ECLI:NL:RBLIM:2026:4682

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
12068355 \ CV EXPL 26-172
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Lafghani
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst bedrijfspand wegens huurachterstand en ontruiming

De verhuurder verhuurt sinds 7 december 2024 een bedrijfspand aan de huurder. De huurprijs bedraagt €430 per maand, vooruitbetaald. De verhuurder vordert ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van het pand, betaling van een huurachterstand van €3.010, energiekosten van €301,90, incassokosten van €474,07 en een maandelijkse gebruiksvergoeding vanaf februari 2026.

De huurder betwist niet de huurachterstand, maar stelt dat de huurovereenkomst door opzegging zou zijn geëindigd, wat niet is onderbouwd. De kantonrechter oordeelt dat de huurovereenkomst blijft voortduren en dat de huurachterstand een tekortkoming is die ontbinding rechtvaardigt. De huurder wordt veroordeeld tot ontruiming binnen veertien dagen na betekening van het vonnis.

De vorderingen tot betaling van huurachterstand, energiekosten, incassokosten en gebruiksvergoeding worden toegewezen. De huurder wordt veroordeeld in de proceskosten van €1.138,02. De wettelijke handelsrente wordt toegewezen over de huurachterstand vanaf dagvaarding, maar niet over energiekosten en incassokosten wegens onvoldoende stellingname.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en de huurder veroordeeld tot ontruiming en betaling van achterstallige huur, energiekosten, incassokosten en gebruiksvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12068355 \ CV EXPL 26-172
Vonnis van 27 mei 2026
in de zaak van
[verhuurder],
wonende te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [verhuurder] ,
gemachtigde: AGIN Otten,
tegen
[huurder],
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [huurder] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de conclusie van antwoord,
- de conclusie van repliek,
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[verhuurder] verhuurt met ingang van 7 december 2024 aan [huurder] een bedrijfspand staande en gelegen aan de [adres] (hierna: het gehuurde). Op deze huurovereenkomst zijn de “Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Kantoorruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW” van toepassing. De huurprijs bedraagt € 430,00 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd.

3.Het geschil

3.1.
[verhuurder] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, samengevat, ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling van [huurder] ontruiming van het gehuurde en tot betaling van € 3.010,00 aan huurachterstand, betaling van € 301,90 aan achterstand in de betaling van de energiekosten en € 474,07 aan buitengerechtelijke incassokosten, een en ander vermeerderd met rente. Daarnaast vordert hij dat [huurder] wordt veroordeeld tot betaling van € 430,00 per maand aan huur dan wel gebruiksvergoeding voor iedere maand die vanaf 31 januari 2026 tot het tijdstip van ontruiming is ingegaan. Verder vordert [verhuurder] dat [huurder] wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure.
3.2.
[huurder] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.

4.De beoordeling

Ontbinding en ontruiming.
4.1.
[verhuurder] vordert dat de huurovereenkomst wordt ontbonden en dat [huurder] wordt veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde. Hieraan legt hij ten grondslag dat [huurder] tekort is geschoten in de nakoming van de op grond van de huurovereenkomst op hem rustende verbintenis om de huur te betalen.
4.2.
Bij de beoordeling neemt de kantonrechter het volgende tot uitgangspunt. Artikel 6:265 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van de op hem op grond van een overeenkomst rustende verbintenissen, aan de wederpartij de bevoegdheid geeft de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.
4.3.
Het voorgaande, dat wil zeggen de hoofdregel en de tenzij-bepaling, brengt samen de materiële rechtsregel tot uitdrukking dat slechts een tekortkoming van voldoende gewicht recht geeft op (gehele of gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst. Ten aanzien van de stelplicht en bewijslast brengen de hoofdregel en tenzij-bepaling in de systematiek van het BW in beginsel mee dat de schuldeiser, hier [verhuurder] , moet stellen en zo nodig moet bewijzen dat sprake is van een tekortkoming aan de zijde van de schuldenaar, [huurder] . Het is aan [huurder] om de omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen die zien op toepassing van de tenzij-bepaling.
4.4.
[huurder] lijkt te betogen dat de huurovereenkomst al, zo begrijpt de kantonrechter, voor het ontstaan van de gestelde huurachterstand door middel van opzegging was geëindigd, zodat geen verplichting meer bestond om huur te betalen, maar dit betoog slaagt niet. In het licht van de betwisting daarvan door [verhuurder] , heeft [huurder] namelijk in het geheel niet onderbouwd dat hij de huurovereenkomst heeft opgezegd op de manier zoals in de huurovereenkomst is overeengekomen. Dit lag wel op zijn weg, aangezien hij zich op het rechtsgevolg van deze stelling beroept. Aangezien niet vast is komen te staan dat de huurovereenkomst op enig moment door opzegging is geëindigd, is deze blijven voortduren en is de verplichting om de huur te betalen blijven bestaan.
4.5.
[huurder] betwist de gestelde huurachterstand van € 3.010,00 verder niet. Voor zover hij dat wel heeft willen doen met de stelling dat hij de huur “altijd netjes heeft betaald” geldt dat hij die stelling, hoewel dat op zijn weg lag, in het geheel niet heeft onderbouwd. De kantonrechter gaat daarom ervan uit dat er inderdaad een huurachterstand is van € 3.010,00. Een huurachterstand van zeven maanden is een tekortkoming die ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Een beroep op de tenzij-bepaling heeft [huurder] niet gedaan. Uit de door hem ingenomen standpunten volgt dat hij zijn bedrijf al langer niet meer in het gehuurde wilde exploiteren.
4.6.
De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst zal daarom worden toegewezen. [huurder] zal daarnaast worden veroordeeld het gehuurde te ontruimen. [huurder] heeft de stelling dat het gehuurde nog niet volledig is ontruimd, niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist. Bovendien heeft [huurder] erkend dat de sleutels van het gehuurde nog niet zijn ingeleverd. De ontruimingstermijn wordt gesteld op veertien dagen na betekening van het vonnis. De kantonrechter is van oordeel dat dit een redelijke termijn is om aan de veroordeling te voldoen.
Huurachterstand en energiekosten
4.7.
[verhuurder] vordert dat [huurder] wordt veroordeeld tot betaling van de huurachterstand van in totaal € 3.010,00. Aangezien het bestaan van deze achterstand hiervoor is komen vast te staan, ligt deze vordering voor toewijzing gereed. [huurder] betoogt weliswaar nog dat [verhuurder] heeft nagelaten om tijdig contact op te nemen waardoor de achterstand is opgelopen, maar dit leidt niet tot een ander oordeel. De verplichting om de huur te betalen vloeit voort uit de huurovereenkomst. Als het al zo zou zijn dat [verhuurder] geen kennisgeving of herinnering heeft gestuurd, dan kan dat niet ertoe leiden dat [huurder] de huurpenningen niet hoeft te betalen. Ook bestaat hierin geen grond voor kwijtschelding van (een deel van) het te betalen bedrag. Dit geldt overigens ook voor de andere te betalen bedragen.
4.8.
Naast de huurachterstand is volgens [verhuurder] een achterstand ontstaan in de betaling van de energiekosten die € 301,90 bedraagt. [verhuurder] vordert dat [huurder] ook tot betaling hiervan wordt veroordeeld. [huurder] heeft het bestaan van deze achterstand onvoldoende gemotiveerd betwist. De enkele stelling van [huurder] dat de hoogte van de energiekosten vragen oproept, is daarvoor onvoldoende. Dat brengt mee dat ook deze vordering zal worden toegewezen.
4.9.
De conclusie uit het voorgaande is dat berekend tot en met januari 2026 sprake is van een huurachterstand, alsmede de achterstand in de betaling van de energiekosten van in totaal € 3.311,90. Dit gedeelte van de vordering zal worden toegewezen.
Huur / gebruiksvergoeding vanaf februari 2026
4.10.
[verhuurder] vordert ook dat [huurder] wordt veroordeeld tot betaling € 430,00 per maand aan huur dan wel (vanaf de ontbinding van de huurovereenkomst) gebruiksvergoeding vanaf de maand februari 2026 tot het moment dat [huurder] het gehuurde ontruimt. [huurder] heeft hiertegen geen afzonderlijk verweer gevoerd. Deze vordering zal daarom eveneens worden toegewezen, met dien verstande dat dit bedrag moet worden betaald tot het moment van ontruiming. In het petitum van de dagvaarding is weliswaar een zinsnede opgenomen die ertoe lijkt te strekken dat [huurder] moet worden veroordeeld tot betaling van het volledige bedrag van € 430,00 als de ontruiming niet tegen het einde van de maand plaatsvindt, maar daarover is niets gesteld. Dit onderdeel van de vordering is daarom niet toewijsbaar.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.11.
[verhuurder] vordert verder dat [huurder] wordt veroordeeld tot vergoeding van de volgens hem gemaakte buitengerechtelijke incassokosten van € 474,07 inclusief btw. [huurder] heeft hiertegen geen verweer gevoerd.
4.12.
De vordering moet worden beoordeeld aan de hand van het bepaalde in artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [verhuurder] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [verhuurder] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Aangezien het gevorderde bedrag het in het Besluit bepaalde tarief niet overschrijdt en [huurder] niet heeft betwist dat [verhuurder] de ter zake de incassokosten bij hem in rekening gebrachte omzetbelasting niet kan verrekenen, zal het gevorderde bedrag van € 474,07 worden toegewezen.
Rente
4.13.
[verhuurder] vordert ten slotte dat [huurder] wordt veroordeeld tot betaling van de wettelijke handelsrente over de te betalen bedragen, waaronder ook de incassokosten, en wel vanaf de dag van dagvaarding. [verhuurder] heeft onweersproken gesteld dat [huurder] in verzuim verkeert wat betreft de betaling van de huurpenningen. In zoverre ligt deze vordering dan ook voor toewijzing gereed. [verhuurder] heeft echter niet gesteld dat [huurder] in verzuim verkeert wat betreft de betaling van de energiekosten en de incassokosten. Op dit punt heeft hij dan ook niet aan zijn stelplicht voldaan, zodat de vordering in zoverre wordt afgewezen.
Betalingsregeling
4.14.
Voor zover het betoog van [huurder] zo moet worden begrepen dat hij om vaststelling van een betalingsregeling verzoekt, geldt dat hij daarover contact moet opnemen met de gemachtigde van [verhuurder] , deurwaarder Agin Otten. De kantonrechter heeft niet de bevoegdheid om te beslissen dat [huurder] de verschuldigde bedragen in termijnen moet kunnen betalen.
Proceskosten
4.15.
[huurder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verhuurder] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
153,02
- griffierecht
265,00
- salaris gemachtigde
576,00
(2 punten × € 288,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.138,02

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde bedrijfspand aan het [adres] ,
5.2.
veroordeelt [huurder] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te verlaten en te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [verhuurder] zijn, en het gehuurde onder afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van [verhuurder] te stellen,
5.3.
veroordeelt [huurder] om te betalen aan [verhuurder] :
- € 3.311,90 aan achterstand in de betaling van de huurpenningen en de energiekosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over een bedrag van € 3.010,00, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
- € 430,00 per maand aan huur dan wel gebruiksvergoeding vanaf februari 2026 tot het tijdstip van ontruiming,
- € 474,07 aan buitengerechtelijke kosten,
5.4.
veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 1.138,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Lafghani en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.