ECLI:NL:RBLIM:2026:4644

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
11944356 \ CV EXPL 25-4613
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Dohmen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:213 BWArt. 6:119 BWArt. 555 RvArt. 444 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijke ontbinding en ontruiming van huurovereenkomst wegens overlast en tekortkomingen huurder

ZOwonen verhuurt sinds 2008 een woning aan [gedaagde partij]. Na eerdere overlast en een vaststellingsovereenkomst in 2024, waarin gedragsregels werden vastgelegd, zijn opnieuw klachten binnengekomen. ZOwonen startte daarom een procedure tot ontbinding en ontruiming van de huurovereenkomst.

De huurder betwist de overlast en wijst op gebreken in de woning en een verstoorde burenrelatie. Tijdens de mondelinge behandeling op 1 mei 2026 is een regeling getroffen waarbij de huurder een laatste kans krijgt onder voorwaarden, waaronder medewerking aan begeleiding, geen overlast veroorzaken, respectvol gedrag en maandelijkse woninginspecties.

De kantonrechter wijst de ontbinding en ontruiming voorwaardelijk toe, gekoppeld aan het niet naleven van de afspraken. Tevens wordt de huurder veroordeeld tot betaling van proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt voorwaardelijk ontbonden met ontruiming en proceskostenveroordeling bij niet-naleving van gedragsafspraken.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11944356 \ CV EXPL 25-4613
Vonnis van 20 mei 2026
in de zaak van
STICHTING ZOWONEN,
te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,
eisende partij,
hierna te noemen: ZOwonen,
gemachtigde: Rosmalen Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde partij],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
gemachtigde: mr. C.C.F. de Gier.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de akte aanvullende productie 3 van [gedaagde partij]
- de mondelinge behandeling van 1 mei 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
ZOwonen verhuurt met ingang van 28 augustus 2008 aan [gedaagde partij] de woning aan het adres [adres] (hierna: het gehuurde).
2.2.
ZOwonen heeft meerdere overlastmeldingen ontvangen van omwonenden. Dat is in het verleden ook het geval geweest en heeft geleid tot een procedure bij deze rechtbank met als resultaat een tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst vastgelegd in het proces-verbaal van 22 april 2024. Daarbij is overeengekomen – kort samengevat – dat [gedaagde partij] zich als goed huurder zal gedragen, medewerking zal verlenen aan een hulpverleningstraject, op geen enkele wijze overlast zal veroorzaken en zich niet jegens omwonenden beledigend, bedreigend of intimiderend zal uitlaten. Als [gedaagde partij] zich daar niet aan houdt, zo staat in de vaststellingsovereenkomst, dan is er sprake van een ernstige tekortkoming aan zijn zijde die de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt.
2.3.
Omdat er opnieuw overlastmeldingen zijn ontvangen, is ZOwonen de onderhavige procedure gestart.

3.Het geschil

3.1.
ZOwonen vordert - samengevat - ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde, zo nodig met machtiging van ZOwonen om de ontruiming zelf door middel van een deurwaarder te bewerkstelligen, alsmede een vanaf de ontbinding te betalen gebruiksvergoeding gelijk aan de maandelijkse huur tot aan de ontruiming.
3.2.
ZOwonen legt hieraan ten grondslag dat [gedaagde partij] al geruime tijd tekortschiet in zijn verplichtingen voortvloeiende uit de huurovereenkomst. Meer specifiek schiet [gedaagde partij] tekort in zijn verplichting om zich als een goed huurder te gedragen zoals bedoeld in artikel 7:213 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW). Zo veroorzaakt [gedaagde partij] (geluid)overlast, heeft hij in het gehuurde een gevaarlijke situatie gecreëerd en zich bedreigend en intimiderend uitgelaten jegens medewerkers van ZOwonen.
3.3.
[gedaagde partij] betwist dat hij (geluids)overlast veroorzaakt. Een en ander is te wijten aan de bouw en isolatie van het gehuurde. Daarnaast is tussen hem en één medebewoner sprake van een verstoorde burenrelatie. In het gehuurde zijn gebreken die hij bij ZOwonen heeft gemeld maar waar niets aan wordt gedaan. Dit heeft geleid tot het incident en het kantoorverbod bij ZOwonen. [gedaagde partij] wilde de woning verwarmen door in het gehuurde vuur te stoken. [gedaagde partij] is zich nu bewust van de risico’s en hij heeft zelf tijdig gebeld naar het noodnummer. Hij is dan ook niet tekortgeschoten in de verplichtingen die voortvloeien uit de huurovereenkomst, dan wel rechtvaardigt deze tekortkoming geen ontbinding van de huurovereenkomst.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling

4.1.
Bij de mondelinge behandeling van 1 mei 2026 zijn verschenen de heer [persoon 2] en de heer [persoon 3] , beiden namens ZOwonen, en [gedaagde partij] .
4.2.
ZOwonen heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de situatie van [gedaagde partij] vanaf het uitbrengen van de dagvaarding is verbeterd omdat sindsdien nog maar enkele klachten zijn binnengekomen. Gelet daarop heeft ZOwonen een voorstel gedaan waarbij [gedaagde partij] een laatste kans krijgt om in het gehuurde te blijven wonen.
4.3.
[gedaagde partij] heeft dit voorstel geaccepteerd.
4.4.
Na bespreking van de zaak zijn partijen met betrekking tot het in deze zaak gevorderde het volgende overeengekomen:
 [gedaagde partij] is verplicht om gedurende één jaar medewerking te verlenen aan het krijgen van begeleiding van de heer [begeleider] van Mondriaan of een andere begeleidende
instantie, waarbij hij die persoon of personen toegang tot de woning zal verschaffen.
  • [gedaagde partij] zal geen geluidsoverlast veroorzaken.
  • [gedaagde partij] zal geen bewoners of omwonenden intimideren, bedreigen of op een andere wijze onheus bejegenen.
  • [gedaagde partij] zal zich respectvol gedragen jegens medewerkers van ZOwonen.
  • [gedaagde partij] zal geen spullen dumpen in de gemeenschappelijke ruimten.
  • [gedaagde partij] zal de woning één keer per maand door ZOwonen laten inspecteren en is verplicht daaraan zijn medewerking te verlenen. Het bezoek zal minimaal één week van te voren worden aangekondigd aan [gedaagde partij] en zijn begeleider (op dit moment de heer [begeleider] van Mondriaan). Bij het eerste bezoek na 1 mei 2026 zal ook een opzichter van ZOwonen aanwezig zijn om eventuele gebreken in de woning op te nemen.
  • [gedaagde partij] zal op geen enkele wijze een gevaarlijke situatie in het gehuurde laten ontstaan. Daaronder valt in ieder geval dat er niet in de woning gestookt wordt.
  • Indien ZOwonen vijf schriftelijke meldingen ontvangt van ten minste drie verschillende melders zal het vonnis tot ontbinding en ontruiming ten uitvoer worden gelegd. Als een melding binnenkomt, zal dit worden besproken met de heer [begeleider] van Mondriaan en mevrouw [persoon 1] van [inloophuis] .
4.5.
ZOwonen vraagt de kantonrechter, gelet hierop, de gevorderde ontbinding en ontruiming voorwaardelijk uit te spreken. Eshgi verzet zich daar niet tegen.

5.De beoordeling

5.1.
De kantonrechter heeft de standpunten van partijen gehoord en oordeelt dat de niet (meer) betwiste vorderingen, met inachtneming van het hierna volgende, op de hierna onder ‘de beslissing’ vermelde wijze toewijsbaar zijn.
5.2.
ZOwonen behoeft geen machtiging van de kantonrechter om het toe te wijzen bevel tot ontruiming zo nodig af te dwingen. De in artikelen 555 en verder en 444 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de deurwaarder verleende bevoegdheden worden daartoe toereikend geacht, zodat ZOwonen bij een afzonderlijke machtiging geen belang heeft.
5.3.
Over de proceskosten hebben partijen geen afspraken gemaakt, zodat de kantonrechter daar nog over moet beslissen. [gedaagde partij] heeft de gestelde gedragingen telkens niet met zoveel woorden betwist, maar daar een andere verklaring voor gegeven. Ook met die verklaring zou de kantonrechter hebben beslist dat [gedaagde partij] zich niet als een goed huurder heeft gedragen en dat hij de woning moet verlaten. Dat is nu voorkomen, doordat partijen een regeling hebben getroffen waarbij [gedaagde partij] een laatste kans krijgt om in het gehuurde te kunnen blijven wonen. Daarom moet [gedaagde partij] de proceskosten van ZOwonen betalen, omdat de procedure terecht is gestart door ZOwonen en ZOwonen gelijk zou hebben gekregen als er geen regeling was getroffen.
5.4.
[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ZOwonen worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
135,00
- salaris gemachtigde
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
822,95
5.5.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het adres [adres] en veroordeelt [gedaagde partij] om de woning binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis met alle personen en zaken die zich van de kant van [gedaagde partij] in en om het gehuurde bevinden, te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden en onder afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van ZOwonen te stellen,
indien en zodra aan de volgende voorwaarde wordt voldaan:
- [gedaagde partij] is in gebreke met de nakoming van een of meer van de in rechtsoverweging 4.4. van dit vonnis opgenomen verplichtingen die hij op zich heeft genomen,
6.2.
veroordeelt [gedaagde partij] om te betalen aan ZOwonen,
indien en zodra aan de hierboven genoemde voorwaarde wordt voldaan,een gebruiksvergoeding gelijk aan de huurprijs voor elke ingegane maand vanaf de datum van de ontbinding tot aan het einde van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden, met de terstond bij het ingaan van de betreffende maand verschuldigd geworden wettelijke rente voor iedere maand waarover niet uiterlijk op de eerste dag de gebruiksvergoeding betaald is,
6.3.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 822,95, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro als de proceskosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.