Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.De procedure
- de conclusie van antwoord in de hoofdzaak met producties 1 tot en met 18 van [gedaagde] ,
- de mondelinge behandeling van 25 maart 2026,
2.De feiten
€ 450.337 uitbetaald. Dat is dus € 106.735 te weinig.
16 december 2022, wordt gewijzigd i.v.m. een fictieve storting per medio boekjaar 2019, ter grootte van € 300.000,-- door de vennoot [eiser] .
bijlage 2) opgenomen geweest. Mijn cliënt deed zelf de boekhouding van de vof en maakte de jaarrekeningen. In de eerste maanden van elk jaar verstrekte hij onder persoonlijke toelichting daarvan de jaarrekening aan uw cliënt, en zond hij die (vanaf boekjaar 2017) aan diens boekhouder [boekhouder] te [plaats 3] , van wie de heer [naam 1] uw cliënts contactpersoon was. Bewijs van jaarlijkse verstrekking aan [boekhouder] (vanaf boekjaar 2017) gaat hierbij als
bijlage 3.
bijlage 4). Cliënt regelde de "KVK-formaliteiten" en per 16 december 2022 eindigde de vof en startte cliënts voortzetting van de activiteiten in de vorm van de [V.O.F.] .
bijlage 5).
bijlage 6).
bijlage 7), op welke e-mail cliënt nadien nooit meer wat heeft vernomen.
correctie rechtbank: 8 juni 2023] stuurde uw cliënt een handgeschreven brief aan cliënt (
bijlage 8), met het verzoek om "voor de laatste keer" met hem contact op te nemen teneinde hun geschil definitief op te lossen.
3.Het geschil
€ 213.315,- + p.m. aan [eiser] , zulks binnen veertien (14) dagen na het wijzen van dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf 1 januari van het opvolgende jaar betreffende het niet genoten winstaandeel en niet ontvangen rentevergoeding van het voorgaande jaar, althans vanaf 11 maart 2023, althans vanaf de dag der dagvaarding, althans vanaf een datum zoals de rechtbank geraden acht, tot en met de dag der algehele voldoening tegen behoorlijk bewijs van kwijting en voor de p.m. post [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;