Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
- het proces-verbaal van aangifte van [naam 1] van 24 april 2025, pagina’s 47 tot en met 52;
- het proces-verbaal van verhoor van de verdachte [medeverdachte] van 26 april 2025, pagina’s 221-230;
- de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd tijdens de zitting van 24 maart 2026.
tijdens de terechtzitting van 24 maart 2026als volgt:
kennisgeving van inbeslagnamevan 24 april 2025, pagina’s 120 en 121, staat – onder meer – het volgende vermeld:
proces-verbaal wapenbeschrijving van 12 juni 2025, pagina’s 132 tot en met 141, staat het volgende gerelateerd:
- het proces-verbaal van aangifte van [naam 2] van 26 februari 2024, pagina’s 15 tot en met 17;
- het proces-verbaal van bevindingen (uitlezen camerabeelden) van 27 februari 2024, pagina’s 39 tot en met 43;
- de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd tijdens de zitting van 24 maart 2026.
4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De straffen
vanaf6 weken; dat het wapen geladen was, is strafverzwarend. Daar komt nog de openlijke geweldpleging bij en de eendaadse samenloop van kort gezegd de poging tot diefstal met geweld in vereniging en de poging tot afpersing in vereniging. Een onvoorwaardelijke jeugddetentie van enkele maanden is daarmee het uitgangspunt.
7.De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte voor de bewezen verklaarde feiten tot een jeugddetentie van 180 dagen;
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat een gedeelte van de straf, groot 174 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd:
- stelt als bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen, dat hij:
- geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 77aa lid 3 Sr jo. artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
- voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- veroordeelt de verdachte voor de bewezen verklaarde feiten tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 180 uren;
- beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 90 dagen;
- wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij [naam 1] van een bedrag van 4.830,21 euro, bestaande uit 1.830,21 euro aan materiële schade en 3.000 euro aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 april 2025 over de immateriële schade en met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2026 over de materiële schade, tot aan de dag der algehele voldoening;
- veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor zover deze ziet op het meergevorderde aan verlies van arbeidsvermogen, te weten (6.391,26 euro – 1.420.28 euro) 4.970,98 euro, niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- wijst de vordering voor het overige af;
- legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van [naam 1] van een bedrag van 4.830,21 euro, bestaande uit 1.830,21 euro aan materiële schade en 3.000 euro aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 april 2025 over de immateriële schade en met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2026 over de materiële schade, tot aan de dag der algehele voldoening;
- bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, geen gijzeling zal worden toegepast;
- bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt;
- wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij [naam 2] van een bedrag van 749,23 euro, bestaande uit 149,23 aan euro materiële schade en 600 euro aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2024 over de immateriële schade en vanaf 22 mei 2026 over de materiële schade;
- veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- wijst de vordering voor het overige af;
- legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van [naam 2] van een bedrag van 749,23 euro, bestaande uit 149,23 euro aan materiële schade en 600 euro aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2024 over de immateriële schade en vanaf 22 mei 2026 over de materiële schade;
- bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, geen gijzeling kan worden toegepast;
- bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt;
- verklaart de benadeelde partij [naam 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot vergoeding van de schade;
- veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
mr. S.L.M. van Venrooij, rechters en allen kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Micheels en mr. P.A.H. Bohnen, griffiers, en uitgesproken ter openbare zitting van 22 mei 2026.