ECLI:NL:RBLIM:2026:465

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
11681936 \ CV EXPL 25-2207
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Dohmen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst na mishandeling en beschadiging auto buurman

Woonwenz verhuurt sinds 2017 een woning aan de gedaagde partijen. In 2022 heeft de heer gedaagde partij 1 zijn buurman met een voorwerp gestoken, wat leidde tot een onherroepelijk strafvonnis met taakstraf en schadevergoeding. In december 2024 werd de auto van dezelfde buurman bekrast, waarvoor de heer gedaagde partij 1 een taakstraf kreeg opgelegd, hoewel dit vonnis nog niet onherroepelijk is.

Woonwenz vordert ontbinding van de huurovereenkomst wegens deze ernstige gedragingen, die het woonklimaat verstoren. De gedaagde partijen erkennen het steekincident maar betwisten de bekrassing en stellen dat de buurman zelf overlast veroorzaakt. De kantonrechter acht de mishandeling op zichzelf onvoldoende voor ontbinding, maar in combinatie met de bekrassing wel een ernstige tekortkoming.

De videobeelden, foto’s en het strafvonnis vormen voldoende bewijs voor de bekrassing. Het belang van Woonwenz om een veilige leefomgeving te waarborgen weegt zwaarder dan het woonbelang van de gedaagde partijen en hun kinderen. Woonwenz heeft een alternatieve woning aangeboden, waarop niet is gereageerd.

De kantonrechter ontbindt de huurovereenkomst, veroordeelt tot ontruiming binnen één maand en wijst de proceskosten toe aan Woonwenz. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard vanwege het belang van de buurman bij een veilige woonomgeving.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en de huurders worden veroordeeld tot ontruiming binnen één maand.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11681936 \ CV EXPL 25-2207
Vonnis van 21 januari 2026
in de zaak van
STICHTING WOONWENZ,
gevestigd te Venlo,
eisende partij,
hierna te noemen: Woonwenz,
gemachtigde: mr. J.G. van Heertum,
tegen

1.[gedaagde partij 1] ,

wonende te [plaats] ,
2.
[gedaagde partij 2],
wonende te [plaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde partijen] ,
gemachtigde: mr. S.L.T.A. Scheepers.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 15 producties
- de conclusie van antwoord met 4 producties
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de op 19 september 2025 namens [gedaagde partijen] ingediende productie 5
- de op 4 november 2025 namens [gedaagde partijen] ingediende producties 6 en 7
- de op 6 november 2025 namens Woonwenz ingediende producties 16 en 17
- de op 7 november 2025 namens [gedaagde partijen] ingediende productie 8
- de op 12 december 2025 namens [gedaagde partijen] ingediende productie 9.
1.2.
De mondelinge behandeling stond gepland op 20 november 2025.
Wegens verhindering van de gemachtigde van [gedaagde partijen] is de mondelinge behandeling, met instemming van beide partijen, verplaatst naar 15 december 2025.
1.3.
Op 15 december 2025 zijn verschenen:
-Woonwenz vertegenwoordigd door de heer [persoon] ,
bijgestaan door mr. Van Heertum,
- [gedaagde partijen] in persoon, bijgestaan door mr. Scheepers en door de heer [tolk] , tolk in de Turkse taal.
1.4.
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft mr. Scheepers spreekaantekeningen overgelegd.
1.5.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Woonwenz verhuurt met ingang van 27 maart 2017 aan [gedaagde partijen] de woning aan het adres [adres 1] in [plaats] (hierna: het gehuurde).
2.2.
De huurprijs bedroeg op 17 april 2025 (toen de dagvaarding werd betekend) € 735,55 per maand. Op de huurovereenkomst zijn de algemene voorwaarden van Woonwenz van toepassing.

3.Het geschil

3.1.
Woonwenz vordert - samengevat - ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling van [gedaagde partijen] tot ontruiming van het gehuurde.
3.2.
Woonwenz legt aan haar vordering - kort gezegd - het volgende ten grondslag.
[gedaagde partijen] zijn in hun verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door zich tot tweemaal toe op ontoelaatbare wijze te gedragen ten opzichte van een direct omwonende.
In 2022 heeft de heer [gedaagde partij 1] zijn buurman van [adres 2] - de heer [buurman] – gestoken met een voorwerp. Woonwenz heeft [gedaagde partijen] vervolgens gewaarschuwd voor de consequenties van dit gedrag en hun een laatste kans gegeven. Op 14 december 2024 heeft de heer [gedaagde partij 1] de auto van de heer [buurman] bekrast. De heer [gedaagde partij 1] kan zich ondanks de eerdere waarschuwing niet gedragen, en deze herhaalde tekortkoming rechtvaardigt volgens Woonwenz de ontbinding van de huurovereenkomst met [gedaagde partijen] en de ontruiming van het gehuurde.
3.3.
[gedaagde partijen] voeren verweer. [gedaagde partijen] erkennen dat in 2022 een steekincident heeft plaatsgevonden. Zij betwisten echter dat de heer [gedaagde partij 1] de auto van [buurman] op 14 december 2024 heeft bekrast. Zij betwisten ook dat zij overlast zouden veroorzaken in de buurt. Het is juist de heer [buurman] die structureel overlast blijft veroorzaken richting [gedaagde partijen] Zij hebben een groot belang bij het behoud van hun woning. Hun twee inwonende kinderen van 18 en 19 jaar en mevrouw [gedaagde partij 1] hebben niets met de kwestie te maken, en het is onwenselijk dat zij de dupe zouden worden van een ontbinding met bijbehorende ontruiming. [gedaagde partijen] beschikken niet over een alternatief onderkomen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter ziet zich voor de vraag gesteld of er sprake is van een tekortkoming aan de zijde van [gedaagde partijen] die ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt.
4.2.
Het uitgangspunt is dat [gedaagde partijen] zich als goed huurder moeten gedragen. Dit betekent dat [gedaagde partijen] zich moeten houden aan hun verplichtingen uit de huurovereenkomst, de algemene voorwaarden en de wet. Indien [gedaagde partijen] deze verplichtingen niet nakomen (een tekortkoming), kan dit reden zijn om de huurovereenkomst te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. [1]
4.3.
De kantonrechter stelt vast dat de mishandeling in 2022 door de heer [gedaagde partij 1] van buurtbewoner [buurman] , waarbij [gedaagde partij 1] [buurman] in het been heeft gestoken, heeft geleid tot een onherroepelijk strafvonnis. Aan [gedaagde partij 1] is een taakstraf opgelegd en hij is veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan [buurman] . Dit onherroepelijke strafvonnis levert dwingend bewijs op van de door Woonwenz gestelde mishandeling. Woonwenz heeft aangevoerd destijds geen ontbindingsprocedure te zijn gestart omdat er een succesvolle buurtbemiddeling heeft plaatsgevonden tussen de heren [buurman] en [gedaagde partij 1] , en beiden afspraken met elkaar hebben gemaakt.
De kantonrechter is van oordeel dat deze mishandeling, gelet op het tijdsverloop, onvoldoende is om de huurovereenkomst nu alsnog enkel om die reden te ontbinden. De mishandeling kan wel meewegen bij de vraag of een eventuele andere tekortkoming de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt.
4.4.
Woonwenz legt aan haar vordering tot ontbinding ook het bekrassen van de auto van [buurman] door [gedaagde partij 1] ten grondslag. Dit zou op 14 december 2024 hebben plaatsgevonden. Naar het oordeel van de kantonrechter is ook dit feit op zichzelf onvoldoende om een ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen. Echter, indien deze bekrassing vast zou komen te staan, zou de kantonrechter deze gedraging van [gedaagde partij 1] , in samenhang met de eerdere mishandeling uit 2022, wel kwalificeren als slecht huurderschap. Beide misdragingen van de heer [gedaagde partij 1] hebben betrekking op een omwonende uit de directe leefomgeving, en houden naar het oordeel van de kantonrechter daarom verband met de huurovereenkomst.
Aan [gedaagde partij 1] is inmiddels bij strafvonnis van 20 augustus 2025 een taakstraf opgelegd voor het beschadigen van de auto van [buurman] , waarbij hij ook is veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan [buurman] . Dit strafvonnis is (nog) niet onherroepelijk - [gedaagde partij 1] heeft hiertegen hoger beroep ingesteld - maar kan wel als bewijs van de door Woonwenz gestelde bekrassing dienen. Het vonnis heeft weliswaar geen
dwingendebewijskracht, maar heeft wel
vrijebewijskracht.
4.5.
Ter onderbouwing van haar stelling dat de heer [gedaagde partij 1] de auto van [buurman] heeft bekrast, heeft Woonwenz een video in het geding gebracht waaruit dit volgens haar blijkt.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter aan de heer [gedaagde partij 1] gevraagd wat er op de video te zien is. [gedaagde partij 1] verklaarde dat hij in zijn linkerhand een mobiele telefoon vast had en in zijn rechterhand een sleutel. [gedaagde partij 1] verklaarde ook dat hij zijn autosleutel in zijn rechterzak had gestopt. Op de video is naar het oordeel van de kantonrechter echter te zien dat [gedaagde partij 1] , als hij uit zijn auto is gestapt, iets van hand wisselt, van links naar rechts. En vlak voordat hij bij de auto van [buurman] aankomt, weer van rechts naar links. Direct daarna is [gedaagde partij 1] te zien bij de wielkast linksvoor van de auto van [buurman] . Exact op dat moment is er op de video een geluid te horen. Vervolgens lijkt het erop dat [gedaagde partij 1] , nadat hij langs de auto is gelopen, het voorwerp van zijn linkerhand in zijn linkerzak stopt. De verklaring van de heer [gedaagde partij 1] dat hij in beide handen gelijktijdig iets vasthield, klopt in ieder geval niet, gelet op de videobeelden. Evenmin wordt zijn verklaring dat hij de sleutels in zijn rechter zak stopte ondersteunt door de video. Daarop is immers hooguit te zien dat hij iets in zijn linker zak stopt (de kant van de auto van [buurman] ). Op de foto’s van de auto uit het strafdossier - overgelegd door [gedaagde partijen] als productie 9 - is een kras te zien op de plek waar [gedaagde partij 1] langsloopt juist op het moment dat er op de video een geluid te horen is. De video, de foto’s en het strafvonnis van 25 augustus 2025 vormen daarom naar het oordeel van de kantonrechter voldoende bewijs dat de heer [gedaagde partij 1] de kras heeft gemaakt. Op de door [gedaagde partijen] ingebrachte geluidsopnamen is niet hetzelfde geluid te horen als op de video, en deze geluiden zijn dus niet vergelijkbaar. De mishandeling van [buurman] in 2022 in samenhang met de beschadiging van de auto in 2024 vormt naar het oordeel van de kantonrechter een dusdanige tekortkoming van [gedaagde partijen] dat deze in beginsel de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt.
4.6.
Het verweer van [gedaagde partijen] dat de ontbinding van de huurovereenkomst, ondanks die tekortkoming, niet is gerechtvaardigd, slaagt niet. Uiteraard is het treurig als mensen hun woning moeten verlaten waarin ze lang gewoond hebben, maar in dit geval zijn de gedragingen van [gedaagde partij 1] zodanig ernstig, namelijk het insteken op een buurtbewoner gevolgd door het voortzetten van het intimiderende gedrag richting die buurtbewoner door het bekrassen van diens auto, dat het belang van Woonwenz bij ontbinding van de huurovereenkomst om op die manier omwonenden te beschermen, prevaleert boven het woonbelang van [gedaagde partijen] De gedragingen van [gedaagde partij 1] zijn onherstelbaar. Woonwenz heeft [gedaagde partijen] bovendien een andere woning aangeboden, op welk aanbod zij in het geheel niet hebben gereageerd. [gedaagde partijen] hadden daarmee zelf de situatie kunnen voorkomen dat zij en hun kinderen op straat zouden komen te staan.
4.7.
De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst zal op grond van het voorgaande worden toegewezen. [gedaagde partijen] zullen worden veroordeeld het gehuurde te ontruimen op een termijn van één maand na betekening van het vonnis. De kantonrechter is van oordeel dat dit een redelijke termijn is om aan de veroordeling te voldoen.
De kantonrechter gaat er daarbij vanuit dat [gedaagde partij 1] , nu hij reeds tweemaal door de strafrechter is veroordeeld, en er een wat langere periode is verstreken tussen de mishandeling en de bekrassing, in de relatief korte periode tot de ontruiming niet weer de fout in zal gaan.
4.8.
[gedaagde partijen] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Woonwenz worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,43
- griffierecht
135,00
- salaris gemachtigde
408,00
(2 punten × € 204,00)
- nakosten
102,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
791,43
4.9.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
4.10.
[gedaagde partijen] hebben verzocht om het vonnis
nietuitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De kantonrechter dient daarom te beoordelen of er sprake is van omstandigheden die meebrengen dat het belang van [gedaagde partijen] bij het kunnen blijven wonen in het gehuurde, totdat er in een eventueel hoger beroep uitspraak is gedaan, zwaarder weegt dan het belang van Woonwenz om op korte termijn tot tenuitvoerlegging van het vonnis over te gaan. De kantonrechter overweegt dat in dit geval niet alleen het belang van Woonwenz als verhuurder in het geding is, maar ook het belang van een omwonende, de heer [buurman] . Gelet op de ernst van het geheel, zoals hiervoor reeds gezegd, acht de kantonrechter het belang van de heer [buurman] om ongestoord en veilig te kunnen wonen, groter dan het belang van [gedaagde partijen] om in het gehuurde te kunnen blijven in afwachting van een uitspraak in een eventuele procedure in hoger beroep. Woonwenz heeft als sociale verhuurder de verplichting om het belang van een rustige leefomgeving te waarborgen. Het vonnis zal daarom uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het adres [adres 1] in [plaats] ,
5.2.
veroordeelt [gedaagde partijen] om binnen één maand na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Woonwenz zijn, en de sleutels af te geven aan Woonwenz,
5.3.
veroordeelt [gedaagde partijen] hoofdelijk in de proceskosten van € 791,43, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partijen] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.

Voetnoten

1.Artikel 6:265 BW Pro.