ECLI:NL:RBLIM:2026:4910

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
11991926 \ CV EXPL 25-5484
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Dohmen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 706 RvArt. 236 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling restant huur en gezag van gewijsde over opeisbaarheid huurvordering

De zaak betreft een geschil tussen verhuurder en huurder Decon Systems BV over de betaling van huur en gebruiksvergoeding voor een bedrijfsruimte. De verhuurder vordert betaling van €28.001,49 over de periode 1 juni 2019 tot 1 januari 2023, vermeerderd met wettelijke rente en beslagkosten. Decon voert verweer en vordert in reconventie betaling van openstaande facturen en schadevergoeding wegens huurbetaling aan een nieuwe eigenaar.

Eerder had de kantonrechter op 27 maart 2024 de vordering van de verhuurder afgewezen omdat de huur nog niet opeisbaar was op grond van een tussen partijen gemaakte afspraak. Dit vonnis is onherroepelijk en heeft gezag van gewijsde. De afspraak hield een uitstel van betaling in totdat de facturen van Decon aan de verhuurder voldaan waren.

De verhuurder heeft inmiddels diverse bedragen betaald, waaronder handelsrente, waardoor de huurbetalingsplicht van Decon is herleefd en opeisbaar is geworden. De kantonrechter wijst de vordering van Decon in reconventie af wegens gezag van gewijsde en veroordeelt Decon tot betaling van de huur, wettelijke rente vanaf dagvaarding en beslagkosten. De proceskosten worden eveneens aan Decon opgelegd.

Uitkomst: Decon Systems BV wordt veroordeeld tot betaling van €28.001,49 huur met wettelijke rente vanaf 18 november 2025 en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11991926 \ CV EXPL 25-5484
Vonnis van 20 mei 2026
in de zaak van
MAATSCHAP [verhuurder],
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [verhuurder] ,
gemachtigde: mr. N. van barones van Heeckeren van Brandsenburg,
tegen
DECON SYSTEMS B.V.,
te Venlo,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Decon,
gemachtigde: Mr. M. Woning-van Putten (DAS Rechtsbijstand).

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie
- de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald
- de conclusie van antwoord in reconventie
- de mondelinge behandeling van 16 april 2026, waarop Decon spreekaantekeningen heeft overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[verhuurder] was tot 2 januari 2023 eigenaar van het bedrijfsverzamelgebouw aan de [adres] . Vanaf 1 juni 2015 huurde Decon daarin een ruimte.
2.2.
[verhuurder] heeft de huurovereenkomst opgezegd tegen 31 december 2021. Vervolgens heeft de kantonrechter op 24 mei 2022 op verzoek van Decon de ontruimingstermijn verlengd tot 1 januari 2023 [1] .
2.3.
De huur c.q. gebruiksvergoeding over de periode 1 juni 2019 tot 1 januari 2022 bedroeg een totaalbedrag van € 20.095,17 incl. btw. De huur c.q. gebruiksvergoeding over het hele jaar 2022 is € 7.906,32 (12 x € 658,86). In Totaal € 28.001,49 incl btw.
Vanaf 1 juni 2019 heeft Decon niets meer aan huur c.q. gebruiksvergoeding betaald aan [verhuurder] .
2.4.
[verhuurder] heeft Decon gedagvaard om betaling van die huur c.q gebruiksvergoeding te verkrijgen. Bij vonnis d.d. 27 maart 2024 heeft de kantonrechter die betreffende vordering afgewezen omdat (kort gezegd) deze nog niet opeisbaar was op grond van een tussen partijen gemaakte afspraak [2] . Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld.
2.5.
Op 23 mei 2024 heeft [verhuurder] een bedrag van € 14.744,06 aan Decon betaald.
2.6.
Daarop heeft Decon nog gesommeerd het restant te betalen.
2.7.
Op 3 november 2024 heeft [verhuurder] aan Decon een bedrag van € 30.653,07 betaald terzake van hoofdsom (€ 18.725,62), borg, dwangsommen, proceskosten en handelsrente vanaf 5 december 2021.
2.8.
De dag na deze betaling heeft [verhuurder] beslag laten leggen onder de deurwaarder aan wie [verhuurder] betaald had.
2.9.
Om haar bedrijfsvoering te kunnen voortzetten heeft Decon aan de nieuwe eigenaar van het pand waarin zij huurt/verblijft vanaf 2 januari 2023 huur moeten betalen. Over de periode 1 januari 2023 tot 1 februari 2026 is daarmee een bedrag van € 27.266,33 gemoeid.
2.10.
Decon heeft de facturen uit 2018 en 2019 die zij voor door de haar geleverde diensten aan [verhuurder] GmbH heeft gezonden, in 2021 gecrediteerd en in de plaats daarvan deze facturen gezonden aan [verhuurder] . De factuurdata zijn daarbij gewijzigd in 5 december 2021 tot en met 8 december 2021. De betalingstermijn is daarbij telkens
op “
0 dagen na factuurdatum” gesteld.

3.Het geschil in conventie en reconventie

3.1.
[verhuurder] vordert om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Decon te veroordelen tot betaling van € 28.001,49 incl. btw, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 4 november 2025, althans vanaf de dag der dagvaarding, alsmede tot betaling van € 1.067,11 aan beslagkosten, met veroordeling van Decon in de proceskosten.
3.2.
Decon voert verweer in conventie.
In reconventie vordert zij veroordeling van [verhuurder] tot betaling van € 8.468,97 aan openstaande facturen, vermeerderd met handelsrente daarover vanaf 27 januari 2026. Daarnaast vordert zij betaling van € 27.266,33 althans € 24.986,48 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 11 februari 2026, met veroordeling van [verhuurder] in de proceskosten.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
de afspraak
4.1.
Vast staat dat partijen over en weer vorderingen op elkaar (stellen te) hebben.
Eerder al hebben partijen gediscussieerd over enerzijds de huurpenningen van de bedrijfsruimte aan de [adres] die Decon aan [verhuurder] moet voldoen en anderzijds de facturen die [verhuurder] aan Decon moet betalen vanwege aan haar verleende opdrachten om schade te repareren. Over betaling van die vorderingen over en weer hebben [verhuurder] - in de persoon van haar maat [naam] [verhuurder] - en Decon afspraken gemaakt, die
mr. R. Simons, bedrijfsjurist van [verhuurder] in zijn e-mail van 28 januari 2020 aan Decon heeft vastgelegd. Hij schreef toen:
“hierbij leg ik vast dat jij met [naam] hebt afgesproken dat je de huur van de [adres] pas betaalt zodra jouw facturen inzake de slagboomschade uit Kaldenkirchen zijn voldaan”.
In deze procedure twisten partijen opnieuw over wat nu precies met deze afspraak
bedoeld is.
het eerdere vonnis
4.2.
In een eerdere procedure was die afspraak ook aan de orde. De kantonrechter heeft daarover toen in haar vonnis van 27 maart 2024 in overweging 4.2. geoordeeld:
“Het woord “zodra” dat is gebruikt, duidt naar het oordeel van de kantonrechter een tijdstip aan en niet een gevolg. Daarmee kan dus niet bedoeld zijn een afstel van betaling maar enkel een uitstel van betaling. Dat betekent dat in beginsel nog wel een betalingsverplichting bestaat maar dat deze betaling pas opeisbaar is wanneer aan de voorwaarden is voldaan”. [3]
gezag van gewijsde
4.3.
Vast staat dat partijen tegen dat vonnis geen hoger beroep hebben ingesteld. Het vonnis is daarmee onherroepelijk geworden en heeft daardoor kracht van gewijsde. Dat heeft tot verder gevolg dat de beslissingen die in dat vonnis genomen zijn, tussen partijen bindende kracht hebben. Met andere woorden: in een latere procedure over hetzelfde geschil kan niet worden teruggekomen op wat eerder is beslist. Het vonnis heeft dan gezag van gewijsde. [4] Op dit uitgangspunt heeft [verhuurder] zich uitdrukkelijk beroepen.
4.4.
Decon heeft in de aan de orde zijnde procedure betoogd dat in voornoemd vonnis in het dictum niets is gezegd over de uitleg van die afspraak. Overwegingen van de kantonrechter kunnen volgens haar geen gezag van gewijsde opleveren.
De kantonrechter deelt die visie van Decon niet: niet alleen het dictum maar ook overwegingen van een vonnis maken onderdeel uit van een beslissing.
Er komt gezag van gewijsde toe aan een rechterlijke beslissing over een geschilpunt. Dat geschilpunt betrof de uitleg van een afspraak. Dat de kantonrechter in dat vonnis het woord “zodra” bepalend heeft geacht, betekent niet dat die beslissing later niet meer zou gelden als er een discussie ontstaat over een ander woord. Partijen geven in deze procedure ieder een andere betekenis aan het woord “
pas”. Als Decon het standpunt heeft dat er een andere uitleg gegeven had moeten worden aan die overweging of een ander woord uit die afspraak belangrijker was, dan had zij dat in hoger beroep aan de orde moeten stellen. Dat heeft zij niet gedaan.
4.5.
Dat leidt dus tot de conclusie dat aan de overweging van 4.2. van dat vonnis van die kantonrechter, gezag van gewijsde toekomt.
uitstel van betaling
4.6.
Een en ander houdt in dat in deze procedure ervan uitgegaan wordt dat niét bedoeld is
afstelvan betaling, maar
uitstelvan betaling van die huurpenningen.
Decon heeft zich op het standpunt gesteld dat over de tijd dat [verhuurder] de facturen van Decon nog niet aan haar had betaald, Decon geen huur verschuldigd was aan [verhuurder] omdat haar die huur was kwijtgescholden. Dat standpunt verwerpt de kantonrechter en dus geldt dat ook voor de maanden dat Decon op betaling door [verhuurder] heeft moeten wachten, zij huur moet betalen.
voorwaarde voor opeisbaarheid
4.7.
Zoals in voornoemd vonnis is bepaald is die huurbetalingsplicht pas opeisbaar op het moment dat aan de voorwaarde is voldaan, namelijk betaling door [verhuurder] van de facturen van Decon. Gebleken is dat [verhuurder] inmiddels diverse bedragen aan Decon heeft betaald. Vastgesteld dient te worden of met die betaalde bedragen alle facturen, rente en kosten zijn voldaan. Indien dat het geval is, “herleeft” de huurbetalingsplicht van Decon.
ingangsdatum handelsrente
4.8.
Partijen verschillen van mening over de ingangsdatum van de handelsrente:
Volgens [verhuurder] is dat vanaf de datum van de herfacturering van begin december 2021, volgens Decon is dat vanaf de opeisbaarheid van de oorspronkelijke facturen uit 2018 en 2019.
De kantonrechter is van oordeel dat hetgeen hierboven is overwogen, mutatis mutandis ook geldt voor het geschil over de handelsrente. De vordering van Decon in de eerdere procedure zag, conform een zelf berekende renteberekening, op handelsrente met ingang van 24 februari 2022, waarbij zij kennelijk uitging van de laatste door haar in december 2021 gestuurde facturen. De kantonrechter heeft toen geoordeeld dat er geen specifieke ingangsdatum van de handelsrente kan worden gehanteerd. Zij heeft daarom geen bedrag toegewezen maar “
maar wel de wettelijke handelsrente over de respectievelijke factuurbedragen vanaf de datum van verschuldigdheid daarvan tot aan de betaling”. [5]
Daarmee kan dus naar het oordeel van de kantonrechter enkel bedoeld zijn een datum die is gelegen na de datum van die facturen uit december 2021, enerzijds omdat die andere kantonrechter specifiek spreekt van factuurbedragen, anderzijds omdat de vordering van Decon specifiek op die factuurbedragen zag. Conclusie is dus dat de wettelijke handelsrente pas verschuldigd kan zijn ná de datum van die laatste facturen.
betaalde handelsrente
4.9.
Mede tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [verhuurder] met de - niet betwiste - betaling op 3 november 2025 van het bedrag van € 30.653,07 aan Decon de wettelijk handelsrente heeft betaald vanaf de respectieve factuurdata vanaf 5 december 2021 [6] . Daarmee staat dus vast dat zij in ieder geval het bedrag aan verschuldigde handelsrente aan Decon heeft voldaan.
Tijdens mondelinge behandeling heeft [verhuurder] daaraan toegevoegd dat mocht het betaalde bedrag meer zijn dan eigenlijk door haar is verschuldigd, omdat de vervaldata van de facturen later zijn, dat voor haar geen punt van geschil is en dat wat haar betreft van
5 december 2021 als vervaldatum van alle facturen kan worden uitgegaan.
herleving betalingsplicht
4.10.
Nu [verhuurder] zowel de restant hoofdsom, de verschuldigde wettelijke handelsrente en alle kosten heeft betaald, en Decon daarmee niets meer van [verhuurder] te vorderen heeft, is de plicht voor Decon om huur/ gebruiksvergoeding te betalen gaan ‘herleven’ en zijn de daarmee gemoeide bedragen opeisbaar geworden.
bedrag aan huur / gebruiksvergoeding
4.11.
Decon is daarmee de huur over de periode 1 juni 2019 tot 1 januari 2022 (totaal
€ 20.095,17 incl. btw) en de gebruiksvergoeding over het hele jaar 2022 (€ 7.906,32 incl. btw) ad € 28.001,49 aan [verhuurder] verschuldigd. Aangezien Decon deze nog niet heeft betaald, dient zij daartoe veroordeeld te worden.
rente over huur
4.12.
[verhuurder] vordert rente over dat bedrag vanaf 4 november 2025 althans vanaf 18 november 2025 (de dag der dagvaarding). Decon stelt zich op het standpunt dat zij niet door [verhuurder] ingebreke is gesteld, zodat een eventueel verschuldigd rente hooguit pas verschuldigd kan zijn vanaf datum vonnis.
De kantonrechter oordeelt dat de termijn voor betaling van de huur in beginsel een fatale termijn is, maar in casu is daarna een afspraak gemaakt dat de huur werd opgeschort. In die afspraak is niets afgesproken over eventuele verschuldigde wettelijke rente en kan dus niet zonder meer worden gezegd dat het moment van verzuim gelijk is aan het moment van opeisbaarheid. In zo’n situatie is dan een ingebrekestelling vereist. Dat geldt temeer omdat anders onduidelijk zou zijn op welk moment [verhuurder] precies van mening was dat Decon haar moest betalen. Een van de functies van een ingebrekestelling is juist om dergelijke onduidelijkheden weg te nemen voor degene die wordt aangesproken. Niet gebleken is dat [verhuurder] een ingebrekestelling aan Decon heeft gestuurd, zodat de wettelijke rente pas vanaf de dag der dagvaarding wordt toegewezen.
beslagkosten
4.13.
[verhuurder] vordert Decon te veroordelen om de kosten van het conservatoir gelegde beslag van € 1.067,11 te vergoeden.
Decon stelt dat het beslag zonder noodzaak is gelegd. Dat standpunt onderschrijft de kantonrechter niet. Gelet op de toewijzing van hoofdvordering is het beslag niet nodeloos gelegd. Gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv Pro zijn deze kosten dan ook toewijsbaar.
De beslagkosten worden als proceskosten vastgesteld op € 410,74 voor kosten deurwaardersexploten.
Het meerdere, tot het door [verhuurder] gevorderde bedrag van € 427,26 incl. btw (€ 353,11 excl. btw) wordt afgewezen, nu de wettelijke grondslag daarvoor ontbreekt. Als griffierecht wordt € 714,00 toegewezen en € 577,00 voor salaris gemachtigde (1 punt × € 577,00), in totaal € 1.701,74.
in reconventie
openstaande restant hoofdsom
4.14.
In reconventie heeft Decon allereerst een bedrag van € 8.468,97 aan openstaande facturen te vermeerderen met handelsrente gevorderd. Dit bedrag komt voor uit het standpunt van Decon dat de handelsrente verschuldigd was vanaf de vervaldata van de oorspronkelijke facturen uit 2018 en 2019. Zoals hierboven is overwogen, heeft de kantonrechter in de eerdere procedure anders geoordeeld en komt aan haar vonnis gezag van gewijsde toe. Deze vordering dient daarom te worden afgewezen.
huur over 2023
4.15.
Decon vordert [verhuurder] te veroordelen om aan haar een schadevergoeding van
€ 27.266,33 te betalen omdat Decon ondanks het huurvrijstellingsbeding toch dit bedrag aan huur (vanaf 1 januari 2023 tot 1 februari 2026) heeft moeten betalen aan de nieuwe eigenaar van de bedrijfsruimte.
Deze tegenvordering kan niet slagen. De kantonrechter verwijst naar het hiervoor opgenomen oordeel dat de tussen partijen gemaakte afspraak inhield dat de huur niet werd vrijgesteld maar slechts werd opgeschort. Daardoor had Decon ook aan [verhuurder] huur moeten betalen over de periode na 1 januari 2023.
4.16.
Ook de subsidiair aangevoerde grond van ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van [verhuurder] omdat er sprake zou zijn van huurvrijstelling, wijst de kantonrechter om dezelfde redenen af.
in conventie en reconventie
4.17.
Zowel in conventie als in reconventie is Decon in het ongelijk gesteld. Daarom wordt zij in de proceskosten aan de zijde van [verhuurder] veroordeeld. Nu de vordering reconventie niet voortvloeit uit het verweer dat in conventie is gevoerd, worden de toe te kennen punten voor het salaris gemachtigde in reconventie niet gehalveerd.
De kosten aan de zijde van [verhuurder] worden begroot op:
  • dagvaarding € 148,04
  • griffierecht € 747,00
  • beslag € 1.701,74
  • salaris gemachtigde conventie € 1.154,00 (2 x tarief € 577,00)
  • salaris reconventie € 1.154,00 (2 x tarief € 577,00)
  • nakosten
totaal € 5.048,78.

5.De beslissing in conventie en reconventie

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt Decon om aan [verhuurder] te voldoen een bedrag van € 28.001,49
inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 18 november 2025
tot aan de dag der algehele voldoening,
5.2.
veroordeelt Decon in de kosten van deze procedures aan de zijde van [verhuurder] gevallen en tot op heden begroot op € 5.048,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Decon niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3. veroordeelt Decon tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.

Voetnoten

1.Zaaknummer 9716377 \ HZ VERZ 22-9, productie 6 bij dagvaarding.
2.Zaaknummer 10372706 \ CV EXPL 23-889, productie 7 bij dagvaarding.
3.Zaaknummer 10372706 \ CV EXPL 23-889.
4.Zie art. 236 Rv Pro.
5.Rechtsoverweging 4.12 van voornoemd vonnis van 27 maart 24.
6.Zie productie 12 bij dagvaarding.