ECLI:NL:RBLIM:2026:4849

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
C/03/351289 / HA ZA 26-153
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • De Bruijn
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 194 RvArt. 195 RvArt. 6:119 BWArt. 7:411 BWArt. 21 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing incident inzage koopovereenkomst in geschil over bemiddelingsvergoeding

In deze civiele bodemzaak vordert [partij A] inzage in de koopovereenkomst en betaalbewijzen met betrekking tot de verkoop van [B.V. 1], omdat de omvang van zijn vordering afhangt van de daadwerkelijk gerealiseerde koopsom. [partij A] baseert zijn vordering op een overeenkomst van opdracht waarbij [B.V. 3] exclusief zou bemiddelen bij de verkoop en aanspraak maakt op een vergoeding.

[partij B] stelt dat reeds relevante stukken, waaronder delen van de koopovereenkomst en betaalbewijzen, aan [partij A] zijn verstrekt en dat het onduidelijk is welke aanvullende informatie nog wordt verlangd. De rechtbank oordeelt dat het recht op inzage bestaat indien er een voldoende belang is en de wederpartij over de gevraagde gegevens beschikt.

De rechtbank concludeert dat aan de vordering tot inzage is voldaan door de reeds overgelegde stukken en wijst het incident af. [partij A] wordt veroordeeld in de proceskosten van [partij B]. De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor verdere behandeling.

Uitkomst: De rechtbank wijst het incident tot inzage af omdat alle relevante stukken reeds in het geding zijn gebracht.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/351289 / HA ZA 26-153
Vonnis in incident van 27 mei 2026
in de zaak van
[persoon 1],
te [plaats 1] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [partij A] ,
advocaat: mr. C.A.M.H. Vink,
tegen

1.[B.V. 1] ,

te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [B.V. 1] ,
2.
[B.V. 2],
te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [B.V. 2] ,
3.
[persoon 2],
te [plaats 2] ,
hierna te noemen; [persoon 2] ,
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
verwerende partijen in het incident,
gedaagden worden gezamenlijk aangeduid als: [partij B] ,
advocaat: mr. R. Sharaf.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding tevens houdend incidentele vordering op grond van artikel 194 Rv Pro met
producties 1 t/m 27,
- de incidentele conclusie van antwoord met producties 1 t/m 8.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.Het geschil

in de hoofdzaak
2.1.
Kort samengevat stelt [partij A] het volgende.
[B.V. 3] heeft met [partij B] een overeenkomst van opdracht gesloten op grond waarvan [B.V. 3] exclusief zou bemiddelen bij de verkoop van [B.V. 1] en bij verkoop een vergoeding zou ontvangen berekend aan de hand van de door partijen gedefinieerde meerwaarde. [partij B] zijn tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht, onder meer doordat zij de uiteindelijke koopovereenkomst ter zake van [B.V. 1] buiten [B.V. 3] om hebben gesloten. Ook kwalificeert het handelen van [partij B] als een onrechtmatige daad. Verder hebben [partij B] de overeenkomst van opdracht niet rechtsgeldig opgezegd, althans kan een rechtsgeldige opzegging niet zonder financiële gevolgen blijven. [B.V. 3] heeft haar vordering op [partij B] gecedeerd aan [partij A] .
2.2.
[partij A] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
- [B.V. 1] , [B.V. 2] en [persoon 2] zal veroordelen – des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd – om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 1.000.000,00 vermeerderd met de wettelijke rente, daarover vanaf 11 maart 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van gedaagden in de kosten van het geding, waaronder begrepen het salaris van de raadsman van [partij A] , te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis;
Subsidiair
- [B.V. 1] , [B.V. 2] en [persoon 2] zal veroordelen – des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd – om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 924.105,79 vermeerderd met de wettelijke rente, over de hoofdsom van € 750.000,00 excl. btw vanaf 11 maart 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van gedaagden in de kosten van het geding, waaronder begrepen het salaris van de raadsman van [partij A] , te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis;
Meer subsidiair
- [B.V. 1] , [B.V. 2] en [persoon 2] zal veroordelen – des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd – om aan [partij A] te betalen een schadevergoeding ex. art. 7:411 BW Pro door de rechtbank vast te stellen als redelijk, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 11 maart 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van gedaagden in de kosten van het geding, waaronder begrepen het salaris van de raadsman van [partij A] , te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis.
in het incident
2.3.
[partij A] vordert in het incident [partij B] te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan [partij A] te verstrekken een afschrift van de koopovereenkomst, koopakte dan wel enige schriftelijke vastlegging van de verkoop van [B.V. 1] , alsmede de betaalbewijzen of overige bescheiden waaruit blijkt welke koopprijs daadwerkelijk is voldaan.
[partij A] stelt dat hij belang heeft bij de inzage van de gevorderde bescheiden, nu de omvang van zijn vordering afhangt van de daadwerkelijk gerealiseerde koopsom en de voorwaarden van de transactie.
2.4.
[partij B] stellen primair dat [partij A] niet alle relevante feiten naar voren heeft gebracht en daarmee artikel 21 Rv Pro heeft geschonden. [partij B] stellen daarnaast dat zij op verzoek van [partij A] reeds op 30 januari 2026 de relevante pagina’s uit de koopovereenkomst hebben verstrekt. [1] Indien [partij A] een verzoek zou hebben gedaan om aanvullende stukken, dan zouden deze door [partij B] zijn gegeven. Nu [partij A] reeds beschikt over pagina’s van de koopovereenkomst met daarin opgenomen de koopprijs, de betrokken partijen, de handtekeningenpagina alsmede diverse overige bepalingen, is het voor [partij B] volstrekt onduidelijk welke aanvullende informatie [partij A] nog wenst en welk belang hij daarbij dus heeft. [partij B] brengt thans – in aanvulling op de reeds aan [partij A] verstrekte stukken – nog een afschrift van het betaalbewijs van de koopsom alsmede een afschrift van de in het kadaster ingeschreven leveringsakte in het geding.

3.De beoordeling in het incident

3.1.
In artikel 195 lid 1 Rv Pro is bepaald dat de rechter op verzoek van de partij die daar op grond van artikel 194 lid 1 Rv Pro recht op heeft, de wederpartij kan bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens waarover de wederpartij beschikt. Artikel 194, eerste lid, tweede volzin, tweede, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing verklaard.
3.2.
Op grond van artikel 194 lid 1 Rv Pro komt het recht op inzage, afschrift of uittreksel van a) bepaalde gegevens toe aan b) een partij bij een rechtsbetrekking, als zij c) daarbij voldoende belang heeft, en d) degene van wie inzage wordt verlangd over de gevraagde gegevens beschikt. Degene die inzage, afschrift of uittreksel verzoekt, moet zijn belang daarbij duidelijk omschrijven en zo nodig onderbouwen.
3.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [partij A] belang bij inzage in de door hem verzochte gegevens, nu deze stukken meer duidelijkheid kunnen verschaffen over de omvang van de door [partij A] gestelde vordering.
3.4.
Gelet op de stukken, die [partij B] (mede) naar aanleiding van de incidentele vordering in het geding hebben gebracht, is de rechtbank van oordeel dat aan de vordering is voldaan. De incidentele vordering zal daarom worden afgewezen.
3.5.
[partij A] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het incident. De proceskosten aan de zijde van [partij B] worden tot vandaag vastgesteld op:
salaris advocaat € 653,00
nakosten
€ 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in dictum)
totaal € 842,00
3.6.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De rechtbank
in het incident
4.1.
wijst de vordering af,
4.2.
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van [partij B] , tot op heden begroot op
€ 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als [partij A] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [partij A]
€ 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
4.3.
veroordeelt [partij A] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
4.5.
verwijst de zaak naar de rol van
8 juli 2026voor conclusie van antwoord alsmede opgave verhinderdata aan de zijde van beide partijen voor een mondelinge behandeling in de periode juli tot en met december 2026,
4.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. De Bruijn en in het openbaar uitgesproken.

Voetnoten

1.bijlage 3 en 4 bij de incidentele conclusie van antwoord