ECLI:NL:RBLIM:2026:4606

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
C/03/342531 / HA ZA 25-252
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • De Bruijn
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:904 lid 1 BWArt. 6 EVRMArt. 17 GwArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bindend advies-clausule niet afdwingbaar wegens ontbreken vrijwillige afstand toegang rechter

Partijen zijn leden van de Wildbeheereenheid (WBE) die jachtvelden beheert. Een geschil ontstond over de splitsing van een jachtveld, waarbij gedaagden het geschil voorlegden aan de Geschillencommissie op grond van een bindend advies-clausule in de statuten.

Eiser verzette zich tegen de bevoegdheid van de Geschillencommissie en stelde dat hij niet vrijwillig afstand had gedaan van zijn recht op toegang tot de rechter. De rechtbank oordeelde dat een bindend advies-clausule alleen bindend is als de afstand van het recht op rechterlijke toegang vrijwillig en ondubbelzinnig is.

De rechtbank concludeerde dat eiser door de verplichte lidmaatschap van de WBE, noodzakelijk voor het verkrijgen van een jachtvergunning, niet vrijwillig heeft ingestemd met de geschillenregeling. Ook de latere statutenwijziging binnen de KNJV, waarnaar de WBE verwijst, leidde niet tot een nieuwe vrijwillige instemming.

Daarom is het bindend advies vernietigbaar en wordt het vonnis van de Geschillencommissie vernietigd. Gedaagden worden veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het bindend advies omdat eiser niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht op toegang tot de overheidsrechter.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/342531 / HA ZA 25-252
Vonnis van 6 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. C.F. van Helvoirt,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

wonende te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
2.
[gedaagde 2],
wonende te [plaats 3] ,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
3.
[gedaagde 3],
wonende te [plaats 1] ,
hierna te noemen [gedaagde 3] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. M.J.J.E. Stassen.

1.De procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in incident van 23 juli 2025,
- de conclusie van antwoord met de producties 1 tot en met 3,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 10 februari 2026,
- de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling namens [eiser] voorgedragen spreekaantekeningen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn allen lid van de vereniging WBE (‘Wildbeheereenheid’) [locatie]
(hierna: de WBE), die de jachtvelden van de leden beheert. De WBE is opgericht in 1978.
2.2.
In de statuten van de WBE zoals op 14 februari 2013 gewijzigd [1] is in artikel 15 voorzien Pro in een geschillenregeling, die als volgt luidt:
‘(…).GESCHILLENAFHANDELING
ARTIKEL 15
Geschillen met betrekking tot jachtaangelegenheden, dan wel aangelegenheden met
betrekking tot beheer en schadebestrijding binnen het werkgebied van de WBE tussen
1. de leden van de WBE onderling;
2. tussen leden van de WBE en het bestuur;
alsmede geschillen
3. met betrekking tot statuten, reglementen of besluiten van de WBE worden afgehandeld overeenkomstig de door de KNJV vastgestelde geschillenregeling.’
2.3.
De in artikel 15 lid 3 van Pro de statuten vermelde geschillenregeling betreft de geschillenregeling van de Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging (hierna: KNJV).
2.4.
De geschillenregeling van de KNJV is per 15 december 2022 gewijzigd. Sindsdien is in artikel 6 lid 5 van Pro de statuten van de KNJV op dat punt het volgende bepaald:
‘Geschillen (…) worden ter beslechting voorgelegd aan genoemde stichting, zulks door mediation of door het uitbrengen van een bindend advies’ [2]
Met ‘genoemde stichting’ wordt gedoeld op de Stichting Geschillenafhandeling Landelijke Jagersverenigingen (hierna: de Geschillencommissie). Voor wat betreft de te hanteren procedure wordt verwezen naar de statuten van de Geschillencommissie, zoals vastgesteld bij haar oprichting op 1 november 2018.
2.5.
Bij gelegenheid van de statutenwijziging binnen de KNJV per 15 december 2022 is in artikel 6 lid 6 van Pro de akte van statutenwijziging het volgende opgenomen:
‘Door aanvaarding van het lidmaatschap aanvaardt het lid de verplichtingen die de vereniging hem oplegt.’
2.6.
Tussen partijen is een geschil ontstaan over een jachtveld als bedoeld in onderdeel A van de bijlage bij artikel 1.1. van de Omgevingswet [3] . Het betreffende jachtveld heeft [nummer] en is vanaf 1992 bejaagd door (eerst) [gedaagde 2] en (daarna ook door) [gedaagde 1] , [eiser] en [gedaagde 3] . Het geschil betreft in ieder geval de wens van [gedaagden] om het jachtveld te splitsen, in die zin dat aan [eiser] een deel wordt toegedeeld dat bestaat uit percelen die in eigendom zijn bij de broer van [eiser] en aan [gedaagden] het andere deel. [eiser] verzet zich daartegen.
2.7.
[gedaagden] hebben met een beroep op de geschillenregeling zoals vermeld onder 2.2. het geschil over de splitsing van het jachtveld voorgelegd aan de Geschillencommissie. Daarop heeft de Geschillencommissie [eiser] benaderd en verzocht om een zogenoemd geschilformulier in te vullen. In dat formulier heeft [eiser] vermeld dat er volgens hem geen rol is weggelegd voor de Geschillencommissie, hij niet akkoord gaat met geschillenbeslechting door de Geschillencommissie en enkel bereid is om via mediation een regeling in der minne te verkennen. [4]
2.8.
De Geschillencommissie heeft [eiser] kenbaar gemaakt het geschil in behandeling te nemen. Daarop heeft [eiser] herhaald dat hij van mening is dat de Geschillencommissie niet bevoegd is kennis te nemen van het geschil. [5]
2.9.
De Geschillencommissie heeft een mondelinge behandeling gepland. [gedaagden] zijn verschenen en [eiser] niet.
2.10.
De Geschillencommissie heeft vervolgens op 28 maart 2025 [6] , voor zover thans van belang, als volgt geoordeeld:
7. Beslissing:
De Geschillencommissie oordeelt als volgt:
Op basis van hetgeen hiervoor is overwogen concludeert de geschillencommissie dat er geen sprake van een combinatie tussen [gedaagde 2] , [gedaagde 1] en [eiser] welke over en weer verplichtingen jegens elkaar schept. Enkel het feit dat [eiser] mag jagen binnen het jachtveld [nummer] betekent niet dat er sprake is van een combinatie.
[gedaagden] [7] heeft een redelijk belang hij wijzing van de situatie in veld [nummer] middels
splitsing en vastlegging van de grenzen en om die reden acht de Geschillencommissie het verzoek toewijsbaar. Daarbij neemt de Geschillencommissie in aanmerking, dat de WBE heeft aangeven dat het voorstel tot splitsing in haar ogen een voor alle partijen aanvaardbare oplossing zou kunnen zijn maar dat zij enkel toe overgaat door beide partijen om deze splitsing verzocht wordt.
3.
Gezien het ontbreken van een materieel belang bij [eiser] dient
[eiser] mee te werken aan een eensluidend bericht aan de WBE Savels bos
om een splitsing van het jachtveld [nummer] te bewerkstellingen overeenkomstig de door
[gedaagden] hiervoor voorgestelde wijze. Deze splitsing behelst overigens ook niet
meer dan een formele vastlegging van hetgeen wat feitelijk al aanwezig is, namelijk
twee gescheiden jachtvelden. Bij weigering door [eiser] binnen 14 dagen na een eerste verzoek hiertoe, wordt deze beslissing geacht in de plaats van het verzoek
van [eiser] , strekkende tot splitsing, te gelden.
Deze uitspraak dient tevens als vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 12 van Pro het,
aan partijen verstrekte. "Reglement Bindend Advies”."

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, het bindend advies primair nietig verklaart, subsidiair vernietigt c.q. vernietigd verklaart, met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
[gedaagden] voeren verweer. Zij concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , althans een eventuele toewijzing van de vorderingen niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
In de kern is het standpunt van [eiser] dat hij niet gebonden is aan de geschillenregeling op basis waarvan de Geschillencommissie haar uitspraak heeft gedaan en dat om die reden het door de Geschillencommissie uitgebrachte bindend advies nietig is of moet worden verklaard.
4.2.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat een regeling die inhoudt dat toekomstige geschillen verplicht worden beslecht door middel van bindend advies, tot gevolg heeft dat er afstand wordt gedaan van het uit artikel 6 EVRM Pro en artikel 17 Gw Pro voortvloeiende recht tot toegang tot de overheidsrechter. Dit betekent dat de betrokken partij daaraan alleen gebonden is als deze afstand vrijwillig en ondubbelzinnig gebeurt. [eiser] heeft gesteld dat daarvan geen sprake is geweest terwijl [gedaagden] zich op het standpunt stellen dat dit volgt uit de statuten van de WBE en KNJV en – voor zover nodig – het door [eiser] bij gelegenheid van het voorleggen van het geschil aanvaarden van beslechting middels bindend advies. Op de stellingen van partijen daarover zal hierna worden ingegaan.
4.3.
De rechtbank gaat ervan uit dat bij aanvang van het lidmaatschap van [eiser] van de WBE, het huidige art. 15 van Pro de statuten van de WBE [8] gold. Uit de toelichting in randnummer 2.8. van de dagvaarding, meer specifiek de laatste zin, volgt dat [eiser] dat zelf heeft gesteld en ook [gedaagden] gaan daarvan uit. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling weliswaar gesteld dat zijn lidmaatschap aanving voorafgaand aan statutenwijziging waarbij het huidige artikel 15 van Pro de statuten van de WBE is vastgesteld, maar heeft dat enkel toegelicht aan de hand van het moment van het verkrijgen van zijn jachtakte, welk feit hij ook al in de dagvaarding aanhaalde en toen (dus) niet koppelde aan het lidmaatschap van de WBE. Ook heeft [eiser] niet uitgelegd op grond waarvan kan worden aangenomen dat het verkrijgen van een jachtakte gelijk staat aan het lidmaatschap van de WBE.
4.4.
[eiser] stelt dat hij niet gebonden is aan de verwijzing naar de geschillenregeling omdat hij in de gegeven omstandigheden in feite geen andere keus had dan in te stemmen met de in de statuten van de WBE neergelegde geschillenregeling. Hij voert daartoe aan dat om onder de (voorganger van de) Omgevingswet in aanmerking te komen voor een vergunning voor het verrichten van jachtgeweeractiviteit, is voorgeschreven dat hij lid is van een WBE. Daarmee was [eiser] , zo stelt hij, in feite gedwongen om lid te worden van de WBE en de door haar gehanteerde geschillenregeling te accepteren. Daarmee is de afstand van het recht op toegang tot de overheidsrechter niet vrijwillig gebeurd, aldus [eiser] .
[gedaagden] zijn op deze stelling van [eiser] niet ingegaan. De rechtbank houdt het er daarom voor dat [eiser] inderdaad niet vrijwillig heeft gekozen voor het bindend advies als voorgeschreven geschillenbeslechting en er daarom niet is gebonden. [eiser] is om die reden dus ook niet gebonden aan de uitspraak van de Geschillencommissie voor zover gebaseerd op de ten tijde van het verwerven van de lidmaatschap van de WBE geldende geschillenregeling. Daarmee is de beslissing van de Geschillencommissie, die in weerwil van het verzet daartegen van [eiser] is genomen, vernietigbaar op grond van het bepaalde in artikel 7:904 lid 1 BW Pro.
4.5.
Nadat [eiser] lid is geworden van de WBE, is de geschillenregeling materieel gewijzigd als gevolg van een wijziging van de statuten van de KNJV op (ook) het punt van de door de KNJV gehanteerde geschillenregeling [9] waarnaar wordt verwezen in de door de WBE gehanteerde geschillenregeling. [gedaagden] beroepen zich erop dat [eiser] in ieder geval op dat moment het bindend advies heeft aanvaard of vanaf dat moment heeft te aanvaarden. Zij hebben daartoe aangevoerd dat [eiser] lid is gebleven van de WBE en KNJV en verwezen naar artikel 6 lid 6 van Pro de akte van wijziging van de statuten van de KNJV, waarin staat vermeld dat het lid door aanvaarding van het lidmaatschap de verplichtingen aanvaardt die de vereniging oplegt [10] .
De rechtbank is het met [eiser] eens dat alleen van het alsnog vrijwillig en ondubbelzinnig kiezen voor het bindend advies kan worden gesproken als [eiser] in zijn hoedanigheid van lid van de WBE daarmee akkoord is gegaan. Dat heeft niet plaatsgevonden met de hier besproken statutenwijziging omdat die wijziging van de statuten heeft plaatsgevonden binnen de KNJV. Mocht [eiser] vóór de wijziging hebben gestemd – wat bij gebreke van informatie over de stemming niet bekend is – deed hij dat als lid van de KNJV zodat ook in dat geval niet kan worden aangenomen dat [eiser] alsnog vrijwillig en ondubbelzinnig akkoord is gegaan met de vanaf 2022 binnen de WBE geldende regeling. Gesteld noch gebleken is dat er binnen de WBE enige besluitvorming heeft plaatsgevonden over de wijziging van de geschillenregeling binnen de KNJV en de gevolgen die dat zou hebben voor de geschillenregeling binnen de WBE. De omstandigheid dat – zoals [gedaagden] kennelijk aanvoeren – binnen de KNJV veel aandacht is geweest voor de wijziging van geschillenregeling, leidt niet tot een andere slotsom. Dat verandert namelijk niets aan het feit dat het daarbij ging om besluitvorming binnen de KNJV en niet binnen de WBE (en zegt bovendien niks over het stemgedrag van [eiser] ).
De conclusie is dat ook (de omstandigheden rondom) de wijziging van geschillenregeling van de WBE als gevolg van een wijziging in de statuten van de KNJV niet tot gevolg hebben gehad dat [eiser] vrijwillig en ondubbelzinnig akkoord is gegaan met het bindend advies door de Geschillencommissie.
4.6.
[gedaagden] hebben nog aangevoerd dat [eiser] zich ook of alsnog heeft geconformeerd aan het bindend advies door het geschilformulier in te vullen en te retourneren [11] . Die stelling moet worden verworpen omdat [eiser] daarbij uitdrukkelijk heeft verklaard niet akkoord te gaan met geschillenbeslechting door de Geschillencommissie en dat standpunt in de daarop volgende correspondentie consequent heeft gehandhaafd.
4.7.
De eindconclusie is dat het door [eiser] bestreden besluit van de Geschillencommissie vernietigbaar is omdat [eiser] niet gebonden is aan de in de geschillenregeling opgenomen beslechting door middel van bindend advies. De vordering van [eiser] wordt in zoverre toegewezen.
4.8.
[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,47
- griffierecht
331,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.970,47
4.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.10.
Het bezwaar van [gedaagden] tegen het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van dit vonnis, kan enkel zien op de proceskostenveroordeling. In het algemeen mag worden aangenomen dat, zolang niet van het tegendeel blijkt, degene die uitvoerbaarverklaring bij voorraad verlangt van een veroordeling tot betaling van een geldsom, het vereiste belang bij zo’n verklaring heeft. [gedaagden] hebben niet toegelicht waarom dat hier anders is. De proceskostenveroordeling zal daarom uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
vernietigt de op basis van bindend advies genomen beslissing van de Geschillencommissie van 28 maart 2025 zoals vermeld onder 2.10.,
5.2.
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van € 1.970,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [gedaagden] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. De Bruijn, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.

Voetnoten

1.Productie 5 bij dagvaarding
2.Productie 7 bij dagvaarding
3.‘voor de uitoefening van de jacht bestemd of geschikt terrein’
4.Productie 1 bij dagvaarding
5.Correspondentie overgelegd als productie 2 bij dagvaarding
6.Productie 3 bij dagvaarding
7.Waar de Geschillencommissie [gedaagden] schrijft doelt zij op de personen die in deze procedure [gedaagden] genoemd worden
8.zie 2.2.
9.zie 2.4.
10.zie 2.5.
11.zie 2.7.