ECLI:NL:RBLIM:2026:476

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
11684546 \ CV EXPL 25-2216
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Dohmen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:92 BWArt. 7:95 BWArt. 133 lid 4 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding leaseovereenkomsten wegens wanbetaling en veroordeling tot betaling resterende leasetermijnen

Hiltermann Lease B.V. heeft leaseovereenkomsten gesloten met een vennootschap onder firma voor twee voertuigen, een Renault Master en een Peugeot 5008. Door achterstanden in betaling heeft Hiltermann de overeenkomsten ontbonden en vordert zij betaling van de resterende leasetermijnen, afgifte van de voertuigen en veroordeling in kosten.

De gedaagde partij voerde onder meer aan dat de overeenkomsten ongeldig waren wegens onbevoegdheid van de ondertekenaars en dat de ontbinding onterecht was vanwege geringe betalingsachterstand en herstelbetalingen. De kantonrechter oordeelde dat de overeenkomsten geldig waren, de achterstand substantieel was en de ontbinding gerechtvaardigd.

De rechtbank veroordeelde de gedaagde tot afgifte van de voertuigen binnen 72 uur, onder verbeurte van een dwangsom, en tot betaling van € 37.301,48 plus rente en incassokosten, met verrekening van de verkoopopbrengst van de voertuigen. Tevens werden kosten voor inname en aangifte toegewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank ontbindt de leaseovereenkomsten wegens wanbetaling en veroordeelt de gedaagde tot afgifte van de voertuigen en betaling van de resterende leasetermijnen met rente en kosten.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11684546 \ CV EXPL 25-2216
Vonnis van 21 januari 2026
in de zaak van
HILTERMANN LEASE B.V.,
te Hoofddorp,
eisende partij,
hierna te noemen: Hiltermann,
gemachtigde: Janssen & Janssen c.s. Gerechtsdeurwaarders Eindhoven,
tegen

1.VENNOOTSCHAP ONDER FIRMA [gedaagde partij 1] ,

te [plaats 1] ,
2.
[gedaagde partij 2] , VENNOOT VAN VOORGENOEMDE V.O.F.,
te [plaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde partijen] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties
- de conclusie van antwoord met producties
- de brief van 8 augustus 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 27 november 2025 waarop namens [gedaagde partijen] alleen de gemachtigde is verschenen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
1.3.
Daarna is het bericht ontvangen van mr. Rahnama’i dat hij niet langer de gemachtigde is van [gedaagde partijen] .

2.De feiten

2.1.
Op 20 februari 2023 heeft Hiltermann een huurkoopovereenkomst (financial lease) gesloten met [gedaagde partijen] , vertegenwoordigd door [persoon 1] , terzake een Renault Master met het kenteken [kenteken 1] . De looptijd van deze overeenkomst (met [nummer 1] ) is 60 maanden met een maandelijkse leasetermijn van € 315,80. De totale leaseprijs bedraagt € 18.948,00 inclusief de leasevergoeding van € 4.748,00.
2.2.
Op diezelfde dag heeft [gedaagde partijen] , vertegenwoordigd door [persoon 2] daarnaast nog een huurkoopovereenkomst (financial lease) gesloten voor de Peugeot 5008 met het kenteken [kenteken 2] . De looptijd van deze overeenkomst (met [nummer 2] ) bedraagt 72 maanden met een maandelijkse leasetermijn van € 396,91. De totale leaseprijs bedraagt
€ 28.577,52, inclusief de leasevergoeding van € 7.997,14.
2.3.
Op de lease-overeenkomsten zijn algemene voorwaarden van toepassing.
2.4.
Ondanks sommaties en aanmaningen heeft [gedaagde partijen] een achterstand in de betaling van de leasetermijnen laten ontstaan.
2.5.
Hiltermann heeft de zaak ter incasso uit handen gegeven aan de deurwaarder die [gedaagde partijen] diverse malen heeft gesommeerd tot betaling danwel tot teruggave van de auto’s over te gaan. Bij brief van 13 februari 2025 heeft deze gemachtigde een aankondiging ontbinding overeenkomst gedaan van de “
overeenkomst met [nummer 1] betreffende de huur(koop)/lease van het voertuig/object Peugeot 5008 [kenteken 2] / Renault Master
[kenteken 1]”.
2.6.
Bij deurwaardersexploit van 14 maart 2025 heeft Hiltemann de

overeenkomst met [nummer 1] betreffende de huur(koop)/lease van het voertuig/object Peugeot 5008 [kenteken 2] / Renault Master [kenteken 1]” direct ontbonden [1] .

3.Het geschil

3.1.
Hiltermann vordert - samengevat -
voor recht te verklaren dat de huurkoopovereenkomsten met betrekking tot de Peugeot 5008 [kenteken 2] /Renault Master [kenteken 1] zijn ontbonden dan wel waar nodig, deze te ontbinden per de datum van dit vonnis,
[gedaagde partijen] te veroordelen tot afgifte van het object Peugeot 5008 [kenteken 2] / Renault Master [kenteken 1] aan Hiltermann of een door haar aan te wijzen derde, binnen 72 uur na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 1.600,00 per dag dat hij/zij met afgifte in gebreke blijft, met een maximum van € 100.000,00 althans een ander bedrag,
[gedaagde partijen] te veroordelen om aan Hiltemann € 37.737,78 te betalen, te vermeerderen met de contractuele rente van 18% per jaar, subsidiair de wettelijke handelsrente, meer subsidiair de wettelijke rente over € 36.280,80, gerekend vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat indien het object wordt ingeleverd en vervolgens wordt verkocht door Hiltermann, de verkoopopbrengst in mindering strekt op de openstaande vordering,
[gedaagde partijen] te veroordelen in de kosten van deze procedure,
[gedaagde partijen] te veroordelen om aan Hiltermann te betalen € 859,10 indien Hiltermann tot inname van het object moet overgaan,
[gedaagde partijen] te veroordelen om aan Hiltermann te betalen het bedrag van € 211,75 indien Hiltermann tot aangifte bij de politie moet overgaan.
3.2.
[gedaagde partijen] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Hiltermann, met veroordeling van Hiltermann in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

processueel
4.1.
Allereerst merkt de kantonrechter op dat tijdens de mondelinge behandeling (voor het eerst) door [gedaagde partijen] naar voren is gebracht dat de lease-overeenkomsten niet geldig zijn omdat deze niet zijn ondertekend door beide vennoten samen. Uit de vennootschapsovereenkomst en het uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel ten tijde van de ondertekening, zou blijken dat de vennoten niet onbeperkt bevoegd zijn.
De kantonrechter heeft vervolgens de zaak naar de rol van 10 december 2025 verwezen voor overlegging van deze stukken, maar toen is niets van [gedaagde partijen] en of zijn gemachtigde ontvangen. De kantonrechter heeft daarna aan [gedaagde partijen] bericht dat haar recht om de proceshandeling te verrichten, is vervallen gelet op artikel 133 lid 4 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). De zaak is daarna op vonnis gesteld. [gedaagde partijen] heeft daarna nog zelf gevraagd stukken in het geding te mogen brengen. Omdat Hiltermann daartegen bezwaar had, heeft de kantonrechter conform het procesreglement, niet meer toegestaan dat die stukken werden ingediend en deze ook niet in zijn beoordeling meegenomen. Daarbij weeg ook mee dat het verweer terzake de geldigheid van de overeenkomsten pas op de mondelinge behandeling naar voren is gebracht terwijl dit eerder had gekund.
geldige overeenkomsten
4.2.
De kantonrechter overweegt als volgt. Ter mondelinge behandeling heeft [gedaagde partijen] als meest verstrekkend verweer betoogd dat ten tijde van het aangaan van de leaseovereenkomsten de bevoegdheden van de vennoten tot het sluiten van overeenkomsten anders lagen dan nadien. Bij het aangaan van de overeenkomsten (februari 2023) konden alleen beide vennoten samen dergelijke overeenkomsten geldig sluiten en zijn de overeenkomsten slechts voorzien van één handtekening. Nu de overeenkomsten niet voorzien zijn van twee handtekeningen, zijn zij ongeldig.
Hiltermann heeft tijdens de mondelinge behandeling dat betwist en aangegeven dat ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten uit het uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel dat toen was overgelegd, bleek dat beide vennoten onbeperkt bevoegd waren en er dus wel sprake is van geldige overeenkomsten.
[gedaagde partijen] is na de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld het uittreksel waaruit de beperkte bevoegdheid zou moeten blijken en overige stukken, nog als productie in te dienen. Daarvan is geen gebruik gemaakt, zodat de kantonrechter uitgaat van het uittreksel dat al in het geding was gebracht en dateert van 11 maart 2025 [2] . Daaruit blijkt dat iedere vennoot onbeperkt, dus volledig bevoegd is om namens de vennootschap onder firma alle overeenkomsten aan te gaan. Met andere woorden: de overeenkomsten zijn geldig gesloten.
ongedaanmaking van ontbinding
4.3.
[gedaagde partijen] heeft verder betoogd dat zij na de ontbinding op 14 maart 2025 nog betalingen heeft gedaan op 21 maart 2025 en 6 april 2025. Daardoor wordt de wanprestatie opgeheven. Zij doet daarmee een beroep op artikel 7:95 BW Pro dat bepaalt dat een ontbinding ongedaan gemaakt kan worden indien alsnog aan de verplichtingen wordt voldaan. Dat is naar het oordeel van de kantonrechter in beginsel juist, maar daarna heeft [gedaagde partijen] , op een enkele betaling in mei 2025 (van € 369,91) na, geen andere betalingen meer gedaan. Omdat de lopende termijnen daarmee niet zijn betaald, is er opnieuw niet voldaan aan de verplichtingen uit de overeenkomsten. Omdat Hiltermann in artikel 43 van Pro haar algemene voorwaarden heeft vastgelegd dat ontbinding altijd mogelijk is bij niet betaling, én zij deze ‘nieuwe’ wanprestatie ook aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd, is ontbinding wel mogelijk en dient dit verweer van [gedaagde partijen] te worden gepasseerd.
ontbinding niet gerechtvaardigd vanwege geringe tekortkoming
4.4.
[gedaagde partijen] stelt dat er ten tijde van de ontbinding in maart 2025 sprake was van een zodanige geringe achterstand (van één maand, namelijk februari 2025) dat de ontbinding van de overeenkomst disproportioneel en niet gerechtvaardigd is. Ook dat verweer verwerpt de kantonrechter. Uit de overgelegde aanmaningen van de gemachtigde d.d. 15 januari 2025 blijkt van een achterstand van € 1.822,33. De aankondiging ‘ontbinding overeenkomst’ van 13 februari 2025 vermeldt een achterstand van € 2.535,04 [3] . Gelet op de te betalen maandbedragen van in totaal € 712,71 (€ 396,91 en € 315,80) is er sprake van een achterstand van ruim drie maanden. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat geen geringe achterstand, en dient daarom ook dit verweer te worden gepasseerd.
ontbinding in strijd met redelijkheid en billijkheid
4.5.
Bij [gedaagde partijen] was er sprake van een tijdelijke liquiditeitskrapte door een uitblijvende teruggave van een borgsom, was er een aantoonbare betalingsbereidheid en zijn er substantiële betalingen gedaan, ook na de ontbinding. Hiltermann is niet ingegaan op betalingsvoorstellen van [gedaagde partijen] en pogingen die gericht waren op het herstel van de samenwerking. Door het niet rekening houden met deze omstandigheden handelt Hiltermann volgens [gedaagde partijen] in strijd met de redelijkheid en billijkheid, waardoor ontbinding van de overeenkomst niet aan de orde kan zijn.
4.6.
Ook dat verweer passeert de kantonrechter. Ter mondelinge behandeling heeft Hiltermann onbetwist gesteld dat zij al twee betalingsregelingen met [gedaagde partijen] heeft getroffen, die niet zijn nagekomen. Ook na het uitbrengen van de dagvaarding zijn op één enkele betaling in mei 2025 na, geen termijnen voldaan en is de achterstand niet ingelopen, ook niet gedeeltelijk.
4.7.
De kantonrechter kan zich voorstellen dat het voor [gedaagde partijen] van belang is dat zij in het kader van haar bedrijf, de beschikking houdt over deze voertuigen. Van een schuldeiser mag in het algemeen gesproken verwacht worden dat deze rekening houdt met tijdelijke betalingsonmacht bij zijn wederpartij. Uit de overgelegde dossier blijkt echter niet van daadwerkelijke actie van [gedaagde partijen] om die achterstand daarna in te lopen. De toezegging die [gedaagde partijen] deed dat zij in januari 2025 de achterstand zou voldoen, is zij niet nagekomen [4] . [gedaagde partijen] stelt dat zij na de dagvaarding geen bedragen meer heeft betaald omdat ze ervan uitging dat er sprake was van een vergissing. Daarvan uitgaande is ook niet gesteld (en ook niet gebleken) dat [gedaagde partijen] de verschuldigde maandbedragen in de tussentijd heeft gereserveerd zodat zij tot aflossing van de achterstand zou kunnen overgaan. Dat had wel van haar verwacht mogen worden.
Op de mondelinge behandeling heeft Hiltermann ook gesteld dat [gedaagde partijen] de APK van de Peugeot heeft laten verlopen. Dat is niet tegengesproken door [gedaagde partijen] .
[gedaagde partijen] heeft zich dus niet gedragen als een redelijk handelende schuldenaar, zodat
Alle voorgenoemde omstandigheden samen de kantonrechter van oordeel doen zijn dat Hiltermann niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid heeft gehandeld om over te gaan tot ontbinding van de overeenkomsten.
tussenconclusie
4.8.
Uit al het voorgaande volgt dat naar het oordeel van de kantonrechter de ontbinding van de overeenkomsten gerechtvaardigd was.
In voornoemd deurwaardersexploot is de ontbinding van de overeenkomst ten aanzien van beide auto’s ingeroepen. Hoewel daarin slechts één nummer van de overeenkomst is vermeld (namelijk [nummer 1] ) en het andere nummer ( [nummer 2] ) ontbreekt, gaat de kantonrechter ervan uit dat, nu partijen daar niets over gemeld hebben en wel het debat over beide overeenkomsten hebben gevoerd, bedoeld is beide overeenkomsten te ontbinden en [gedaagde partijen] dat ook zo heeft begrepen.
verklaring voor recht, afgifte auto’s en dwangsom
4.9.
De verklaring voor recht dat de huurkoopovereenkomsten zijn ontboden, kan dan ook worden toegewezen. Datzelfde geldt voor de afgifte van de auto’s binnen 72 uur.
Ten aanzien van de gevorderde dwangsom (€ 1.600,00 per dag met een maximum van
€ 100.000,00) heeft [gedaagde partijen] gesteld dat deze dient te worden afgewezen omdat niet gebleken is van een volhardende weigering of obstructie door [gedaagde partijen] . Van een daadwerkelijke niet-nakomen of evidente dreiging daartoe is ook geen sprake.
Ook dit verweer zal de kantonrechter passeren. Ondanks diverse verzoeken van Hiltermann om tot inlevering van de auto’s over te gaan, heeft [gedaagde partijen] daaraan nog geen gehoor gegeven. Hiltermann heeft er belang bij dat die auto’s op korte termijn bij een van de door haar in het deurwaardersexploot aangewezen derden ingeleverd worden. Nu [gedaagde partijen] het verbeuren van een dwangsom zelf kan voorkomen door tijdig de betreffende auto’s in te leveren, ziet de kantonrechter geen aanleiding die dwangsom af te wijzen.
schade en verrekening
4.10.
Tot slot heeft [gedaagde partijen] ook aangevoerd dat er geen sprake is van schade die voor vergoeding in aanmerking komt. Ook dat betoog verwerpt de kantonrechter. Hiltermann vordert op grond van voortijdige beëindiging van de overeenkomsten de schadevergoeding, ter hoogte van € 11.203,00 (voor de Renault) en € 21 830,05 (voor de Peugeot). Dat zijn de overeengekomen leasetermijnen die bij het in stand blijven van de overeenkomsten hadden moeten worden betaald. Zoals in de vordering is geformuleerd zullen de auto’s na inlevering worden verkocht door Hiltermann en zal de opbrengst daarvan in mindering worden gebracht op de openstaande vordering. Omdat nog niet is overgegaan tot inname en verkoop kan dit bedrag nog niet geconcretiseerd worden. Ervan uitgaande dat de restwaarde van de auto’s lager is dan voornoemde resterende leasetermijnen, is er wel degelijk sprake van schade aan de kant van Hiltermann.
volledige verrekening
4.11.
Artikel 7:92 BW Pro bepaalt dat bij ontbinding van een kredietovereenkomst er geen situatie mag ontstaan waarin de kredietgever in een betere vermogenspositie komst dan indien de overeenkomst volledig zou zijn nagekomen. Er zijn al grote bedragen aan lease betalingen gedaan, namelijk € 7.560,00 voor de Renault en € 6.732,00 voor de Peugeot. Indien Hiltermann nog alle resterende termijnen zou ontvangen ontstaat staat er volgens [gedaagde partijen] een financieel voordeel dat zij bij normale uitvoering van de lease-overeenkomsten niet zou hebben genoten.
Dat standpunt is naar het oordeel van de kantonrechter juist. Indien na verkoop van de auto’s blijkt dat de waarde daarvan de resterende leaseovereenkomsten overschrijdt, ligt het op de weg van Hiltermann het overschot uit te keren aan [gedaagde partijen] .
te betalen hoofdsom
4.12.
Nu de overeenkomsten zijn ontbonden dient [gedaagde partijen] de uit de overeenkomsten voortvloeiende bedragen te betalen. In totaal is zij een bedrag van € 36.280,80 verschuldigd waarin zijn opgenomen een bedrag van € 11.203,00 aan resterende termijnen (per 21 maart 2025) voor de Renault en € 21.830,05 aan resterende termijnen (per 10 april 2025) voor de Peugeot [5] . Nadien heeft [gedaagde partijen] nog een bedrag van € 2.535,04 voldaan, waarin opgenomen de betaling op 26 maart 2025 van € 396,91. De nog op 12 mei 2025 gedane betaling van € 396,91 - zo heeft Hiltermann op de mondelinge behandeling verklaard - is hierin nog niet meegenomen.
Tegen de hoogte van deze hoofdsom heeft [gedaagde partijen] geen ander verweer gevoerd dan hierboven weergegeven. Er zijn door haar geen betalingsbewijzen in het geding gebracht waaruit afgeleid zou kunnen worden dat voornoemde bedragen onjuist zijn. Het gevorderde bedrag zal dan ook worden toegewezen, rekening houdende met het inmiddels betaalde bedrag.
rente
4.13.
Hiltermann vordert over de hoofdsom van € 36.280,80 de contractuele rente van 18% per jaar toe te wijzen. De rente tot aan de dagvaarding (23 april 2025) bedraagt
€ 324,25. Een en ander is niet expliciet door [gedaagde partijen] betwist, zodat de kantonrechter deze zal toewijzen, aangezien duidelijk is dat [gedaagde partijen] in gebreke is met de nakoming van de overeenkomsten.
buitengerechtelijke incassokosten
4.14.
Hiltermann Lease B.V. maakt aanspraak op € 3.667,77 als vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Conform artikel 53 van Pro de toepasselijke algemene voorwaarden bedragen de kosten terzake 10% van het openstaande bedrag.
[gedaagde partijen] heeft hiertegen geen verweer gevoerd. Omdat de hoofdsom € 36.280,80 bedraagt, zal de kantonrechter daarvoor een bedrag van € 3.628,08 aan incassokosten toewijzen.
proceskosten
4.15.
[gedaagde partijen] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Hiltermann worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,35
- griffierecht
1.461,00
- salaris gemachtigde
1.086,00
(2 punten × € 543,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.804,35.
kosten van inname en aangifte van verduistering
4.16.
Hiltermann vordert verder een bedrag van € 859,10 aan contractueel overeengekomen kosten indien zij moet overgaan tot inname van de objecten. Het betreft dan de kosten van het begeleiden van de inname en het afslepen door het bergingsbedrijf.
Daarnaast vordert zij een bedrag van € 211,75 aan eventueel te maken kosten voor het doen van aangifte van verduistering alsmede het laten signaleren van de objecten.
Al deze kosten vallen niet onder executiekosten van de deurwaarder en zijn contractueel overeengekomen [6] .
Deze kosten zijn niet door [gedaagde partijen] betwist, zodat de kantonrechter tot toewijzing daarvan zal overgaan.
uitvoerbaar bij voorraad
4.17.
Het vonnis zal zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat de huurkoopovereenkomsten met betrekking tot de Peugeot 5008 (kenteken [kenteken 2] ) en de Renault Master (kenteken [kenteken 1] ) zijn ontbonden,
5.2.
veroordeelt [gedaagde partijen] tot afgifte van de objecten Peugeot 5008 (kenteken [kenteken 2] ) en Renault Master (kenteken [kenteken 1] ) aan Hiltermann of een door haar aan te wijzen derde, binnen 72 uur na betekening van dit vonnis,
zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.600,00 per dag dat [gedaagde partijen] in gebreke blijft daaraan te voldoen met een maximum van € 100.000,00,
5.3.
veroordeelt [gedaagde partijen] om aan Hiltemann € 37.301,48 te betalen, te vermeerderen met de rente van 18% per jaar over € 36.280,80 vanaf 23 april 2025 tot aan de dag der voldoening, waarop in mindering strekt ieder ander bedrag dat [gedaagde partijen] aantoonbaar daarop in mindering heeft betaald,
met dien verstande dat indien de objecten worden ingeleverd en vervolgens worden verkocht door Hiltermann, de verkoopopbrengst in mindering strekt op de openstaande vordering,
5.4.
veroordeelt [gedaagde partijen] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van Hiltermann tot op heden begroot op € 2.804,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partijen] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
veroordeelt [gedaagde partijen] om aan Hiltermann te betalen € 859,10 indien Hiltermann tot inname van het object moet overgaan,
5.6.
veroordeelt [gedaagde partijen] om aan Hiltermann te betalen het bedrag van € 211,75 indien Hiltermann tot aangifte bij de politie moet overgaan,
5.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, en
5.8.
wijst af het anders of meer gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.

Voetnoten

1.productie 4 bij de dagvaarding.
2.Productie 2 bij de dagvaarding.
3.Beide in productie 3 bij de dagvaarding.
4.Productie 1 in de conclusie van antwoord.
5.Voor verdere specificaties zie pagina 4 van de dagvaarding.
6.artikel 44 van Pro de algemene voorwaarden.