ECLI:NL:RBLIM:2026:5125

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
C/03/351158 HA ZA 26-127
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Koster-van der Linden
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 16 Wgbz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verbod en verwijdering pornografisch beeldmateriaal in kort geding

De man vordert in kort geding een verbod voor de vrouw om pornografisch beeldmateriaal van hem te verspreiden en een gebod tot verwijdering van dit materiaal. Partijen zijn voormalig gehuwd en hebben samen kinderen. Na beëindiging van hun relatie kwam de vrouw in bezit van het beeldmateriaal, dat zij zonder toestemming aan de zus van de man heeft gestuurd. De man vreest verdere verspreiding aan zijn huidige vrouw en schoonfamilie, mede vanwege een lopende erkenningsprocedure van hun dochter.

De vrouw erkent het bezit en het toesturen aan de zus, maar ontkent verdere verspreidingsdreiging en stelt het materiaal niet meer te bezitten. De voorzieningenrechter acht het aannemelijk dat de vrouw nog steeds over het materiaal beschikt, onder meer op basis van een telefoongesprek, getuigenverklaring en technische omstandigheden.

De rechtbank oordeelt dat het zonder toestemming bezitten en verspreiden van het materiaal onrechtmatig is en inbreuk maakt op het recht op privacy (artikel 8 EVRM Pro). De vorderingen tot verbod en verwijdering worden toegewezen, evenals een dwangsom bij overtreding. De vordering tot schriftelijke bevestiging en lijfsdwang worden afgewezen. De vrouw wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vrouw wordt verboden het pornografisch beeldmateriaal te verspreiden en wordt bevolen dit te verwijderen met oplegging van een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/351158 / KG ZA 26-127
Vonnis in kort geding van 26 mei 2026
in de zaak van
[de man],
wonende te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. N. Soro,
tegen
[de vrouw],
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. R.A.N.H. Theeuwen-Verkoeijen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 13 april 2026 met producties 1 tot en met 3;
- de door de man op 8 mei 2026 ingediende producties 4 tot en met 6;
- de mondelinge behandeling van 12 mei 2026 waarbij door de vrouw spreekaantekeningen zijn overgelegd en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn gehuwd geweest. Uit het huwelijk is in 2014 zoon [zoon] geboren.
2.2.
Het huwelijk van partijen is aanvankelijk ontbonden in 2019. Toen in 2022 bleek dat de echtscheidingsbeschikking niet in het daartoe bestemde register is ingeschreven, is het huwelijk van partijen bij beschikking van [datum] 2022 ontbonden, welke beschikking is ingeschreven in het register van de burgerlijke stand te Den Haag.
2.3.
Partijen hebben zich daarna kortstondig verzoend. Uit hun relatie is in 2024 dochter [dochter] geboren.
2.4.
Nadat de relatie tussen partijen verbroken was, is de vrouw in het bezit gekomen van intiem/ pornografisch beeldmateriaal van de man.
2.5.
De vrouw heeft het pornografisch beeldmateriaal zonder toestemming van de man aan de zus van de man verzonden.
2.6.
De man is in 2025 opnieuw in het huwelijk getreden.
2.7.
De man heeft aan de vrouw medegedeeld dat hij zijn dochter [dochter] wil erkennen. De vrouw heeft hier bezwaren tegen geuit, waarna de man een procedure hierover is opgestart bij deze rechtbank.
2.8.
Vanwege de aanhangige procedure over de erkenning van [dochter] , en omdat partijen in onmin leven, vreest de man dat de vrouw het pornografisch beeldmateriaal zal versturen aan zijn vrouw en schoonfamilie.
2.9.
De man heeft de vrouw bij brief van 26 januari 2026 gesommeerd te bevestigen dat zij het beeldmateriaal zal verwijderen.

3.Het geschil

3.1.
De man vordert - samengevat - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. de vrouw te verbieden om enig pornografisch beeldmateriaal van de man, in welke vorm dan ook, (verder) te verspreiden, te delen of aan derden ter beschikking te stellen;
II. de vrouw te gebieden om binnen 24 uur na betekening van het in dezen te wijzen vonnis al het pornografisch beeldmateriaal van de man, waaronder begrepen alle foto’s, video’s en eventuele kopieën daarvan te verwijderen c.q. te vernietigen van door haar gebruikte opslagmogelijkheden, en verwijderd c.q. vernietigd te houden;
III. de vrouw te gebieden om binnen 48 uur na betekening van het vonnis schriftelijk aan de advocaat van de man te bevestigen dat zij volledig aan het onder II bepaalde heeft voldaan, onder overlegging van een gespecificeerde en naar waarheid opgestelde verklaring dat zij geen kopieën van het beeldmateriaal meer onder zich heeft, noch daarover nog beschikking heeft;
IV. te bepalen dat de vrouw een dwangsom verbeurt van € 250,- voor iedere dag, of gedeelte daarvan, dat zij in strijd handelt met het onder I, II en III bepaalde, tot een maximum van € 2.000,-;
V. te bepalen dat, indien de onder IV bedoelde maximale dwangsom is verbeurd en de vrouw niettemin in gebreke blijft aan de veroordelingen onder I, II en II te voldoen, lijfsdwang zal worden toegepast, in die zin dat de vrouw in gijzeling kan worden genomen voor de duur van vijf dagen per overtreding, tot een maximum van 90 dagen;
VI. de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure.
3.2.
De man legt aan de vordering het volgende ten grondslag. De vrouw heeft pornografisch beeldmateriaal van de man in bezit en dreigt dit beeldmateriaal kenbaar te maken aan zijn vrouw en schoonfamilie als hij [dochter] wil erkennen. Omdat de vrouw dit beeldmateriaal al eerder aan de zus van de man toegestuurd heeft, vreest de man dat zij het verder zal verspreiden. De constante dreiging van verspreiding van het materiaal door de vrouw levert de man en zijn echtgenote veel spanning op.
3.3.
De vrouw voert verweer. Zij stelt per ongeluk aan het beeldmateriaal te zijn gekomen, maar er niet meer over te beschikken. Ze erkent het beeldmateriaal aan de zus van de man gestuurd te hebben, maar enkel op verzoek van de zus zelf en niet als pressiemiddel. De vrouw wilde aan de zus aantonen waarom ze van de man wilde scheiden omdat de zus bleef aandringen op een verzoening. De vrouw ontkent dat zij dreigt het materiaal te verspreiden onder de nieuwe vrouw van de man en haar familie.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat de man daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter oordeelt dat dit het geval is. De vrees van de man dat het pornografisch materiaal wordt verspreid is al eerder verwezenlijkt omdat vast staat dat de vrouw dit beeldmateriaal heeft doorgestuurd aan de zus van de man. Hoewel dit al enige tijd geleden is heeft de vrouw volgens de man opnieuw gedreigd dit materiaal aan zijn huidige vrouw te versturen en onder haar familie te verspreiden toen de man aangaf dat hij [dochter] wilde erkennen. De man heeft hiermee zijn spoedeisend belang voldoende gesteld.
Verbod verspreiding en gebod verwijdering beeldmateriaal
4.2.
De man vordert onder I kort samengevat om de vrouw te verbieden het pornografisch beeldmateriaal van de man te verspreiden. Onder II vordert de man kort samengevat om de vrouw te gebieden dit beeldmateriaal te verwijderen. Volgens de man maakt de vrouw een ernstige inbreuk op zijn recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 8 EVRM Pro en handelt zij hiermee onrechtmatig door het pornografisch materiaal zonder zijn toestemming in haar bezit te hebben én door te dreigen dit verder te verspreiden. Hij stelt dat hij de vrouw bij brief van 26 januari 2026 gesommeerd heeft om hem binnen 3 dagen te bevestigen dat zij de foto’s en video’s en alle kopieën van het pornografisch beeldmateriaal van de man heeft verwijderd. Dit heeft de vrouw niet bevestigd.
4.3.
De vrouw betwist dat de man een rechtmatig belang heeft bij zijn vorderingen. De vrouw erkent in bezit te zijn geweest van het pornografisch beeldmateriaal. Ook erkent de vrouw dit materiaal aan de zus van de man gestuurd te hebben Ze stelt dat ze dit op verzoek van de zus van de man heeft gedaan. De vrouw stelt dat de zus de scheiding niet accepteerde en aandrong op verzoening. Zij heeft het beeldmateriaal aan de zus gestuurd om aan te tonen dat de reden waarom zij wilde scheiden echt waar was, namelijk dat de man video-opnames van hem met een andere vrouw had gemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling gaf de vrouw toe dat zij er problemen mee heeft dat de man [dochter] wil erkennen, maar dat zij de man niet chanteert met het pornografisch beeldmateriaal. Zij voert aan dat ze nooit gedreigd heeft het beeldmateriaal verder te verspreiden bij zijn (schoon)familie. Ze stelt dat het beeldmateriaal op haar laptop stond, dat het beeldmateriaal per ongeluk met een mailbericht van de man was meegekomen en dat de man de laptop tijdens een ruzie kapot gegooid heeft. Sindsdien zou zij niet meer over het beeldmateriaal beschikken.
4.4.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat zowel het zonder toestemming beschikken over het pornografisch beeldmateriaal van de man als het verspreiden ervan in strijd is met het recht van de man op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 8 EVRM Pro en daarmee onrechtmatig is. De man heeft dan ook een rechtmatig belang bij een verbod tot verwijdering van het beeldmateriaal als voldoende aannemelijk is dat de vrouw inderdaad nog steeds beschikt over pornografisch beeldmateriaal. Ook heeft de man een rechtmatig belang bij een verbod tot verspreiding ervan als voldoende aannemelijk is dat er een reële dreiging is dat de vrouw het beeldmateriaal gaat verspreiden.
4.5.
De voorzieningenrechter vindt het voldoende aannemelijk dat de vrouw nog steeds beschikt over het beeldmateriaal. De voorzieningenrechter licht dat als volgt toe.
4.5.1.
Partijen hebben in januari 2026 een telefoongesprek gevoerd waarvan de man een transcriptie en een video-opname in het geding heeft gebracht. Dit gesprek gaat over het pornografisch beeldmateriaal, over hoe de vrouw daaraan is gekomen en of ze er nog steeds over beschikt.
Zo heeft de man het over ‘intieme gegevens’ die hij in een verborgen map had staan die beveiligd was en vraagt hij de vrouw hoe zij die map heeft geopend. Persoon 2 (de man) verklaart bij minuut 01:22 namelijk het volgende:

Dus stond dit op mijn telefoon? Nee, het stond niet zomaar op mijn telefoon. Ik laat dat soort dingen niet op mijn telefoon staan. Ik zette het in een verborgen map die beveiligd was met een wachtwoord en vingerafdruk. Hoe heb jij die geopend?”
Persoon 1 (de vrouw) verklaart hierop bij minuut 01:24:
“Met jouw hand? Hoe? Met jouw hand”.
De vrouw suggereert hier dat de man de map zelf heeft geopend.
Verder verklaart persoon 2 (de vrouw) bij 00:50 minuut:
“ Ik zweer dat ik geen andere kopieën heb. Toen ik het opende, vond ik ze in de prullenbak van Gmail, en ik zweer bij God dat er stond dat ze na dertig dagen verwijderd zouden worden”.
Waarna persoon 2 (de vrouw) bij 00:58 minuut verklaart:

En ik heb ze eruit gehaald en hersteld, ik heb ze opnieuw teruggezet. En daarna, toen ik… toen alles voorbij was…”.
De vrouw zegt hier dat ze het beeldmateriaal uit de prullenbak van Gmail heeft gehaald en heeft teruggezet.
Daaruit blijkt dat dat het beeldmateriaal niet is verwijderd en er nog steeds is.
4.5.2.
De vrouw stelt dat het beeldmateriaal alleen op haar laptop stond die door de man is vernield, maar de man betwist dat hij de laptop heeft vernield, waardoor dit niet vast staat. Bovendien is het aannemelijk dat zelfs bij vernieling van de laptop de gegevens niet verloren zijn gegaan, maar zich nog elders bevinden (op de harde schijf en/of in de cloud). Ook dit wijst erop dat de vrouw nog over het beeldmateriaal beschikt.
4.5.3.
Verder heeft de man een getuigenverklaring van zijn huidige echtgenote in het geding gebracht. Hierin verklaart de huidige echtgenote dat de nicht van de vrouw in 2026 telefonisch contact met haar heeft opgenomen en haar namens de vrouw heeft gevraagd of zij intiem beeldmateriaal van de man wilde zien en gesuggereerd dat dit beeldmateriaal verspreid kon worden onder de familie van de nieuwe echtgenote. Als het klopt wat de huidige echtgenote verklaart, wat de vrouw betwist, volgt ook hieruit dat de vrouw nog over het pornografisch beeldmateriaal beschikt.
4.6.
Met dit alles heeft de man voldoende aannemelijk gemaakt dat de vrouw nog beschikt over het pornografisch beeldmateriaal.
4.7.
De voorzieningenrechter vindt ook de dreiging dat de vrouw het beeldmateriaal opnieuw verspreidt voldoende aannemelijk. Dat de vrouw daartoe in staat is blijkt uit het feit dat de vrouw dit al eerder heeft gedaan door het beeldmateriaal aan de zus van de man te sturen. De vrouw stelt dit materiaal enkel op verzoek van de zus zelf gestuurd te hebben ter rechtvaardiging van de echtscheiding die zij wenste en om het aandringen van de zus op een verzoening te laten stoppen. De man betwist echter dat het materiaal in die context door de vrouw gestuurd is. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling de echtscheidingsakte van [datum] 2022 uit Egypte overgelegd. Uit de getuigenverklaring van de zus van de man blijkt dat de vrouw rond de jaarwisseling 2023/2024 het beeldmateriaal toestuurde, dus lang nadat de echtscheiding al tot stand was gekomen. De voorzieningenrechter komt de verklaring van de vrouw over de context van het toesturen van de beelden dan ook niet geloofwaardig voor. Het heeft er veel meer van weg dat de vrouw de man wilde beschadigen. Ook als de context wel zou kloppen, is er echter sprake geweest van een grove inbreuk op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de man.
Uit de verklaring van de huidige echtgenote van de man blijkt dat de vrouw recentelijk opnieuw heeft gedreigd met het verspreiden van het beeldmateriaal. Hoewel de vrouw de juistheid van deze verklaring betwist, maakt de man hiermee voldoende aannemelijk dat de dreiging nog steeds actueel is.
4.8.
De voorzieningenrechter wijst de vorderingen onder I en II om de vrouw te verbieden het pornografisch beeldmateriaal te verspreiden en te gebieden dit materiaal te verwijderen dan ook in zijn geheel toe.
Gebod schriftelijke bevestiging wordt afgewezen.
De vordering onder III dat de vrouw schriftelijk bevestigt aan de advocaat van de man dat ze het beeldmateriaal verwijderd heeft, wijst de voorzieningenrechter af wegens onvoldoende belang. De man heeft niet aannemelijk gemaakt welk belang hij heeft bij deze vordering.
Dwangsom wordt toegewezen
4.9.
De gevorderde dwangsom wordt eveneens toegewezen met dien verstande dat de dwangsom wordt opgelegd bij het door de vrouw in gebreke blijven te voldoen aan de veroordelingen onder I en II. De vrouw dient een financiële prikkel te hebben om aan dit vonnis te voldoen. Indien de vrouw de gegevens niet verder verspreid alsmede verwijderd (houdt) dan heeft zij van de dwangsom ook geen last.
Lijfsdwang wordt afgewezen
4.10.
De man heeft tot slot onder V lijfsdwang gevorderd indien en voor zover de maximale dwangsom is verbeurd en de vrouw alsnog niet nakomt. Het uitvoerbaar verklaren van een vonnis bij lijfsdwang is slechts mogelijk indien aannemelijk is dat toepassing van een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst zal bieden en het belang van de schuldeiser toepassing daarvan rechtvaardigt. Het is derhalve een laatste redmiddel. De voorzieningenrechter vindt het in deze zaak te ver gaan om dit toe te wijzen. De vrouw heeft het beeldmateriaal rond de jaarwisseling 2023/2024 voor het laatst verspreid. Dat is meer dan twee jaar geleden. De actuele dreiging berust nu op het feit dat zij tot zoiets in staat is en op de verklaring van de huidige echtgenote die wordt betwist. Dat is genoeg onderbouwing voor toewijzing van de vorderingen I, II en IV maar niet voor de toewijzing van de onder V gevorderde lijfsdwang.
De proceskosten
4.11.
Omdat de vrouw in het ongelijk gesteld is, wordt zij in de proceskosten veroordeeld. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding de proceskosten te compenseren nu deze kwestie niet gaat over de erkenning van [dochter] en het familierechtelijk aspect dus ontbreekt. De man stelt te hebben geprocedeerd op basis van een toevoeging. In artikel 16 Wgbz Pro is onder meer bepaald dat het tarief van het griffierecht voor onvermogenden wordt geheven, indien op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven een afschrift van een toevoeging is overgelegd (lid 1) of, indien het overleggen van een afschrift van een toevoeging door een partij (nog) niet mogelijk is, een afschrift van de toevoegingsaanvraag (lid 2). Omdat de toevoeging reeds verleend is, had de man een afschrift van de toevoeging dienen te overleggen. Nu de man dat nagelaten heeft, wordt uitgegaan van de reguliere tarieven.
De proceskosten van de man worden begroot op:
- kosten exploot € 153,02
- griffierecht € 341,00
- salaris gemachtigde € 1.177,00 (tarief kort geding handel)
- nakosten
€ 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
€ 1.860,02

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
verbiedt de vrouw enig pornografisch beeldmateriaal van de man, in welke vorm dan ook, (verder) te verspreiden, te delen of aan derden ter beschikking te stellen,
5.2.
gebiedt de vrouw binnen 24 uur na betekening van dit vonnis al het pornografisch beeldmateriaal van de man, waaronder begrepen alle foto’s, video’s en eventuele kopieën daarvan te verwijderen dan wel te vernietigen van door haar gebruikte opslagmogelijkheden en verwijderd/vernietigd te houden,
5.3.
bepaalt dat de vrouw een dwangsom verbeurt van € 250,0 voor iedere dag of dagdeel dat zij in strijd handelt met het onder 5.1. en 5.2. bepaalde, tot een maximum van
€ 2.000,-,
5.4.
veroordeelt de vrouw in de proceskosten van € 1.860,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de vrouw niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Koster-van der Linden en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026