Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
uitspraak van de meervoudige kamer van 6 januari 2026 in de zaak tussen
[eiser] h.o.d.n. [bedrijfsnaam] , uit [woonplaats] , eiser
De Nederlandsche Bank N.V., DNB
Samenvatting
.Eiser krijgt dus geen gelijk. DNB stelt terecht dat zich in dit geval een uitzondering voordoet op haar plicht om beschadigde munten te vergoeden. De munten hebben namelijk een bewerking ondergaan waarvan redelijkerwijs verwacht kon worden dat deze de munten verandert. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
4 mei 2021. DNB heeft deze aanvraag met het besluit van 22 december 2021 afgewezen. Eiser is daartegen in bezwaar gegaan. Met de beslissing op het bezwaar van 22 juli 2022 (het bestreden besluit) is DNB bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Beoordeling door de rechtbank
opzettelijkin artikel 9, zesde lid, van de Muntwet alleen ziet op de eerste uitzonderingsgrond die daar opgenomen is; het opzettelijk veranderen
.Dit volgt uit de tekst van het lid zelf:
of’volgt een tweede op zichzelf staande (hier door DNB toegepaste) uitzondering, namelijk de bewerking. Opzet wordt daarbij niet genoemd en uit de tekst ‘een bewerking hebben ondergaan’ volgt niet dat opzet of de intentie van de bezitter moet zijn gericht op het veranderen van de munt. Ook volgt daaruit niet dat er pas sprake is van een bewerking bij een actieve handeling. Het feit dat munten die door slijtage – wat eiser als een passief proces ziet – veranderd zijn wel worden vergoed, is onvoldoende om tot het oordeel te komen dat een bewerking een actieve handeling vereist. Nog los van de vraag of afvalverbranding als actieve of passieve handeling moet worden beschouwd en of het handelen van de oorspronkelijke bezitters (het in het huisvuil plaatsen van munten) relevant is, zijn er geen aanwijzingen dat de Europese of Nederlandse wetgever een tegenstelling heeft willen maken tussen actieve en passieve processen en het recht op vergoeding daarvan afhankelijk heeft willen maken.
kunnen weigerenbetekent niet dat daarmee een belangenafweging is voorgeschreven. De Verordening laat de lidstaten daarmee ruimte om de weigeringsgronden te gebruiken en daar verdere regels over te stellen. De Nederlandse wetgever heeft daarvoor gekozen door de dwingende weigeringsgronden in artikel 9, zesde lid, van de Muntwet op te nemen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
een bewerking[…]
waarvan redelijkerwijs is te verwachten dat ze de munt verandert” [5] is dat niet vooraf limitatief vaststaat welke bewerkingen daaronder vallen. De vraag of van een bewerking redelijkerwijs te verwachten is dat die de munt verandert levert echter een voldoende concrete en objectieve begrenzing op. DNB heeft in het bestreden besluit uiteengezet welke processen eisers munten hebben ondergaan en dat daarvan verwacht kan worden dat deze de munten veranderen. DNB is niet verplicht in algemene zin uit te leggen wat zij als een bewerking in de zin van artikel 9, zesde lid, van de Muntwet ziet of daar beleid over vast te stellen. De rechtbank weegt ook mee dat juist specifiek ten aanzien van munten die uit afvalverbrandingsprocessen komen wel al bekend gemaakt is dat DNB deze niet vergoedt. Dat staat op de website van DNB [6] en DNB heeft eiser hierover ook specifiek geïnformeerd in een brief op 15 maart 2021 voordat de aanvraag werd ingediend. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding aan eiser van immateriële schade tot een bedrag van € 2000,-;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
mr. E.P.J. Rutten, leden, in aanwezigheid van mr.M.L. Neumann, griffier.