ECLI:NL:RBLIM:2026:5090

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
11943394 \ CV EXPL 25-4379
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Otto
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:201 BWArt. 7:214 BWArt. 7:231 BWArt. 7:311 BWArt. 7:312 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terecht buitengerechtelijke ontbinding huurovereenkomst wegens onbevoegd gebruik en bewoning perceel

Provincie Limburg sloot met gedaagden een overeenkomst voor het gebruik van een perceel grond, bestemd voor agrarisch gebruik, tegen een jaarlijkse vergoeding. Gedaagden bouwden zonder toestemming opstallen en bewoonden het perceel permanent, ondanks ingebrekestellingen en sommaties. Provincie Limburg ontbond de overeenkomst buitengerechtelijk en vorderde ontruiming en kostenvergoeding.

Gedaagden betwistten de kwalificatie als huurovereenkomst en stelden dat het een pachtovereenkomst betrof, waarbij de bewoning en opstallen gedoogd zouden zijn. De rechtbank oordeelde dat de overeenkomst, ondanks de benaming, kwalificeert als huurovereenkomst omdat er geen sprake was van bedrijfsmatige landbouw, een vereiste voor pacht. De tekortkomingen van gedaagden rechtvaardigen de ontbinding.

De rechtbank veroordeelde gedaagden tot ontruiming binnen drie maanden na betekening, met een dwangsom bij niet-naleving. Tevens werden de buitengerechtelijke incassokosten, proceskosten en wettelijke rente toegewezen. De veroordeling werd hoofdelijk uitgesproken en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De huurovereenkomst is rechtsgeldig ontbonden en gedaagden zijn veroordeeld tot ontruiming, betaling van incassokosten, proceskosten en dwangsommen.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11943394 \ CV EXPL 25-4379
Vonnis van 27 mei 2026
in de zaak van
PROVINCIE LIMBURG,
te Maastricht,
eisende partij,
hierna te noemen: Provincie Limburg,
gemachtigde: mr. J. Engelmann,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

te [plaats 1] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. P.W. Switalska,
en

2.2. [gedaagde 2] ,

te [plaats 2] ,
gedaagde,
gemachtigde mr. McKernan,
hierna afzonderlijk en samen te noemen: [gedaagden] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord van [gedaagde 1]
- de conclusie van antwoord van [gedaagde 2]
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de machtiging van Provincie Limburg voor [naam 1] en [naam 2]
- de pleitnota van Provincie Limburg
- de mondelinge behandeling van 3 maart 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Tussen de Provincie Limburg, [gedaagden] is een overeenkomst gesloten
voor het gebruik van een perceel grond, kadastraal bekend als [het perceel]
(hierna: het perceel) tegen een vergoeding van € 225,00 per jaar. Het perceel is eigendom van de Provincie Limburg en meet 8.996 m2. Op de overeenkomst zijn de Bestemmingsregels [het perceel] van toepassing. De overeenkomst is ingegaan op 1 mei 2021 en eindigt op 31 december 2026.
2.2.
De overeenkomst is niet geregistreerd bij de Grondkamer.
2.3.
[gedaagden] zijn niet ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en oefenen geen bedrijfsmatige landbouw uit.
2.4.
[gedaagden] hebben opstallen op het perceel gebouwd en [gedaagde 1] bewoont het perceel permanent. Ondanks ingebrekestelling door Provincie Limburg van
17 oktober 2024 en sommaties door Provincie Limburg en de gemeente Eijsden-Margraten hebben [gedaagden] de opstallen tot op heden niet verwijderd en bewoont [gedaagde 1] het perceel nog steeds.
2.5.
Provincie Limburg heeft bij brief van 8 juli 2025 de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden en [gedaagden] verzocht om uiterlijk op 29 juli 2025 het perceel te ontruimen. Daar hebben [gedaagden] geen gehoor aan gegeven.

3.Het geschil

3.1.
Provincie Limburg vordert – samengevat – :
- een verklaring voor recht dat de tussen partijen gesloten overeenkomst kwalificeert als een huurovereenkomst, althans de procedure door te verwijzen naar de bevoegde rechter ingeval er sprake zou zijn van een pachtovereenkomst
- een verklaring voor recht dat de tussen partijen gesloten overeenkomst op 8 juli 2025 door de Provincie Limburg rechtsgeldig is ontbonden, althans deze overeenkomst te ontbinden per datum van dit vonnis
- veroordeling van [gedaagden] tot ontruiming van het perceel binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis op straffe van een dwangsom,
- hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten, de proces- en nakosten en de wettelijke rente daarover.
3.2.
Provincie Limburg legt aan de vordering ten grondslag dat sprake is van een huurovereenkomst waarbij [gedaagden] in hun verplichtingen als huurder zijn tekortgeschoten omdat zij zonder haar toestemming en in strijd met de bepalingen uit de overeenkomst opstallen op het perceel hebben gebouwd, het perceel niet onderhouden en onrechtmatig gebruik maken van belendende percelen. Verder bewoont [gedaagde 1] het perceel permanent. Ondanks sommaties zijn de opstallen niet verwijderd en bewoont [gedaagde 1] het perceel nog steeds permanent, aldus Provincie Limburg.
3.3.
[gedaagden] voeren elk afzonderlijk verweer. [gedaagde 1] betwist de vordering en stelt dat het geen huur maar een pachtovereenkomst is en de gebouwde opstallen en permanente bewoning gedoogd zijn. [gedaagde 2] erkent dat er geen sprake is van een pachtovereenkomst en betwist de overige vorderingen omdat hij niet aansprakelijk is voor de handelingen van [gedaagde 1] .
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

pacht of huur
4.1.
Volgens [gedaagde 1] is het geen huur- maar een pachtovereenkomst. Zij verwijst daartoe naar de bewoordingen van de overeenkomst “PACHTOVEREENKOMST” en uit de bepalingen in de overeenkomst die uitsluitend betrekking hebben op pacht. Verder verwijst zij naar het ontvangstbewijs van het door haar en [gedaagde 2] ingediende belangstellingsformulier waarop staat “Pachtuitgifte Formulier belangstellingsregistratie” en de correspondentie van Provincie Limburg. De relatie burger-overheid is hier van belang. Zij had te maken met een professionele partij die op de hoogte is van de wet- en regelgeving en zij mocht daarom redelijkerwijs verwachten om een perceel in pacht te krijgen. Provincie Limburg heeft een perceel ter beschikking gesteld waarop zij, tegen een jaarlijkse vergoeding, gerechtigd is om een voedselbos aan te planten en dieren te [naam 3] . Zij wil dat de uitleg van de overeenkomst geschiedt aan de hand van de Haviltex-maatstaf, aldus [gedaagde 1] .
4.2.
[gedaagde 2] voert aan dat, toen hij bij het project betrokken raakte, het doel niet was om dusdanige economische activiteiten te ontplooien waardoor er sprake zou zijn van bedrijfsmatige landbouw ex art. 7:312 BW Pro. Aangezien daar geen sprake van was is daarmee ook geen sprake van een pachtovereenkomst, aldus [gedaagde 2] .
4.3.
Provincie Limburg voert aan dat het perceel enkel de publiekrechtelijke bestemming “Agrarisch met waarde” heeft. Er was geen bedrijfsmatige uitoefening van landbouw op het perceel mogelijk. Die heeft ook niet plaatsgevonden waardoor er niet is voldaan aan het bepaalde in artt. 7:311 en 7:312 BW. Zij erkent dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld nu zij onterecht een modelovereenkomst “pacht” heeft gebruikt in plaats van het model “huur ongebouwde grond”. Hierdoor zijn partijen echter niet benadeeld omdat het nooit hun bedoeling was om bedrijfsmatige landbouw uit te oefenen. Zij persisteert bij haar stelling dat het geen pachtovereenkomst maar een huurovereenkomst is, aldus Provincie Limburg.
4.4.
De bestemming van het onderwerpelijke perceel grond is Agrarisch met geringe waarde, ook wel landbouwgrond van lage kwaliteit genoemd. Landbouwgrond is - kort gezegd - grond die wordt verstrekt ter uitoefening van de landbouw en die uitoefening moet
bedrijfsmatiggebeuren. De definitie van pacht en landbouwgrond staat in artt. 7:311 en 7:312 BW.
4.4.1.
Vast staat dat Provincie Limburg voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst aan [gedaagden] documentatie heeft verstrekt waarin ook de betekenis van de definities, waaronder pacht, staan vermeld. Dat staat ook in de van toepassing zijnde Uitvoeringsnota pacht 2021 (productie 20 Provincie Limburg en productie 3 [gedaagde 1] ). [gedaagden] hebben die informatie en het “Pachtuitgifte Formulier belangstellingsregistratie” en de daarbij behorende bijlagen ontvangen. Vervolgens hebben [gedaagden] voormeld formulier ingevuld en daarbij een brief (productie 2 [gedaagde 1] ) gevoegd. Uit die brief volgt dat het de bedoeling van [gedaagden] was om het perceel
hobbymatigen
niet bedrijfsmatigte gebruiken. De toekomstdroom van [gedaagden] was het kweken en oogsten van geneeskrachtige kruiden en het verwerken daarvan tot ambachtelijke producten naar principes van permacultuur. [gedaagden] hebben geen bedrijfsnaam in voormeld formulier vermeld en zich voor het sluiten- noch voor het uitbrengen van de dagvaarding in de onderwerpelijke procedure als ondernemer ingeschreven bij de Kamer van Koophandel.
4.4.2.
Alle voor het sluiten van de overeenkomst verstrekte en ontvangen informatie in samenhang bezien met de inhoud van het ingediende formulier en de begeleidende brief waarin de bedoelingen van [gedaagden] ten aanzien van het gebruik van het perceel staan vermeld, leidt tot het oordeel dat [gedaagden] wisten, althans hadden kunnen weten wat de vereisten/kwalificaties voor pacht waren voordat zij de overeenkomst sloten. Van belang hierbij is het bedrijfsmatig uitoefenen van landbouw op het perceel waaraan [gedaagden] tijdens de looptijd van de overeenkomst tot en met in elk geval de dagvaarding (ruim vijf jaar later) niet hebben voldaan.
4.4.3.
[gedaagde 1] heeft ter mondelinge behandeling erkend dat zij het perceel niet bedrijfsmatig exploiteert voor de uitoefening van landbouw maar dat dat wel in de toekomst de bedoeling is als de overeenkomst tussen partijen na 31 december 2026 zal worden voortgezet en dan zal er wel sprake zijn van pacht. Deze stelling en die van [gedaagde 1] , dat ook uit de begeleidende brief (productie 2 [gedaagde 1] ) duidelijk volgt dat er pas op lange termijn bedrijfsmatige activiteiten kunnen worden verricht aangezien de aard van het project en het feit dat de aanplant nu eenmaal tijd nodig heeft om te groeien en om fruit te dragen en er toe leidt dat de eerste pachttermijn een goede periode is om een basis te leggen voor
toekomstigekleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, kunnen [gedaagde 1] niet baten. Provincie Limburg heeft onvoldoende weersproken gesteld dat zij de overeenkomst, die in elk geval eindigt op 31 december 2026, op 8 juli 2025 buitengerechtelijk heeft ontbonden en er was en is geen sprake van een bedrijfsmatige uitoefening van landbouw op het perceel overeenkomstig het bepaalde in artt. 7:311 en 7:312 BW. Gelet op het door [gedaagde 2] gestelde (r.o. 4.2.) behoeven zijn stellingen met betrekking tot het kwalificeren van de overeenkomst geen verdere beoordeling meer.
4.4.4.
Met inachtneming van al het vorenoverwogene is de voorliggend overeenkomst weliswaar betiteld als pacht maar kwalificeert zij zich als een overeenkomst van huur. Dat betekent dat de gevorderde verklaring voor recht, dat de tussen partijen gesloten overeenkomst kwalificeert als een huurovereenkomst, zal worden toegewezen.
de tekortkoming(en) in de nakoming, ontbinding en dwangsom
4.5.
De huurovereenkomst ziet op een ongebouwde onroerende zaak en is gesloten met [gedaagden] als consumenten. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13/EEG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). De voor de vordering relevante bedingen zijn getoetst en niet oneerlijk bevonden.
4.6.
Het uitgangspunt is dat [gedaagden] zich als goed huurder moeten gedragen. Dit betekent dat [gedaagden] zich moeten [naam 3] aan hun verplichtingen uit de huurovereenkomst, de algemene voorwaarden en de wet. Indien [gedaagden] deze verplichtingen niet nakomen (een tekortkoming), kan dit reden zijn huurovereenkomst te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. [1]
4.7.
Volgens Provincie Limburg is sprake van meerdere tekortkomingen aangezien [gedaagden] zonder toestemming van Provincie Limburg opstallen (een tent, een schuilgelegenheid voor schapen en een overdekte opslag voor hooi) op het perceel hebben aangebracht en omdat [gedaagde 1] zonder haar toestemming het perceel permanent bewoont en daartoe een safaritent met daar in een vloer, isolatie, accu’s, omvormers, blussers en een koolmonoxidemeter heeft aangebracht.
4.7.1.
Zij heeft aan [gedaagde 1] noch aan [gedaagde 2] toestemming verleend om een schuilgelegenheid en opslagplaats op het perceel te bouwen en daartoe bij de uitgifte van de gronden onder de Uitvoeringsnota pacht 2021 in de standaardovereenkomst opgenomen dat het plaatsen van opstallen verboden is. Schending van dit verbod is een tekortkoming. Het perceel is grond met agrarische bestemming die niet voor bewoning geschikt is. Ook rust er geen bestemming bewoning op het perceel. Het maakt niet uit of bewoning permanent of tijdelijk is want hoedanook handelen [gedaagden] in strijd met het bepaalde in art. 7:214 BW Pro. Dat zij niet heeft gereageerd op de laatste mail van [gedaagde 1] ter zake leidt er niet zonder meer toe dat zij met die opstallen akkoord was. [gedaagden] hebben voor de opstallen geen omgevingsvergunning aangevraagd of verleend gekregen. Ondanks dat de gemeente de situatie, waaronder de permanente bewoning op het perceel door [gedaagde 1] , kennelijk heeft gedoogd, heeft de gemeente haar niet bij die beslissing betrokken en heeft zij de gemeente verzocht alsnog te handhaven. Het overleg en de correspondentie tussen de raadslieden van Provincie Limburg en die van [gedaagden] hebben niet tot enig resultaat geleid en ondanks sommaties zijn de opstallen niet verwijderd en woont [gedaagde 1] nog steeds permanent zonder recht of titel op het perceel. Omdat beiden geen gehoor hebben gegeven aan de meerdere sommaties heeft zij de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden. Zij vreest dat [gedaagden] na het eindigen van de overeenkomst de opstallen niet zullen verwijderen en [gedaagde 1] de permante bewoning zal voortzetten. Om die reden vordert zij een dwangsom, aldus Provincie Limburg.
4.8.
[gedaagde 1] voert aan dat zij na het verbreken van de relatie met [gedaagde 2] uit de woning van [gedaagde 2] is vertrokken en sindsdien op het perceel woont. Zij weet dat permanente bewoning niet is toegestaan maar beroept zich op het feit dat het een tijdelijk verblijf is omdat zij geen vervangende woonruimte heeft en daarom genoodzaakt is om op het perceel te blijven wonen. Vanwege haar noodsituatie heeft de Gemeente Eijsden-Margraten haar die bewoning gedoogd. In dat kader is het niet gerechtvaardigd dat Provincie Limburg zich rechtstreeks beroept op de publiekrechtelijke regels die door de gemeente zijn vastgesteld. Zij vindt dat er bij de belangenafweging rekening moet worden gehouden met haar woonbelang. Wat de opstallen betreft heeft zij met [gedaagde 2] bij de aanvraag duidelijk laten blijken dat er dieren op het perceel zouden worden gehouden en is het in dat kader niet vreemd dat er een schuilgelegenheid aanwezig is voor de dieren en de benodigdheden. [gedaagde 2] heeft aan de hand van de beleidsnotitie Veldschuren/ schuilgelegenheden 2012 uitgezocht welke de voorwaarden waren en op basis daarvan de schuilgelegenheid gemaakt. Zij hebben daarover contact gehad met dhr. [naam 1] en verder niets meer vernomen. Gelet daarop zijn zij er van uitgegaan en mocht zij er gerechtvaardigd op vertrouwen dat dat niet vergunningplichtig was en dat ook de Provincie de situatie heeft gedoogd omdat Provincie Limburg van de plaatsing op de hoogte was en tot 17 oktober 2024 nimmer heeft verzocht om het weg te halen. Er is dus sprake van rechtsverwerking en het handhaven van het verwijderen door Provincie Limburg is in strijd met de redelijkheid en de billijkheid. Thans heeft zij een vergunning aangevraagd.
4.9.
[gedaagde 2] voert aan dat hij niet verantwoordelijk is voor de gedragingen van [gedaagde 1] temeer niet nu er ten tijde van de relatie met [gedaagde 1] geen sprake was van bewoning door [gedaagde 1] op het perceel. Dat is iets tussen Provincie Limburg en [gedaagde 1] en in dat kader kan hij geen gehoor geven aan de sommaties tot ontruiming van Provincie Limburg. Ook heeft hij niet in strijd met een omgevingsvergunning gehandeld. De opstallen heeft hij in samenspraak met de Provincie Limburg en met [naam 3] van de gemeente Eijsden-Margraten geplaatst. Het betreft een schuilgelegenheid voor dieren zonder fundering of vloer en is conform de geldende beleidsregels geplaatst. Die tekortkomingen rechtvaardigen niet de ontbinding van de overeenkomst. [gedaagde 1] noch hij zijn er door de Provincie op geattendeerd dat zij een vergunning voor de schuilgelegenheid zouden moeten aanvragen. Volgens hem is het bepaalde in art. 7:231 BW Pro waarop Provincie Limburg haar buitengerechtelijke ontbinding op grondt niet de juiste juridische mogelijkheid om buitengerechtelijk te kunnen ontbinden en daarmee is er geen grondslag tot ontruiming. De aangetekende brief ter zake van 8 juli 2025 heeft hem niet bereikt en niet is gebleken dat er een afhaalbewijs aan zijn adres is achtergelaten. Uit de toegezonden stukken volgt enkel dat er tweemaal is gepoogd om de brief af te leveren maar dat dat niet is gelukt omdat niemand thuis was. Ook de gevorderde dwangsom treft hem niet omdat de tekortkomingen enkel [gedaagde 1] en niet hem kunnen worden toegerekend. Wat de buitengerechtelijke incassokosten betreft vindt hij dat deze niet toewijsbaar zijn omdat er geen sprake is van handelingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning en omdat hij al geruime tijd geen toegang meer heeft tot het perceel. Voor het geval de vordering toewijsbaar mocht worden geacht voert hij verweer tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring want hij zal bij een toewijzend vonnis in hoger beroep gaan, aldus [gedaagde 2] .
4.10.
[gedaagde 2] is naast [gedaagde 1] als contractant hoofdelijk (mede) aansprakelijk. Dat vloeit voort uit de overeenkomst en de wet. Dat [gedaagde 2] aanvoert dat hij al lang niets meer met [gedaagde 1] en het perceel heeft te maken kan hem niet baten. [gedaagde 2] had daartoe formeel in overleg kunnen treden met Provincie Limburg, teneinde zelf de overeenkomst op te zeggen (in ieder geval voor wat betreft zijn deelname daarin). Dat heeft hij echter nagelaten. De stellingen van [gedaagde 2] op grond waarvan hem de post, waaronder die van de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst door Provincie Limburg, niet allemaal heeft bereikt kan [gedaagde 2] evenmin baten, temeer niet nu die post [gedaagde 1] als mede contractant wel heeft bereikt.
4.11.
Zoals eerder is overwogen is de bestemming van het onderwerpelijke perceel agrarisch waarbij vaststaat dat er geen nuts- of andere voorzieningen op het perceel zijn aangesloten, dat er geen bewoning, tijdelijk noch permanent, op het perceel is toegestaan,
dat er geen opstallen op het perceel mogen worden gebouwd en dat [gedaagden] daarvoor geen toestemming aan Provincie Limburg hebben gevraagd noch hebben gekregen en geen omgevingsvergunning hebben aangevraagd, zijn tekortkomingen van [gedaagden] in hun verplichtingen als huurder en rechtvaardigen de ontbinding van de huurovereenkomst die Provincie Limburg op de juiste wijze buitengerechtelijk heeft gedaan. Dat [gedaagde 1] er van uit is gegaan dat het allemaal in orde was omdat zij tot oktober 2024 niets daarover heeft vernomen komt voor haar en voor [gedaagde 2] ’s rekening en risico en dat [gedaagde 1] thans wel een omgevingsvergunning heeft aangevraagd maakt dat niet anders. Aan een belangenafweging voor bewoning komt de kantonrechter niet toe aangezien het perceel geen bestemming bewoning heeft en er niet op het perceel mag worden gewoond. De stelling van [gedaagde 2] , dat Provincie Limburg niet op grond van art. 7:231 BW Pro de overeenkomst (buitengerechtelijk) mag ontbinden treft geen doel aangezien het een onjuiste interpretatie van voormeld artikel betreft. Het artikel is er juist op gericht om bij ongebouwde roerende zaken buitengerechtelijk te kunnen ontbinden. Al het voorgaande betekent dat voldoende in rechte vaststaat dat [gedaagden] zich niet als goed huurder hebben gedragen en dat de gevorderde verklaring voor recht ter zake de buitengerechtelijke ontbinding zal worden toegewezen.
4.12.
Op diezelfde gronden worden [gedaagden] vervolgens veroordeeld het gehuurde te ontruimen en te verlaten. De kantonrechter acht hiervoor een termijn van 3 (drie) maanden na betekening van het vonnis als een redelijke termijn om aan de veroordeling te voldoen. Gelet op het zich door [gedaagden] niets gelegen laten aan de sommaties van Provincie Limburg en de gemeente zal de kantonrechter de gevorderde dwangsom toewijzen en het totaalbedrag aan te verbeuren dwangsommen maximeren.
4.13.
Provincie Limburg vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagden] consumenten zijn (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Provincie Limburg heeft aan [gedaagden] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Provincie Limburg heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Omdat Provincie Limburg een van btw vrijgestelde prestatie heeft verricht, wordt de vergoeding verhoogd met btw. Daarom zal een bedrag van € 1.119,25 inclusief btw worden toegewezen. Ook zal de gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.
4.14.
[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Provincie Limburg worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
340,00
- salaris gemachtigde
434,00
(2 punten × € 217,00)
Totaal
919,45
4.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.16.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen. Verder zal de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring worden toegewezen omdat de overeenkomst in elk geval op 31 december 2026 eindigt en het belang van Provincie Limburg zwaarder weegt dat van [gedaagden] die zich niets aan de sommaties, ontbinding van de overeenkomst en wat dies meer zij gelegen laten.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat de tussen partijen gesloten overeenkomst met ingangsdatum 1 mei 2021, betreffende het in gebruik verstrekken van het perceel kadastraal bekend [het perceel] , kwalificeert als een huurovereenkomst in de zin van artikel 7:201 e.v. BW,
5.2.
verklaart voor recht dat de overeenkomst tussen partijen door Provincie Limburg rechtsgeldig is ontbonden per 8 juli 2025,
5.3.
veroordeelt [gedaagden] om binnen 3 maanden na betekening van dit vonnis het perceel, kadastraal bekend als [het perceel] , met al degenen die en al hetgeen zich daarin of daarop bevinden respectievelijk bevindt, volledig te verlaten en ontruimen conform de tussen partijen geldende overeenkomst en in behoorlijke staat achter te laten op straffe van een dwangsom van € 200,00 voor iedere dag of gedeelte van de dag dat [gedaagden] nalaten uitvoering aan deze veroordeling te geven met een maximum verbeurte van € 5.000,00,
5.4.
voordeelt [gedaagden] hoofdelijk, des de een betalend de ander zal zijn bevrijd, tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.119,25 inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de betekening van het vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening,
5.5.
voordeelt [gedaagden] hoofdelijk, des de een betalend de ander zal zijn bevrijd, tot betaling van de proceskosten van € 919,45, te vermeerderen met de wettelijke rente indien [gedaagden] de proceskosten niet binnen veertien dagen na dit vonnis hebben voldaan, tot aan de dag van de algehele voldoening,
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Otto en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.

Voetnoten

1.Artikel 6:265 BW Pro.