ECLI:NL:RBLIM:2026:4929

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
12182601 \ CV EXPL 26-1784
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Dohmen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119a BWArt. 6:119 BWArt. 6:96 lid 2 onder c BWArt. 556 RvArt. 557 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing ontruiming en huurachterstand in kort geding wegens niet-betaling

De verhuurder verhuurt sinds april 2025 een bedrijfsruimte aan de huurder voor vijf jaar met maandelijkse vooruitbetaling van huur en servicekosten. Vanaf december 2025 is de huur niet meer betaald, waardoor een aanzienlijke huurachterstand is ontstaan. Ondanks aanmaningen heeft de huurder niet betaald en is niet verschenen bij de mondelinge behandeling, waarna verstek is verleend.

De verhuurder vordert ontruiming van het gehuurde, betaling van de achterstallige huur, lopende huurpenningen, een contractuele boete, incassokosten en wettelijke rente. De voorzieningenrechter beoordeelt dat de huurachterstand en de aanvullende afspraak dat bij drie maanden huurschuld het contract eindigt, het in hoge mate waarschijnlijk maken dat de ontbinding van de huurovereenkomst gerechtvaardigd is.

De ontruiming wordt toegewezen met een redelijke termijn van veertien dagen. De huurachterstand wordt toegewezen tot en met mei 2026, en lopende huur vanaf juni 2026 om dubbeltelling te voorkomen. De gevorderde machtiging voor ontruiming met politie wordt afgewezen omdat de deurwaarder deze bevoegdheid zelfstandig heeft. De contractuele boete wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang, terwijl de wettelijke handelsrente wordt toegewezen. Incassokosten worden toegewezen, maar zonder handelsrente. De huurder wordt veroordeeld in proceskosten en wettelijke rente over deze kosten.

Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot ontruiming binnen veertien dagen en betaling van huurachterstand, incassokosten, wettelijke rente en proceskosten; de contractuele boete wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12182601 \ CV EXPL 26-1784
Vonnis in kort geding van 26 mei 2026
in de zaak van
[verhuurder] B.V.,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [verhuurder] ,
gemachtigde: mr. P.M. Jacometti,
tegen
[huurder]handelend onder de naam
[bedrijf],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [huurder] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de mondelinge behandeling van 11 mei 2026
- het tegen [huurder] verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[verhuurder] verhuurt met ingang van 11 april 2025 aan [huurder] de bedrijfsruimte aan [adres] (hierna: het gehuurde) voor de duur van vijf jaar. De maandelijkse huurprijs, vermeerderd met een voorschot servicekosten van € 25,00 en met btw, bedraagt in totaal € 1.336,25 en moet bij vooruitbetaling worden voldaan.
2.2.
In de huurovereenkomst is met de hand artikel 17.6 bijgeschreven, waarin vermeld is: “
Bij 3 maanden huurschuld is het einde contract.”. Onder deze tekst staat “
Akkoord”en vervolgens de handtekening van [huurder] . [verhuurder] heeft hierbij zijn paraaf geplaatst.
2.3.
Vanaf december 2025 is de huur niet meer betaald. Ondanks aanmaningen hebben er geen betalingen meer plaatsgevonden. De huurachterstand is alsmaar verder opgelopen.

3.Het geschil

3.1.
[verhuurder] vordert – samengevat – dat de voorzieningenrechter uitvoerbaar bij voorraad [huurder] veroordeelt:
I. om het gehuurde binnen drie dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten, onder afgifte van alle sleutels aan [verhuurder] en met machtiging van [verhuurder] om de ontruiming zo nodig zelf te doen bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van de politie en justitie;
II. tot betaling aan [verhuurder] van € 8.017,50 aan achterstallige huur tot en met mei 2026;
III. tot betaling aan [verhuurder] van de lopende huurpenningen, groot € 1.336,25 per maand, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, vanaf 1 mei 2026 tot aan de dag van de feitelijke ontruiming;
IV. tot betaling aan [verhuurder] van € 1.800,00 aan contractuele boete, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;
V. tot betaling aan [verhuurder] van € 775,88 aan buitengerechtelijke incassokosten, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;
VI. tot betaling aan [verhuurder] van de wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) over de onder 2, 3, 4 en 5 genoemde bedragen, telkens vanaf de vervaldatum van de betreffende bedragen, althans vanaf de dag van dagvaarden, tot de dag van volledige betaling;
VII. in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als deze niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn voldaan.
3.2.
[verhuurder] legt hieraan ten grondslag dat [huurder] op grond van de huurovereenkomst gehouden is de maandelijkse huurprijs bij vooruitbetaling te voldoen. [huurder] is deze verplichting niet nagekomen en heeft een huurachterstand van inmiddels zes maanden laten ontstaan. Ondanks pogingen daartoe is het niet gelukt om met [huurder] in contact te treden. Dit rechtvaardigt volgens [verhuurder] de ontbinding van de huurovereenkomst en, daarop vooruitlopend in kort geding, de ontruiming van het gehuurde.

4.De beoordeling

4.1.
[huurder] is niet op de mondelinge behandeling verschenen. Uit het exploot van de dagvaarding blijkt dat hij correct en tijdig is opgeroepen voor de mondelinge behandeling van 11 mei 2026. Aangezien ook de overige bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht zijn genomen, is verstek verleend tegen [huurder] .
4.2.
Het verlenen van verstek houdt in dat de vordering in kort geding wordt toegewezen als [verhuurder] een spoedeisend belang heeft en de vordering de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.
Huurachterstand en ontruiming
4.3.
Een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming is een maatregel die diep in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder ingrijpt. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet volgens vaste jurisprudentie grote terughoudendheid worden betracht, nu in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een (diepgaand) onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is. Voorts is voor de toewijzing van een vordering tot ontruiming in kort geding vereist dat het in hoge mate waarschijnlijk is dat een gelijkluidende vordering in een te voeren bodemprocedure zal worden toegewezen.
4.4.
Als niet weersproken staat vast dat sprake is van een aanzienlijke huurachterstand en dat partijen de aanvullende afspraak hebben gemaakt dat de huurovereenkomst eindigt bij een huurschuld van drie maanden. Dat maakt dat het in hoge mate waarschijnlijk is dat over een gelijkluidende vordering in een te voeren bodemprocedure zal worden geoordeeld dat sprake is van een tekortkoming die de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. De gevorderde ontruiming zal daarom worden toegewezen, waarbij wel een redelijke ontruimingstermijn van veertien dagen zal worden gehanteerd.
4.5.
Gevorderd is een huurachterstand van zes maanden over de periode december 2025 tot en met mei 2026, die zal worden toegewezen. Gelet daarop zal de vordering ten aanzien van de lopende huurpenningen vanaf 1 juni 2026 worden toegewezen en niet zoals door [verhuurder] is gevorderd vanaf 1 mei, omdat dit tot een dubbeltelling leidt.
4.6.
De gevorderde machtiging om de ontruiming zelf zo nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie te bewerkstelligen zal worden afgewezen. Artikel 556 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) bepaalt dat gedwongen ontruiming door een deurwaarder geschiedt. De deurwaarder zelf behoeft geen rechterlijke machtiging om de hulp van de sterke arm in te roepen. Die bevoegdheid ontleent hij immers rechtsreeks aan artikel 557 Rv Pro, waarin artikel 444 Rv Pro van overeenkomstige toepassing wordt verklaard.
4.7.
De gevorderde wettelijke handelsrente wordt ook toegewezen, omdat sprake is van de huur van bedrijfsruimte en dus van een handelsovereenkomst als bedoeld in artikel 6:119a Van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
Contractuele boete
4.8.
Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is ook terughoudendheid op zijn plaats. De voorzieningenrechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die uit hoofde van onverwijlde spoed meebrengen dat een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de voorzieningenrechter in de afweging van de belangen van partijen mede moet betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.
4.9.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het belang om betaling te verkrijgen een algemeen belang is dat inherent is aan het hebben van een geldvordering, maar dit maakt de vordering ten aanzien van de contractuele boete nog niet spoedeisend. Voor de toewijzing van de contractuele boete in kort geding heeft [verhuurder] onvoldoende gesteld terzake het spoedeisend belang. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat [verhuurder] onmiskenbaar een spoedeisend belang heeft bij betaling van de huurpenningen, omdat zij zelf ook vaste lasten heeft. Een contractuele boete is echter van een andere orde. Ter compensatie voor de vertraging in de betaling kan [verhuurder] bovendien al aanspraak maken op de wettelijke handelsrente. Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter deze vordering af.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.10.
In het lichaam van de dagvaarding wordt een bedrag van € 876,56 genoemd aan buitengerechtelijke incassokosten, terwijl in het petitum slechts € 775,88 gevorderd is. De voorzieningenrechter kan niet meer toewijzen dan gevorderd, zodat aan buitengerechtelijke incassokosten een bedrag van € 775,88 zal worden toegewezen.
4.11.
Voor toewijzing van de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over de buitengerechtelijke incassokosten bestaat geen grond, omdat de buitengerechtelijke incassokosten dienen te worden aangemerkt als vermogensschade (artikel 6:96 lid Pro 2, onder c, BW) en daarom geen (primaire) verplichting zijn tot betaling uit hoofde van een handelsovereenkomst. Gelet hierop zal slechts de gewone wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro worden toegewezen (vanaf de dag van dagvaarden).
Proceskosten
4.12.
[huurder] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verhuurder] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
125,57
- griffierecht
559,00
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.405,57
4.13.
De wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals in het dictum vermeld.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt [huurder] om het gehuurde, de bedrijfsruimte aan [adres] , binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [verhuurder] zijn, en de sleutels af te geven aan [verhuurder] ,
5.2.
veroordeelt [huurder] tot betaling aan [verhuurder] van de achterstallige huur tot en met mei 2026, groot € 8.017,50, en de lopende huurpenningen vanaf 1 juni 2026 tot aan de dag van de feitelijke ontruiming, groot € 1.336,25 per maand,
5.3.
veroordeelt [huurder] tot betaling aan [verhuurder] van de buitengerechtelijke incassokosten, groot € 775,88, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 28 april 2026 tot aan de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 1.405,57, te vermeerderen met de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,
5.5.
veroordeelt [huurder] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn betaald,
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.