan worden verwacht dat deze de munten verandert. De rechtbank concludeerde dat de intentie of het handelen van de oorspronkelijke bezitters van de munten niet relevant is voor de beoordeling van de vergoedingsplicht. Eiser voerde aan dat er geen sprake was van een bewerking, maar de rechtbank volgde de redenering van DNB en stelde vast dat de munten door afvalverwerking en schoonmaakprocessen ongeschikt waren voor circulatie. Eiser kreeg geen gelijk en het beroep werd ongegrond verklaard. Wel werd DNB veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 2.000,- aan eiser wegens overschrijding van de redelijke termijn in de procedure.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 22/2017

uitspraak van de meervoudige kamer van 6 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] h.o.d.n. [bedrijfsnaam] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.H.B. Averdijk),
en

De Nederlandsche Bank N.V., DNB

(gemachtigde: mr. W.J. Poot, mr. L. Ploegstra en mr. R.E.F. ten Ham).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers verzoek aan DNB om een vergoeding te krijgen voor 145.150 beschadigde euromunten. Eiser is het niet eens met deze afwijzing en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of DNB terecht geen vergoeding aan eiser heeft toegekend.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is
.Eiser krijgt dus geen gelijk. DNB stelt terecht dat zich in dit geval een uitzondering voordoet op haar plicht om beschadigde munten te vergoeden. De munten hebben namelijk een bewerking ondergaan waarvan redelijkerwijs verwacht kon worden dat deze de munten verandert. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiser heeft op 25 maart 2021 een aanvraag ingediend en deze aangevuld op
4 mei 2021. DNB heeft deze aanvraag met het besluit van 22 december 2021 afgewezen. Eiser is daartegen in bezwaar gegaan. Met de beslissing op het bezwaar van 22 juli 2022 (het bestreden besluit) is DNB bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
3.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. DNB heeft een verweerschrift ingediend.
3.2.
De rechtbank heeft het beroep op 21 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigden van DNB.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
4. Eiser heeft een grote hoeveelheid munten. Deze munten zijn in 2019 en 2020 in het huisvuil terecht gekomen en eiser heeft deze munten gekocht nadat zij uit bodemassen na afvalverwerking zijn gehaald. Hij wil deze munten inleveren bij DNB tegen vergoeding. Het gaat volgens eiser om munten met een waarde van ongeveer € 34.480,-. Om te beoordelen of de munten voor vergoeding in aanmerking komen zijn in overleg met eiser 500 munten onderzocht door het Nationaal Analyse Centrum voor Munten (NACM). Het NACM heeft geconcludeerd dat alle onderzochte munten ongeschikt zijn voor circulatie en één of meerdere bewerkingen hebben ondergaan die de munten heeft of hebben veranderd. Het gaat daarbij om afvalverbranding en schoonmaakprocessen inclusief trommelen met zeep en/of stalen kogels. DNB heeft daarna besloten de munten niet te vergoeden omdat de munten een bewerking hebben ondergaan, waarvan redelijkerwijs verwacht kon worden dat die de munten zou veranderen.
Wat vinden partijen?
5. Eiser is van mening dat DNB zich onterecht op een uitzondering op de vergoedingsplicht beroept. Er is namelijk geen sprake van een bewerking maar van een onopzettelijke en onvoorziene verandering van de munten. DNB heeft geen rekening gehouden met de intentie en het handelen van de (oorspronkelijke) bezitters van de munten en dat is in strijd met Europees recht. Daarnaast vindt eiser dat DNB onvoldoende duidelijkheid geeft over wat een bewerking is. Daardoor is er sprake van rechtsonzekerheid.
6. DNB weigert vergoeding van de munten op de grond dat de munten een bewerking hebben ondergaan waarvan verwacht mag worden dat die de munten verandert. De intentie of actief handelen van de (oorspronkelijke) bezitter van de munten is daarbij niet van belang. DNB past een uitzondering op de vergoedingsplicht uit de Muntwet toe en dat is niet in strijd met Europees recht. DNB heeft verder op haar website en in haar communicatie aan eiser duidelijk gemaakt dat munten die uit afvalverbranding komen niet vergoed worden, zodat er geen sprake is van rechtsonzekerheid.
Wat is het juridisch kader?
7. Het juridisch kader van deze zaak is voornamelijk terug te vinden in de Muntwet 2002 (Muntwet). Daarnaast speelt ook de Verordening betreffende echtheidscontrole van euromunten en de behandeling van euromunten die ongeschikt zijn voor circulatie (Verordening) een rol. [1]
7.1.
In de Muntwet staat dat munten die niet meer geschikt zijn voor circulatie kunnen worden ingeleverd bij DNB. [2] DNB vergoedt dan de nominale waarde van de munt. [3] In artikel 9, zesde lid, van de Muntwet, zijn daarop de volgende uitzonderingen opgenomen:
De waarde van munten die opzettelijk zijn veranderd of een bewerking hebben ondergaan waarvan redelijkerwijs is te verwachten dat ze de munt verandert, wordt niet vergoed.
7.2.
De Verordening kent net als de Muntwet een vergoedingsplicht voor beschadigde munten. Artikel 8, tweede lid, van de Verordening geeft lidstaten echter de mogelijkheid om daarop uitzonderingen te maken:
De lidstaten vergoeden of vervangen euromunten die na langdurige circulatie of door toevallige beschadiging ongeschikt zijn geworden of tijdens de echtheidscontrole afgekeurd zijn. Onverminderd de vergoeding van munten die voor liefdadigheidsdoeleinden worden verzameld, zoals munten die in fonteinen worden gegooid, kunnen de lidstaten weigeren voor circulatie ongeschikte euromunten te vergoeden wanneer die opzettelijk zijn veranderd of een bewerking ondergaan hebben waarvan redelijkerwijs te verwachten is dat ze de munt verandert.
Hebben eisers munten een bewerking ondergaan waarvan redelijkerwijs te verwachten is dat ze de munt verandert?
8. Eiser stelt dat er geen sprake is van een bewerking. Een bewerking vereist namelijk een handeling of handelen. Het enkele feit dat een munt een (passief) proces ondergaat of daaraan wordt blootgesteld valt hier niet onder. Dat blijkt ook uit het gegeven dat munten die door slijtage door langdurige circulatie zijn veranderd, door DNB moeten worden vergoed. Eiser is daarom van mening dat degene (de bezitter) die een euromunt bewerkt of laat bewerken, zich ten minste bewust is van en mogelijk de intentie heeft om de euromunt van uiterlijk te (doen) veranderen, wil er sprake zijn van een bewerking. Dat is hier niet aan de orde, aangezien het gaat om munten die door de oorspronkelijke bezitters per ongeluk zijn weggegooid en vervolgens onbedoeld zijn verbrand. Eiser is verder van mening dat artikel 8, tweede lid, van de Verordening een belangenafweging vereist bij de beoordeling of er sprake is van een bewerking. Daarbij moet gekeken worden naar de opzet en het handelen van de (oorspronkelijke) bezitter. Voor zover de Muntwet deze belangenafweging niet zou vereisen is die in strijd met de Verordening. Ook bij de toepassing van de Muntwet moet DNB daarom deze belangenafweging maken.
9. De rechtbank stelt voorop dat de hoogste bestuursrechter in 2021 heeft geoordeeld dat het blootstellen van munten aan afvalverwerking een bewerking is waarvan redelijkerwijs te verwachten is dat ze de munt verandert. [4] De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak anders te oordelen. De stelling van eiser dat de munten in die zaak sterker beschadigd waren dan eisers munten, blijkt niet uit de uitspraak en verandert dit oordeel niet. Het NACM heeft namelijk ook ten aanzien van eisers munten vastgesteld dat alle munten die het heeft onderzocht zo beschadigd zijn dat zij voor circulatie ongeschikt zijn en kenmerken vertonen waaruit kan worden afgeleid dat de munten zijn beschadigd door bewerkingen waarvan verwacht kan worden dat die de munten veranderen. De aangetroffen kenmerken wijzen op verbrandingsprocessen en schoonmaakprocessen met zuur of iets soortgelijks en trommelen met zeep en/of stalen kogels. Dat komt ook overeen met eisers verklaringen nu hij stelt dat de munten uit bodemassen van afvalverbrandingsprocessen komen en zijn schoongemaakt. Het is redelijkerwijs te verwachten dat munten die aan afvalverbranding, schoonmaken met zuur of andere agressieve middelen of trommelen met metalen kogels worden blootgesteld, veranderen.
9.1.
Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat het voor een bewerking in de zin van artikel 9, zesde lid, van de Muntwet, niet noodzakelijk is dat er sprake is van een opzettelijk of actief proces. De rechtbank overweegt daarover dat het woord
opzettelijkin artikel 9, zesde lid, van de Muntwet alleen ziet op de eerste uitzonderingsgrond die daar opgenomen is; het opzettelijk veranderen
.Dit volgt uit de tekst van het lid zelf:
De waarde van munten die opzettelijk zijn veranderd of een bewerking hebben ondergaan waarvan redelijkerwijs is te verwachten dat ze de munt verandert, wordt niet vergoed.
9.2.
Na ‘
of’volgt een tweede op zichzelf staande (hier door DNB toegepaste) uitzondering, namelijk de bewerking. Opzet wordt daarbij niet genoemd en uit de tekst ‘een bewerking hebben ondergaan’ volgt niet dat opzet of de intentie van de bezitter moet zijn gericht op het veranderen van de munt. Ook volgt daaruit niet dat er pas sprake is van een bewerking bij een actieve handeling. Het feit dat munten die door slijtage – wat eiser als een passief proces ziet – veranderd zijn wel worden vergoed, is onvoldoende om tot het oordeel te komen dat een bewerking een actieve handeling vereist. Nog los van de vraag of afvalverbranding als actieve of passieve handeling moet worden beschouwd en of het handelen van de oorspronkelijke bezitters (het in het huisvuil plaatsen van munten) relevant is, zijn er geen aanwijzingen dat de Europese of Nederlandse wetgever een tegenstelling heeft willen maken tussen actieve en passieve processen en het recht op vergoeding daarvan afhankelijk heeft willen maken.
9.3.
De rechtbank is verder van oordeel dat er geen ruimte is voor een belangenafweging. De uitzonderingen in artikel 9, zesde lid, van de Muntwet, zijn immers dwingend. Dat in de Verordening staat dat lidstaten vergoeding van beschadigde munten
kunnen weigerenbetekent niet dat daarmee een belangenafweging is voorgeschreven. De Verordening laat de lidstaten daarmee ruimte om de weigeringsgronden te gebruiken en daar verdere regels over te stellen. De Nederlandse wetgever heeft daarvoor gekozen door de dwingende weigeringsgronden in artikel 9, zesde lid, van de Muntwet op te nemen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is er sprake van rechtsonzekerheid omdat bewerking niet duidelijk is omschreven?
10. De rechtbank is van oordeel dat het niet nader omschrijven van een bewerking geen rechtsonzekerheid oplevert. Eigen aan de open formulering “
een bewerking[…]
waarvan redelijkerwijs is te verwachten dat ze de munt verandert” [5] is dat niet vooraf limitatief vaststaat welke bewerkingen daaronder vallen. De vraag of van een bewerking redelijkerwijs te verwachten is dat die de munt verandert levert echter een voldoende concrete en objectieve begrenzing op. DNB heeft in het bestreden besluit uiteengezet welke processen eisers munten hebben ondergaan en dat daarvan verwacht kan worden dat deze de munten veranderen. DNB is niet verplicht in algemene zin uit te leggen wat zij als een bewerking in de zin van artikel 9, zesde lid, van de Muntwet ziet of daar beleid over vast te stellen. De rechtbank weegt ook mee dat juist specifiek ten aanzien van munten die uit afvalverbrandingsprocessen komen wel al bekend gemaakt is dat DNB deze niet vergoedt. Dat staat op de website van DNB [6] en DNB heeft eiser hierover ook specifiek geïnformeerd in een brief op 15 maart 2021 voordat de aanvraag werd ingediend. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Verzoek tot schadevergoeding
11. Eiser heeft verzocht om een schadevergoeding van € 2.500,- vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
12. Behandeling van zaken als deze, waarin van een bezwaar- en beroepsprocedure sprake is, mag maximaal twee jaar in beslag nemen, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
12.1.
In deze zaak heeft DNB op 31 januari 2022 het bezwaar ontvangen. Dat betekent dat de redelijke termijn overschreden is met ongeveer 22 maanden. Eiser heeft daarom recht op een vergoeding van € 2.000,-.
12.2.
De behandeling van het bezwaar door DNB heeft minder dan zes maanden geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn heeft daarmee geheel plaatsgevonden in de fase bij de rechtbank. De rechtbank zal daarom de Staat der Nederlanden veroordelen tot het betalen van de genoemde schadevergoeding.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van eisers verzoek in stand blijft. Eiser krijgt niet alsnog een vergoeding voor de munten.
13.1.
Omdat het beroep ongegrond is krijgt eiser het griffierecht niet terug en krijgt hij geen vergoeding van de in verband met het beroep gemaakte proceskosten.
13.2.
Eiser krijgt een schadevergoeding voor immateriële schade ter hoogte van € 2.000,-. Gelet op de toewijzing van het verzoek om schadevergoeding, heeft eiser recht op vergoeding van de proceskosten die hij heeft gemaakt voor het indienen van dat schriftelijke verzoek. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,- te betalen door de Staat der Nederlanden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Brp). Daarbij kent de rechtbank 1 punt toe voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor 0,5 (licht).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding aan eiser van immateriële schade tot een bedrag van € 2000,-;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. van de Ven, voorzitter, mr. G. Leijten en
mr. E.P.J. Rutten, leden, in aanwezigheid van mr.M.L. Neumann, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2026 .
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 6 januari 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 1210/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2010 betreffende de echtheidscontrole van euromunten en de behandeling van euromunten die ongeschikt zijn voor circulatie.
2.Dit staat in artikel 9, eerste lid, van de Muntwet.
3.Dit staat in artikel 9, vierde lid, van de Muntwet.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 14 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1544,
5.Artikel 9, zesde lid, van de Muntwet.
6.https://www.dnb.nl/geld-omwisselen/beschadigde-eurobiljetten-en-euromunten/