Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.De procedure
2.De beoordeling
3.De beslissing
woensdag 28 januari 2026 om 10:00 uurvoor beraad kantonrechter,
Rechtbank Limburg
De rechtbank Limburg behandelde een civiele procedure waarin eiseres, als executeur van een nalatenschap, een vordering had ingediend die minder dan €25.000 bedroeg. Gedaagde stelde dat de waarde van de nalatenschap en zijn legitieme portie hoger was dan door de erven berekend, en kondigde een reconventionele vordering aan die meer dan €25.000 zou bedragen.
De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de bevoegdheid van de kamer voor andere zaken dan kantonzaken. Eiseres stemde in met verwijzing naar de kantonrechter, terwijl gedaagde vond dat de rechtbank bevoegd was vanwege de hogere waarde van zijn reconventionele vordering.
De rechtbank oordeelde dat de kantonrechter bevoegd is op grond van artikel 93 aanhef Pro en onder a Rv, omdat de primaire vordering onder de €25.000 blijft. De samenhang tussen de vorderingen, voortvloeiend uit dezelfde nalatenschap, maakt dat ook de reconventionele vordering door de kantonrechter kan worden behandeld. Daarom werd de zaak ambtshalve naar de kantonrechter verwezen.
Partijen werden erop gewezen dat zij in de vervolgprocedure niet verplicht zijn een advocaat te hebben en dat het griffierecht zal worden verlaagd en eventueel teveel betaald bedrag wordt teruggestort.
Uitkomst: De rechtbank verwijst de nalatenschapszaak ambtshalve naar de kantonrechter vanwege samenhang tussen vorderingen.