ECLI:NL:RBLIM:2026:5007

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
12187321 CV EXPL 26-1860
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Dohmen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 254 RvArt. 6:96 lid 2 sub c BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot ontruiming wegens onvoldoende bewijs huurachterstand

In deze kortgedingprocedure vordert de verhuurder ontruiming van een kamer wegens vermeende huurachterstand. De huurder betwist de achterstand en stelt de huur contant te hebben betaald, ondersteund door kwitanties en pintransacties. De verhuurder ontkent de betalingen en betwist de echtheid van de kwitanties.

De kantonrechter overweegt dat voor een ontruiming in kort geding vereist is dat met grote mate van zekerheid kan worden aangenomen dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst zal worden ontbonden wegens huurachterstand. Dit is niet het geval omdat de standpunten over de betaling lijnrecht tegenover elkaar staan en bewijs ontbreekt.

Ook is onduidelijk welke afspraken over betaling zijn gemaakt, aangezien de huurovereenkomst niet is overgelegd. De kantonrechter merkt op dat de verhuurder de enige is met toegang tot de brievenbus, wat de communicatie bemoeilijkt. De opzegging vermeldde geen huurachterstand als reden.

Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank de vorderingen van de verhuurder af en veroordeelt deze in de proceskosten. De huurder hoeft de kamer niet te ontruimen en de huurachterstand is niet bewezen.

Uitkomst: De vordering tot ontruiming en betaling van huurachterstand wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12187321 \ CV EXPL 26-1860
Vonnis in kort geding van 22 mei 2026
in de zaak van
[eisende partij],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. R.C. Breuls,
tegen
[gedaagde partij],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
gemachtigde: mr. B.H.A. Augustin.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- aanvullende productie zijdens [eisende partij]
- producties 1 t/m 3 zijdens [gedaagde partij]
- aanvullende producties zijdens [gedaagde partij]
- de mondelinge behandeling van 11 mei 2026
- de pleitnota van [gedaagde partij] .

2.De feiten

2.1.
[gedaagde partij] huurt met ingang van 19 oktober 2025 van [eisende partij] een kamer aan de [adres] . [eisende partij] woont zelf ook in het pand en verhuurt naast de kamer van [gedaagde partij] nog twee andere kamers. De verhuurde kamers hebben een gezamenlijke keuken, toilet en douche. De huur bedraagt € 475,00 per maand.
2.2.
[eisende partij] heeft op 10 december 2025 de huur opgezegd. [eisende partij] schrijft:
(…)
“Het gaat totaal niet werken zo, fantaseren, grote mond, het geeft alleen maar stress!
Vandaar de huuropzegging per 15 januari 2026.”
2.3.
[gedaagde partij] heeft per brief van 27 december 2025 bezwaar gemaakt tegen de opzegging en bij [eisende partij] aangegeven dat de reden van opzegging geen geldige reden is.
2.4.
Op 13 februari 2026 heeft [gedaagde partij] aangifte gedaan van intimidatie, bedreiging en agressie door [eisende partij] . Van de aangifte is een proces-verbaal opgemaakt.

3.Het geschil

3.1.
[eisende partij] vordert samengevat - zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bij wijze van voorlopige voorziening:
1. [gedaagde partij] te veroordelen te betalen:
a. een bedrag van € 2.850,00 ten titel van huurachterstand, te vermeerderen met een bedrag van € 475,00 voor iedere ingegane maand die [gedaagde partij] na 1 mei 2026 in het onderhavige gehuurde zal blijven, althans niet geheel ontruimd en onder afgifte der sleutels ter algehele en vrije beschikking van [eisende partij] heeft gesteld;
b. het onder a genoemde bedrag te vermeerderen met wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro, per verschuldigde maand met ingang van de eerste dag van die maand, althans vanaf de dag van sommatie, althans de dag der dagvaarding;
c. de zijdens [eisende partij] gemaakte redelijke buitengerechtelijke kosten ex artikel 6:96 lid 2 sub c BW Pro, welke kosten € 410,00 bedragen;
2.
Primair[gedaagde partij] te veroordelen om het gehuurde te ontruimen en
subsidiairom de ontruiming voorwaardelijk uit te spreken voor het geval dat de huurachterstand niet alsnog wordt afgelost binnen een bepaalde termijn of een nieuwe huurachterstand ontstaat;
3. [gedaagde partij] te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
[eisende partij] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde partij] huurt met ingang van 19 oktober 2025 een kamer. Voor de 11 dagen die [gedaagde partij] in oktober 2025 de kamer huurde is afgesproken dat [gedaagde partij] daarvoor geen huur verschuldigd is maar vanaf november 2025 moet [gedaagde partij] € 475,00 per maand betalen. [gedaagde partij] heeft in het geheel geen huur betaald. [gedaagde partij] schiet daarmee tekort in de nakoming van de huurovereenkomst. [gedaagde partij] moet daarom de ontstane achterstand betalen en het gehuurde ontruimen.
3.3.
[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] voert aan dat hij de huur op verzoek van [eisende partij] contant heeft betaald. In eerste instantie door de huur persoonlijk aan [eisende partij] te overhandigen, later door de huur in een enveloppe in de afgesloten brievenbus van [eisende partij] , waarvan ook alleen [eisende partij] de sleutel heeft, te stoppen. [gedaagde partij] ontving van de betalingen in eerste instantie een kwitantie van [eisende partij] . In februari 2026 heeft [gedaagde partij] aangifte tegen [eisende partij] gedaan. Daarna heeft [gedaagde partij] de huur (nog steeds contant) betaald door die in de brievenbus te deponeren. Weliswaar heeft hij vanaf dat moment geen kwitantie meer ontvangen, maar kan door middel van pintransacties kan worden onderbouwd dat de huur betaald is. Omdat [gedaagde partij] de huur betaald heeft, is er geen sprake van een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst en moeten de vorderingen van [eisende partij] worden afgewezen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het spoedeisend belang bij de gevorderde ontruiming ligt besloten in de aard van de vordering.
4.2.
Voor toewijzing van een vordering tot ontruiming bij wijze van onmiddellijke voorziening in de zin van art. 254 Rv Pro is vereist dat met een grote mate van zekerheid kan worden aangenomen dat in een bodemprocedure de ontbinding van de huurovereenkomst zal worden uitgesproken. Een in kort geding bevolen ontruiming van woonruimte is een maatregel die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Om die reden moet van geval tot geval en met inachtneming van alle betrokken belangen worden beoordeeld of er voldoende (zwaarwegende) gronden zijn die toepassing van een dergelijke in de praktijk vaak definitieve maatregel rechtvaardigen. Gezien de ernst van de gevolgen voor de betrokken huurder(s) kan daarom een ontruiming bij wijze van onmiddellijke voorziening slechts worden uitgesproken, indien vast komt te staan dat (in dit geval) de huurachterstand van een zodanige aard en ernst is dat ontruiming op korte termijn noodzakelijk is en de uitkomst van de bodemrechter niet kan worden afgewacht.
4.3.
Naar het oordeel van de kantonrechter is voornoemde mate van zekerheid over de uitkomst van een eventuele bodemprocedure, gelet op het standpunt van [gedaagde partij] dat hij de huur volledig heeft betaald, thans niet aanwezig.
4.4.
[gedaagde partij] heeft aangevoerd dat [eisende partij] bij aanvang van de huur contante betaling heeft gevraagd. [gedaagde partij] heeft daarom telkens halverwege de maand, na ontvangst van zijn uitkering, contant betaald en in eerste instantie van deze betalingen een kwitantie ontvangen. Van de maanden oktober t/m december 2025 en januari 2026 heeft [gedaagde partij] kwitanties overgelegd. Vanaf februari 2026 heeft [gedaagde partij] geen kwitanties meer ontvangen. Volgens [gedaagde partij] is de reden daarvan gelegen in het feit dat [gedaagde partij] in februari aangifte tegen [eisende partij] heeft gedaan omdat [eisende partij] agressief was tegen [gedaagde partij] . Vanaf dat moment wilde [gedaagde partij] niet meer aanbellen bij [eisende partij] . Hij heeft toen besloten de huur contant te deponeren in de brievenbus. [gedaagde partij] heeft pintransacties overgelegd van de maanden januari t/m april 2026. Uit deze transacties blijkt volgens [gedaagde partij] dat hij telkens halverwege de maand bedragen heeft gepind die bij elkaar opgeteld ongeveer gelijk zijn aan het bedrag dat [gedaagde partij] aan huur moet betalen. Het feit dat de bedragen van maart en april uit telkens twee transacties bestaan heeft [gedaagde partij] ter zitting uitgelegd door te verklaren dat hij met zijn bankpas op zijn telefoon het geld pint maar er een limiet is gekoppeld aan deze transactie. Een tweede keer pinnen bij dezelfde automaat met zijn telefoon is niet mogelijk. Hij is daarom naar de woning gegaan, die om de hoek van de pinautomaat ligt, om zijn bankpas te halen en opnieuw te pinnen. Als [gedaagde partij] de huur daadwerkelijk niet betaald zou hebben dan had [eisende partij] dit wel aangevoerd als reden van de opzegging die [eisende partij] in december 2025 aan [gedaagde partij] stuurde. In deze correspondentie heeft [eisende partij] met geen woord gerept over het niet betalen van de huur.
4.5.
[eisende partij] heeft weersproken dat er contant betaald is door [gedaagde partij] en heeft ook betwist de kwitanties die [gedaagde partij] heeft overgelegd te hebben opgemaakt en te hebben ondertekend. [eisende partij] ontkent dat de handtekening op de kwitantie van hem is. Ter zitting heeft [eisende partij] verklaard twee maanden geleden [gedaagde partij] voor het eerst te hebben aangesproken over het niet betalen van de huur. [eisende partij] heeft verklaard toen de vriendin van [gedaagde partij] , terwijl zij aan het douchen was, te hebben aangesproken.
4.6.
De kantonrechter overweegt als volgt. Er is geen huurovereenkomst in het geding gebracht waardoor onduidelijk is welke afspraken partijen hebben gemaakt omtrent de manier en het moment van betalen. Dat komt in beginsel voor rekening van de verhuurder, in dit geval [eisende partij] . Weliswaar heeft [eisende partij] toegelicht dat hij de huurovereenkomst niet meer heeft omdat hij die heeft afgegeven aan [gedaagde partij] en niet meer heeft teruggekregen, maar dat is door [gedaagde partij] betwist. In dit kort geding kan niet worden vastgesteld wie gelijk heeft op dit punt.
De standpunten van partijen omtrent de betalingen staan eveneens lijnrecht tegenover elkaar. Ook staat vast dat één van partijen op dit punt liegt. Zonder bewijslevering kan echter ook hiervan niet worden vastgesteld welke partij op dit punt gelijk krijgt. Wel merkt de kantonrechter op dat [gedaagde partij] in dit kort geding niet méér kon doen dan kwitanties overleggen en pintransacties overleggen, zoals hij heeft gedaan.
4.7.
De kantonrechter hecht eraan om op te merken dat hij niet uitsluit dat [eisende partij] post, inclusief de dagvaarding in dit kort geding, heeft achtergehouden voor [gedaagde partij] . [gedaagde partij] stelt namelijk dat hij slechts per toeval op de hoogte is geraakt van dit kort geding. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat er slechts één brievenbus is voor alle bewoners en [eisende partij] samen en dat alleen [eisende partij] de sleutel voor die brievenbus heeft. [eisende partij] deelt daarna de post uit aan de geadresseerde. Volgens [eisende partij] heeft hij alle post, inclusief aanmaningen, tussen de deur en het kozijn van het gehuurde gestopt. [gedaagde partij] heeft ook dat betwist. De kantonrechter acht het op zijn zachtst gezegd bijzonder dat [eisende partij] de enige is die toegang heeft tot de brievenbus. Ook acht de kantonrechter het zeer onaannemelijk dat een dagvaarding met producties tussen de deur en het kozijn zou passen. Uiteindelijk is [gedaagde partij] ter zitting verschenen, zodat de kwestie van de dagvaarding zich (procesrechtelijk) heeft opgelost. De kantonrechter kan echter niet vaststellen dat de aanmaningen zijn verstuurd en [gedaagde partij] hebben bereikt. Daar komt bij dat in de brief van 10 december 2025 geen huurachterstand is genoemd als reden voor een opzegging. Als er sinds het begin van de huurovereenkomst geen enkele huur zou zijn betaald, had het voor de hand gelegen dat [eisende partij] dat had vermeld in de brief.
4.8.
De kantonrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat in dit kort geding niet met een voldoende mate van zekerheid aannemelijk is geworden dat [gedaagde partij] de huur niet heeft betaald en de huurovereenkomst in een bodemprocedure om die reden wordt ontbonden. De vorderingen [eisende partij] tot betaling van de huurachterstand en ontruiming van het gehuurde zullen daarom worden afgewezen.
4.9.
Nu onvoldoende aannemelijk is geworden dat er überhaupt sprake is van een huurachterstand zal de kantonrechter ook de subsidiaire vordering tot een voorwaardelijke ontruiming afwijzen.
4.10.
[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.009,00
5. De beslissing
De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eisende partij] af,
5.2.
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026.