ECLI:NL:RBLIM:2026:4989

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
C/03/342571 / HA ZA 25-261
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Etman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:174 lid 1 BWArt. 3:178 lid 3 BWArt. 1:94 BWArt. 1:100 BWArt. 6:10 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling ontbonden huwelijksgoederengemeenschap en draagplicht voor leningen

Partijen, gehuwd in gemeenschap van goederen, zijn gescheiden en kunnen het niet eens worden over de verdeling van de woning en de draagplicht voor leningen die tijdens het huwelijk zijn aangegaan. De woning is gezamenlijk eigendom en gefinancierd met een hypothecaire lening. De rechtbank stelt vast dat het Nederlandse recht van toepassing is en dat de huwelijksgemeenschap is ontbonden op de datum van het verzoek tot echtscheiding.

De rechtbank oordeelt dat de afgeloste leningen bij Santander niet tot regresvorderingen leiden omdat deze schulden op de peildatum niet meer bestonden. De nog bestaande leningen bij Freo en Santander behoren tot de huwelijksgemeenschap en partijen zijn ieder voor de helft draagplichtig. Het verweer dat deze schulden verknocht zijn aan één partij faalt omdat verknochtheid slechts in uitzonderlijke gevallen geldt en niet wordt aangenomen op basis van persoonlijke besteding of onbekendheid van de andere echtgenoot.

De rechtbank wijst de vordering tot toedeling van de woning aan [gedaagde] af omdat hij niet in staat is de woning over te nemen met de gezamenlijke draagplicht voor de leningen. De woning wordt daarom verkocht aan een derde en de overwaarde wordt gelijk verdeeld. [gedaagde] wordt veroordeeld mee te werken aan de verkoop, met dwangsom bij weigering. Proceskosten worden gecompenseerd en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De woning wordt verkocht aan een derde met gelijke verdeling van de overwaarde en partijen zijn ieder voor de helft draagplichtig voor de nog bestaande leningen.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/342571 / HA ZA 25-261
Vonnis van 27 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. P.J.C. Bolton,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M. van Riet.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding met producties 1 tot en met 5
  • de conclusie van antwoord met producties 1 en 2
  • het B3-formulier met productie 3 van [gedaagde]
  • het B3-formulier met productie 6 van [eiser]
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 12 november 2025
  • de akte overleggen producties 7 tot en met 10 tevens wijziging eis en uitlating partij van [eiser]
  • de antwoordakte uitlating partij en overleggen productie 3 van [gedaagde]
  • de akte uitlating van [eiser] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] en [gedaagde] , die allebei geboren zijn in Irak, zijn op [datum 1] 2002 te Brunssum gehuwd zonder huwelijkse voorwaarden op te maken. [eiser] had toen de Iraakse nationaliteit. [1] Ze wonen sinds 2002 samen in Nederland. Inmiddels heeft ook
[eiser] de Nederlandse nationaliteit. Gedurende het huwelijk is hun - thans meerderjarige - zoon geboren.
2.2.
[eiser] en [gedaagde] zijn samen, ieder voor de helft, eigenaar van de woning aan [adres] (hierna: de woning). De aankoop van de woning is gefinancierd met een hypothecaire geldlening verstrekt door Syntrus Achmea Hypotheken, die op 31 december 2024 nog € 72.017,00 bedroeg.
2.3.
Omstreeks 22/24 augustus 2022 heeft [eiser] de woning verlaten. De zoon van partijen is bij [gedaagde] in de woning blijven wonen.
2.4.
Sinds 22 augustus 2022 betaalt [gedaagde] alle eigenaarslasten van de woning.
2.5.
Bij beschikking van [datum 2] 2023 [2] heeft de rechtbank Limburg, Familie en jeugd, zittingsplaats Maastricht, geoordeeld dat op grond van artikel 4 aanhef Pro, lid 2, van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 het Nederlandse recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime. Verder heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bevolen ten overstaan van een notaris over te gaan tot de verdeling van hun gemeenschap. [3] De echtscheiding is op [datum 3] 2024 ingeschreven in de burgerlijke stand van de gemeente Brunssum. [4]
2.6.
Bij e-mailbericht van 22 januari 2025 heeft [gedaagde] - kort gezegd - via zijn advocaat aan [eiser] laten weten met de zoon van partijen in de woning te willen blijven wonen en te zullen onderzoeken wat de financiële mogelijkheden daartoe zijn. Ook stelt hij vragen over leningen: “Verder zijn er twee leningen, bij Santander en Freo die uw cliënte destijds heeft afgesloten om haar studie te bekostigen. Ik verwijs hierbij ook naar mijn bericht aan u van 4 juni 2024. Mijn cliënt heeft geen overzichten van de leningen en het openstaande saldo. Lost uw cliënte deze nog af en kan zij deze op haar naam zetten? Deze kredieten zouden problematisch kunnen zijn bij de wens tot overname van de woning. Cliënt benadrukt dat hij pas gedurende de echtscheiding heeft vernomen dat deze kredieten zijn aangegaan en dat hij het niet terecht zou vinden als hij daardoor financieel benadeeld wordt.” [5]

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - na wijziging van eis - dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. de (wijze van) verdeling van de ontbonden gemeenschap van goederen tussen partijen vaststelt aldus dat de woning aan [adres] aan [gedaagde] wordt toegedeeld onder de voorwaarde dat [gedaagde] in staat is de overname van de woning binnen twee maanden na datum vonnis te realiseren, onder de verplichting om voor zijn rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen de hypothecaire geldlening bij PVF Particuliere Hypothekenfonds waarbij [eiser] wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor wat betreft deze hypothecaire geldlening en [gedaagde] uiterlijk bij notariële afwikkeling een bedrag van
€ 32.500,- aan [eiser] voldoet en de notariskosten voor rekening komen van [gedaagde] ,
dan wel;
2. voor het geval [gedaagde] niet erin slaagt binnen twee maanden na datum van het in dezen te wijzen vonnis de woning aan zich toegedeeld te krijgen, [eiser] te machtigen tot het te gelde maken van het onroerend goed in kwestie en om haar daarin te machtigen om alles te doen wat noodzakelijk is voor de verkoop, te weten ook de makelaarskeuze, bepaling van de verkoopstrategie, [gedaagde] te veroordelen tot medewerking aan bezichtigingen en dergelijke en daarbij te bepalen dat het te wijzen vonnis in de plaats komt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van [gedaagde] voor het in de verkoop geven van de woning bij een makelaar en te bepalen dat het ten dezen te wijzen vonnis in de plaats komt van de voor de eigendomsoverdracht en levering van de woning noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van [gedaagde] , op straffe van een dwangsom van € 500,- per keer met een maximum van € 15.000,- dat [gedaagde] zijn medewerking aan enige handeling die met de verkoop verband houdt niet verleent;
3. te bepalen dat de tijdens het huwelijk door partijen afgesloten leningen bij Freo en Santander behoren tot de huwelijksgoederengemeenschap in dier voege;
dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de uit deze leningen voortvloeiende schulden, ongeacht door wie de aflossingen feitelijk zijn verricht;
dat, voor zover [eiser] meer dan haar aandeel in deze gemeenschapsschulden heeft voldaan, zij ter zake een regresvordering heeft op [gedaagde] ter grootte van de helft van de door haar betaalde aflossings- en rentebedragen;
dat [gedaagde] wordt veroordeeld om genoemde regresvordering aan [eiser] te voldoen, berekend tot en met de datum van algehele voldoening, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift, althans vanaf de datum waarop ieder afzonderlijk bedrag door [eiser] is voldaan;
althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie vermeent te
behoren.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Kern van het geschil
4.1.
[eiser] en [gedaagde] hebben geen overeenstemming kunnen bereiken over de (wijze van) verdeling van de voormalige echtelijke woning. Ook verschillen zij van mening wie draagplichtig is voor de schulden die zijn voortgevloeid uit twee leningen bij Freo respectievelijk Santander die tijdens het huwelijk zijn aangegaan, en of [eiser] een regresvordering heeft op [gedaagde] vanwege deze schulden.
Juridische uitgangspunten
4.2.
De rechtbank is met partijen van oordeel dat het Nederlandse recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen.
4.3.
De rechtbank merkt op dat de rechter die de verdeling vaststelt, enige mate van vrijheid geniet, niet is gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd en niet expliciet behoeft in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren.
4.4.
Partijen zijn gehuwd in wettelijke gemeenschap van goederen, zoals bedoeld in
art. 1:94 BW Pro zoals dat luidde ten tijde van het sluiten van het huwelijk zoals dat gold voor
1 januari 2018. Bij haar beoordeling stelt de rechtbank voorop dat de gedurende het huwelijk tussen partijen bestaande wettelijke gemeenschap in beginsel meebrengt dat die gemeenschap op grond van art. 1:94 BW Pro (tekst tot 1 januari 2018) alle bij aanvang aanwezige of nadien - tot het moment van ontbinding - verkregen goederen en alle op het moment van ontbinding aanwezige schulden van de echtgenoten omvat, ongeacht door wie ze zijn verkregen of door wie ze zijn aangegaan. Bij de verdeling van de ontbonden gemeenschap hebben partijen op grond van het bepaalde in art. 1:100 BW Pro (oud) in beginsel een gelijk aandeel in die ontbonden gemeenschap. Van deze hoofdregel kan slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden worden afgeweken.
4.5.
De huwelijksgemeenschap wordt van rechtswege ontbonden op het tijdstip van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. [6] In deze zaak is het verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank ingediend op 4 oktober 2022, zodat per die datum de huwelijksgemeenschap van partijen ontbonden is. Deze datum geldt als peildatum voor de omvang en samenstelling van de huwelijksgemeenschap.
Standpunt [eiser]
4.6.
[eiser] wil uit de onverdeeldheid geraken. Zij wil de woning niet overnemen. [7] Zij wil ontslagen worden uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. Zij vordert dat de woning aan [gedaagde] wordt toegedeeld tegen een marktwaarde van € 215.000,00 in bewoonde staat. Op die waarde strekt in mindering de aan de woning gekoppelde hypotheekschuld van € 150.000,00. De overwaarde bedraagt dus € 65.000,00. De helft daarvan, € 32.500,00, zal [gedaagde] aan haar moeten betalen. Indien [gedaagde] niet meewerkt aan de overname van de woning of indien de bank niet bereid is [eiser] uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld te ontslaan, moet de woning aan een derde te worden verkocht. [eiser] vordert in dat geval een machtiging om de woning te gelde maken ex art. 3:174 BW Pro.
Standpunt [gedaagde]
4.7.
[gedaagde] wil graag in de woning blijven wonen. De hypotheekschuld bij Syntrus Achmea Hypotheken bedroeg per 8 januari 2025 [de rechtbank begrijpt 31 december 2024] [8] € 72.017,00. [gedaagde] wil dat een taxateur de woning op een reële waarde taxeert. Hij kan op dit moment de woning niet overnemen, omdat [eiser] , zonder dat hij er van wist, tijdens het huwelijk ook op zijn naam leningen is aangegaan ten behoeve van haar studie en/of persoonlijke uitgaven. Het gaat om vier leningen, waarvan er twee volgens de registratie van Stichting BKR afgelost zijn:
- Afgeloste schuld bij Santander € 10.858,00.
Het betrof een aflopend krediet dat is aangegaan in januari 2020 en dat
in september 2020 is afgelost.
- Afgeloste schuld bij Santander € 22.194,00.
Het betrof een aflopend krediet dat is aangegaan in juli 2020 en dat in september 2020 is afgelost.
De kredieten die (per 10 juni 2025) nog niet zijn afgelost betreffen:
- Krediet bij Freo € 50.867,00.
Het betreft een aflopend krediet dat is aangegaan in september 2019 met als verwachte einddatum 28 september 2029. [gedaagde] heeft vernomen dat
[eiser] hierop aflost.
- Krediet bij Santander € 42.168,00.
Het betreft een aflopend krediet dat is aangegaan in augustus 2020. [gedaagde] heeft vernomen dat [eiser] hierop aflost. De verwachte einddatum is
1 september 2030.
In de echtscheidingsprocedure heeft [eiser] kenbaar gemaakt dat zij zou zorgdragen voor de aflossing van deze leningen. Omdat de leningen nog niet volledig afgelost zijn, is toedeling van de woning aan hem en ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening, zoals [eiser] primair vordert, nu niet mogelijk.
Oordeel van de rechtbank
4.8.
De rechtbank zal eerst ingaan op de discussie van partijen over de vier leningen die tijdens het huwelijk zijn aangegaan bij Freo respectievelijk Santander.
De afgeloste schulden
4.9.
[eiser] heeft gevorderd te bepalen dat “de tijdens het huwelijk afgesloten leningen bij Freo en Santander behoren tot de huwelijksgoederengemeenschap, dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn hiervoor en dat zij een regresvordering heeft op [gedaagde] voor zover zij meer dan haar aandeel betaald heeft.”.
4.10.
Het is de rechtbank niet duidelijk, gelet op de algemene formulering ‘de leningen’, of deze vorderingen ook betrekking hebben op de afgeloste schulden. Voor zover dat de bedoeling was van [eiser] , wijst de rechtbank deze vorderingen in relatie tot de afgeloste schulden bij Santander af. Uit het overzicht van Stichting BKR [9] van 10 juni 2025 blijkt dat de schulden bij Santander van € 10.858,00 en € 22.194,00 tijdens het huwelijk zijn aangegaan en ook tijdens het huwelijk, op 19 september 2020, zijn afgelost. Op de peildatum van 4 oktober 2022, het moment waarop de huwelijksgemeenschap is ontbonden, [10] bestonden deze schulden dus niet meer. Ook al heeft [eiser] tijdens het huwelijk deze twee schulden afgelost vanaf een rekening die alleen op haar naam stond, zoals zij stelt, dan heeft zij ter zake deze twee voormalige schulden geen regresvordering op [gedaagde] . Partijen waren immers in gemeenschap van goederen gehuwd. Dat betekent dat het saldo van haar bankrekening onderdeel was van de huwelijksgoederengemeenschap, waartoe zij ieder voor de helft gerechtigd waren.
De nog bestaande schulden bij Santander en Freo
4.11.
Over de lening bij Freo heeft [eiser] opgemerkt dat partijen deze lening op
18 september 2019 aangegaan zijn voor een bedrag van € 42.200,00. [11] Deze lening is volgens haar digitaal ondertekend door beide partijen. Op 14 november 2025 bedroeg het openstaande saldo bij Freo € 18.703,70. [12] Partijen zijn op 27 augustus 2020 een ‘overeenkomst persoonlijke lening’ bij Santander aangegaan ten bedrage van € 28.500,00. [13] Deze lening is door beide partijen ondertekend, zo stelt zij. Ondanks hiertoe te hebben verzocht, heeft zij geen actueel overzicht van de schuld bij Santander gekregen, aldus
[eiser] .
4.12.
[gedaagde] heeft als reactie aangevoerd dat het contract met Freo digitaal is ondertekend en dat correspondentie alleen met [eiser] is gevoerd. Uit niets blijkt dat hij in 2019 op de hoogte was van deze handelingen. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] zijn handtekening vervalst onder de overeenkomst met Santander in 2020, omdat hij daar zelf “
absoluut nooit” voor heeft getekend. In een e-mailbericht van 30 mei 2024 (productie 3) heeft [eiser] aan [gedaagde] uitleg gegeven over de leningen: “
(...) Er zijn twee leningen op beider namen welke echter geheel ten nutte van de vrouw haar studie zijn aangewend en zijn betaalt de aflossingen ook. (...)”.
Mocht de rechtbank tot het oordeel komen dat partijen wél beiden voor de twee schulden hebben getekend, dan voert [gedaagde] aan dat deze schulden verknocht zijn aan [eiser] en niet deel uitmaken van de huwelijksgemeenschap. [eiser] is deze schulden immers voor de financiering van haar studie is aangegaan, waar enkel zij profijt van heeft gehad.
Schulden: verknocht of deel van de huwelijksgoederengemeenschap?
4.13.
De rechtbank zal eerst ingaan op het verweer van [gedaagde] dat de nog bestaande schulden bij Santander en Freo aangemerkt moeten worden als verknochte schulden van
[eiser] , zodat deze schulden volledig voor haar rekening komen en regres op hem niet mogelijk is.
4.14.
De rechtbank verwijst naar rov. 4.4, waar - kort gezegd - is voorop gesteld ex
art. 1:94 lid 5 aanhef Pro BW (oud) dat de huwelijksgemeenschap in beginsel alle schulden van ieder van de echtgenoten omvat, ongeacht wie deze is aangegaan.
4.14.1.
Uit de wetsgeschiedenis van het huidige art. 1:94 BW Pro blijkt dat “de regeling omtrent verknochtheid, het huidige derde lid, ongewijzigd [is] opgenomen in het nieuwe vijfde lid.” (zie Kamerstukken II 2013/14, 33987, nr. 3, p. 16, MvT). De initiatiefnemers hebben geen inhoudelijke wijziging beoogd ten opzichte van het leerstuk zoals dat geldt bij de algehele gemeenschap van goederen, zodat ook de oudere jurisprudentie van de Hoge Raad relevant blijft.
4.14.2.
In de wetsgeschiedenis (zie Kamerstukken II 2014/15, 33987, 33987, nr. 10, p. 18 Nota n.a.v. het nader Verslag) staat verder dat “De gevallen waarin de verknochtheid van een goed of schuld wordt aangenomen en dat deze daarom buiten de gemeenschap van goederen blijft, zijn uitzonderlijk en zeker geen regel.” Hieruit blijkt dat van verknochtheid niet snel sprake zal zijn.
4.14.3.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat slechts in uitzonderlijke gevallen goederen en schulden op grond van bijzondere verknochtheid buiten de gemeenschap vallen. Het antwoord op de vragen of een goed dan wel een schuld op bijzondere wijze aan een van de echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed of de schuld in de huwelijksgemeenschap valt, hangt af van de aard van dat goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald.
Uit de rechtspraak blijkt dat het gaat om een objectief criterium. Deze objectieve maatstaf dient volgens de Hoge Raad de rechtszekerheid ten aanzien van de omvang van de huwelijksgemeenschap. Of echtgenoten zich persoonlijke verknocht of gehecht voelen aan bepaalde goederen doet er dus niet toe. Dat een schuld gevoelsmatig aan iemand is verbonden, is evenmin bepalend. Het feit dat de andere echtgenoot niet weet dat de andere echtgenoot (veel) schulden maakt, betekent niet dat die schulden daarom verknocht zijn. Het is in zijn algemeenheid niet zo dat schulden die zijn gemaakt door een andere echtgenoot aan hem verknocht zijn. Als uitgangspunt geldt immers juist dat alle schulden die de echtgenoten tijdens het huwelijk aangaan gemeenschapsschulden zijn.
4.15.
Gelet op het hiervoor weergegeven toetsingskader omtrent verknochtheid van schulden die in beginsel in een huwelijksgemeenschap vallen, faalt het verweer van [gedaagde] . Dat - zoals hij heeft aangevoerd - hij niet van deze schulden wist en dat het niet zijn handtekening is, is onvoldoende om aan te nemen dat de schulden om die reden aan
[eiser] verknocht zouden zijn. Dat, zoals [gedaagde] heeft aangevoerd, de leningen (enkel) gebruikt zijn voor de financiering van de studie van [eiser] , hetgeen [eiser] overigens betwist, maakt evenmin dat deze om die reden aan haar verknocht zouden zijn.
4.16.
Uit het voorgaande volgt dat de nog bestaande schulden bij Freo en Santander onderdeel zijn van de ontbonden huwelijksgemeenschap en dat beide partijen hiervoor ieder voor de helft draagplichtig zijn. Dit deel van het door [eiser] gevorderde zal dan ook bij eindvonnis worden toegewezen.
4.17.
Voor zover [eiser] na de peildatum afgelost heeft op deze gemeenschaps-schulden bij Freo en Santander, en zij voor zover zij meer dan haar aandeel in deze gemeenschapsschulden heeft voldaan, komt haar gelet op art. 6:10 BW Pro een regresvordering toe op [eiser] . [eiser] heeft echter niet toegelicht, laat staan met stukken onderbouwd, hoe hoog de schulden waren op de peildatum (4 oktober 2022) en welke bedragen (alleen) zij na de peildatum heeft betaald ter aflossing op de schulden bij Freo en Santander. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen dat zij meer dan haar aandeel in deze twee schulden heeft voldaan. Dit deel van de vordering zal worden afgewezen.
Uitstel verdeling woning?
4.18.
[gedaagde] is van mening is dat de vordering tot verdeling afgewezen moet worden zolang [eiser] de resterende twee schulden bij Freo en Santander niet heeft afgelost. Hij acht uitstel van verdeling gerechtvaardigd, omdat deze leningen buiten zijn medeweten zijn aangegaan en alleen [eiser] daarvan profijt heeft gehad. Door het bestaan van die leningen kan hij de woning nu niet overnemen. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] geen dringend belang om tot verdeling van de woning te geraken, anders dan ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te wensen. [gedaagde] doet een beroep doet op artikel 3:178 lid 3 BW Pro. [14]
4.19.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat de twee nog bestaande schulden niet aangemerkt kunnen worden als aan [eiser] verknochte schulden. De schulden vallen in de huwelijksgemeenschap. Tegen die achtergrond is de rechtbank van oordeel dat de feiten en omstandigheden die [gedaagde] heeft aangevoerd, en die [eiser] overigens betwist, ontoereikend zijn voor een beroep op artikel 3:178 lid 3 BW Pro. Dat betekent dat de vordering tot verdeling toewijsbaar is.
Wijze van verdeling van de woning
4.20.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat hij niet in staat is om de woning over te nemen als hij mede draagplichtig is voor de twee schulden. Omdat de rechtbank heeft geoordeeld dat partijen ieder voor de helft draagplicht zijn voor deze schulden bij Santander en Freo, zal de rechtbank de woning niet toedelen aan [gedaagde] zoals [eiser] gevorderd heeft. Vordering 1 wordt daarom afgewezen.
4.21.
Afwijzing van vordering 1 betekent dat verdeling van de woning zal moeten plaatsvinden via verkoop aan een derde, omdat [eiser] geen toedeling van de woning aan haar wenst.
Vorderingen machtiging te gelden maken van de woning en veroordeling medewerking [gedaagde] aan verkoop van de woning
4.22.
[eiser] vordert haar te machtigen de woning te gelde te maken als toedeling van de woning aan [gedaagde] niet mogelijk is. De rechtbank begrijpt dat zij een beroep doet op artikel 3:174 lid 1 BW Pro.
4.23.
[gedaagde] verzet zich hiertegen omdat hij en zijn zoon dan ernstig benadeeld worden. Hij acht een verkoop op de voet van artikel 3:174 lid 1 BW Pro niet redelijk en billijk. In het kader van de belangenafweging moet rekening gehouden worden met het feit dat
[eiser] vier leningen op eigen houtje afgesloten heeft en zij het geld gebruikt heeft voor louter persoonlijke doeleinden.
4.24.
Een machtiging tot te gelde maken van de woning is op grond van dit artikel alleen mogelijk als dat nodig is voor de voldoening van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld of om andere gewichtige redenen. [eiser] heeft niet aangevoerd dat tegeldemaking van de woning nodig is omdat een gemeenschapsschuld niet betaald wordt. Volgens de wetsgeschiedenis wordt niet als een gewichtige reden aangemerkt de noodzaak om tot een behoorlijke verdeling te geraken. De vordering onder 2 voor zover die gegrond is op artikel 3:174 lid 1 BW Pro zal de rechtbank afwijzen.
4.25.
Wel zal de rechtbank [gedaagde] veroordelen mee te werken aan verkoop van de woning. [eiser] vordert weliswaar (naast de afgewezen vordering machtiging te gelden maken) alleen veroordeling tot “medewerking aan bezichtigingen en dergelijke”, maar zoals in 4.3 is overwogen, heeft de rechtbank enige vrijheid waar het betreft de (uitleg van de) vorderingen. Dat geldt te meer nu [eiser] haar vorderingen besloten heeft met de zin “althans een zodanige beslissing te nemen als Uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren”.
4.26.
Ook zal de rechtbank bepalen, zoals gevorderd, dat als [gedaagde] niet meewerkt aan de verkoop van de woning, het vonnis in de plaats komt van de wilsverklaring van [gedaagde] die nodig is voor het aangaan van de bemiddelingsovereenkomst met de verkoopmakelaar, de koopovereenkomst en de levering van de woning. De rechtbank zal [gedaagde] verder veroordelen mee te werken aan het opvolgen van de verkoopadviezen van verkoopmakelaar, waaronder de adviezen ten aanzien van de te hanteren marktconforme vraag- en laatprijs, het biedingsproces en het te accepteren bod, en daarbij alle medewerking verlenen aan de werkzaamheden die nodig zijn voor een gunstig verkoopproces, waaronder bezichtigingen, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per keer met een maximum van € 10.000,00.
De proceskosten
4.27.
Omdat partijen in verleden gehuwd zijn geweest, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
stelt de wijze van verdeling van de ontbonden gemeenschap van goederen tussen partijen vast aldus dat de woning aan [adres] wordt verkocht aan een derde en bepaalt dat partijen voor een gelijk deel gerechtigd zijn in de overwaarde die resteert, nadat op de verkoopopbrengst de hypothecaire geldlening en de kosten die verband houden met de verkoop en de levering van de woning in mindering gebracht zijn;
5.2.
bepaalt dat:
  • [eiser] uiterlijk binnen twee weken na betekening van dit vonnis aan [gedaagde] een voorstel moet doen voor drie makelaars waaruit hij een verkoopmakelaar moet kiezen,
  • [gedaagde] uiterlijk twee weken daarna zijn keuze schriftelijk kenbaar moet maken aan [eiser] ,
  • Indien [gedaagde] nalaat binnen die termijn te reageren of geen keuze maakt,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om binnen vier weken na betekening van het vonnis mee te werken aan de verkoop van de woning, waaronder in ieder geval:
het aangaan van een schriftelijke bemiddelingsovereenkomst met een verkoopmakelaar,
het opvolgen van de verkoopadviezen van de te kiezen verkoopmakelaar, waaronder de adviezen ten aanzien van de te hanteren marktconforme vraag- en laatprijs, het biedingsproces en het te accepteren bod, en daarbij alle medewerking verlenen aan de werkzaamheden die nodig zijn voor een gunstig verkoopproces, waaronder bezichtigingen,
het ondertekenen van de schriftelijke verkoopovereenkomst, indien en voor zover de koopovereenkomst voor een woning als deze gebruikelijke condities bevat,
het ondertekenen van de leveringsakte,
5.4.
bepaalt dat, indien [gedaagde] niet tijdig voldoet aan hetgeen bepaald is in 5.3. onder a), c) en d), dit vonnis op de voet het bepaalde in artikel 3:300 lid 2 BW Pro in de plaats treedt van het deel van de schriftelijke bemiddelingsovereenkomst, de schriftelijke koopovereenkomst of de notariële akte van levering, waaruit moet blijken van de wilsverklaring van [gedaagde] dat hij opdracht geeft tot bemiddeling, de woning mede verkoopt respectievelijk de woning mede levert aan de koper;
5.5.
bepaalt dat als [gedaagde] na betekening van het vonnis geen medewerking verleent als bedoeld in 5.3. onder b) [gedaagde] een dwangsom verschuldigd is van € 250,00 per dag met een maximum van € 10.000,00;
5.6.
bepaalt dat de (nog bestaande) schuld uit hoofde van de geldlening bij Freo en de (nog bestaande) schuld uit hoofde van de geldlening bij Santander behoren tot de huwelijksgoederengemeenschap en bepaalt dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor deze schulden;
5.7.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.8.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Etman en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.

Voetnoten

1.productie 1 [gedaagde]
2.zaaknummer: C/03/309873 / FA RK 22-3686
3.productie 1 [eiser]
4.productie 1 [eiser]
5.productie 5 [eiser]
6.Art. 1:99 BW Pro.
7.Zie proces-verbaal van de mondelinge behandeling, pagina 3.
8.Zie productie 2 [gedaagde]
9.Productie 2 conclusie van antwoord.
10.Zie rov. 4.5.
11.Productie 7 akte overleggen producties tevens wijziging eis en uitlating partij.
12.Productie 10 akte overleggen producties tevens wijziging eis en uitlating partij.
13.Productie 8 akte overleggen producties tevens wijziging eis en uitlating partij.
14.Zie proces-verbaal van de mondelinge behandeling, pagina 3.