ECLI:NL:RBLIM:2026:5231

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
11895734 / CV EXPL 25-4038
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Piëtte
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:5 lid 1 BWArt. 7:17 lid 1 en 2 BWArt. 7:18 lid 2 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Consumentenkoop tweedehands auto: deel herstelkosten toegewezen wegens non-conformiteit

Op 16 september 2024 kocht eiser een tweedehands Fiat 500 van gedaagde voor € 6.495,00 zonder afleverbeurt en garantie. Kort na aankoop trad een ernstig probleem op met het schakelmechanisme, waardoor de auto niet meer goed functioneerde. Eiser stelde gedaagde meerdere malen in gebreke en vorderde herstelkosten.

Gedaagde betwistte het gebrek en verwees naar mogelijke fouten bij vervanging van de distributieriem door een derde partij. De kantonrechter stelde vast dat het gebrek aan het schakelmechanisme en het lekke spruitstuk non-conformiteit opleveren, omdat deze binnen twaalf maanden na aflevering zijn geconstateerd en de auto niet voldeed aan de redelijke verwachtingen van een tweedehands auto van die leeftijd en prijs.

De vordering voor herstelkosten van € 3.023,02 werd toegewezen, evenals buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. De vordering voor de accu werd afgewezen omdat deze niet als gebrek kon worden aangemerkt en de tweede factuur voor het spruitstuk werd afgewezen wegens onduidelijkheid. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van herstelkosten en incassokosten wegens non-conformiteit van de tweedehands auto.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11895734 \ CV EXPL 25-4038
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
[eisende partij],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. S. Yadegari,
tegen
[gedaagde partij] H.O.D.N. [bedrijf],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
gemachtigde: mr. J.M.C. van Zandvoort-Groenen (DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V.).

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de nadere producties van [eisende partij]
- de mondelinge behandeling van 10 maart 2026
- de akte namens [eisende partij]
- de antwoordakte namens [gedaagde partij] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 16 september 2024 heeft [eisende partij] van [gedaagde partij] een tweedehands auto gekocht voor een bedrag van € 6.495,00. Het betrof een Fiat 500 van bouwjaar 2009, met [kenteken] en een kilometerstand van 137.652.
2.2.
Bij de aankoop heeft [eisende partij] afgezien van een (door [eisende partij] te betalen) afleverbeurt, waaraan drie maanden garantie zat gekoppeld.
2.3.
Daags na de aankoop heeft [eisende partij] een google-review geschreven over het garagebedrijf van [gedaagde partij] en daarin vermeld de distributieriem van de auto te hebben laten vervangen.
2.4.
Op 7 oktober 2024 heeft [eisende partij] naar [gedaagde partij] een e-mail gestuurd betreffende de auto met de volgende tekst.
“Beste [gedaagde partij] ,
Helaas hebben we binnen drie weken na de aankoop van onze Fiat 500 ( [kenteken] ) een probleem (gehad) met deze auto. Afgelopen zaterdag zijn mijn vrouw en dochter gestrand in [plaats 3] omdat de automaat/versnelling niet meer werkte. Zo was het bijvoorbeeld niet meer mogelijk de auto in de achteruit rij-stand te zetten. Ze zijn stapvoets naar de dichtstbijzijnde garage gereden en een monteur heeft daar gezegd dat waarschijnlijk de robot van het versnellingsbakmechanisme defect is. Dit probleem schijnt vaker voor te komen bij dit type auto. Ook deze monteur heeft het probleem geconstateerd.
Daarop is de auto met een bergingswagen naar [plaats 1] gebracht. Het merkwaardige is dat de auto op dat moment wel weer goed functioneerde. Ook vandaag bij het afleveren in [plaats 1] functioneerde de auto goed.
(…)
Wat kunt en wilt u doen om dit op te lossen?
(...)”
2.5.
Op 9 oktober 2024 stuurt [eisende partij] nogmaals een e-mail waarin hij stelt dat het inmiddels duidelijk is dat het probleem telkens terugkomt als de motor en versnellingsbak warm zijn en dat navraag heeft geleerd dat het of de schakelstangen of de robot is en dat het repareren een kostbare zaak zal worden.
2.6.
Daarop stuurt [gedaagde partij] diezelfde dag een reactie met de volgende tekst.
“U heeft de auto gekocht en afgezien van de aangeboden 3mnd garantie. Zie factuur ook heeft u proefgereden en daarbij is de auto goed bevonden.
Vervelend dat er iets hapert maar helaas kunnen wij niets voor u betekenen.”
2.7.
Op 16 november 2024 stuurt [eisende partij] aan [gedaagde partij] een brief met als onderwerp ‘ingebrekestelling gebrekkige auto’.
Hierin vermeldt hij de volgende gebreken:
  • ondeugdelijke versnellingsbak, binnen drie weken trad er een storing op waardoor de auto o.a. niet meer achteruit kon rijden
  • accu was nog maar van matige kwaliteit
  • spruitstuk was lek
[eisende partij] meldt de reparatiekosten ad € 3.023,02 en doet een schikkingsvoorstel.
2.8.
Bij e-mail van 23 november 2024 heeft [gedaagde partij] dit schikkingsvoorstel afgewezen. Volgens [gedaagde partij] had [eisende partij] bij hem terug moeten komen in plaats van de auto te laten repareren door een derde partij. Ook verwijst [gedaagde partij] naar het niet afnemen van een afleverbeurt bij aankoop. Ook heeft [gedaagde partij] zijn twijfel uitgesproken over de vervanging van de distributieriem daags na de aankoop door een derde partij. Volgens [gedaagde partij] zijn tijdens die werkzaamheden mogelijk fouten gemaakt.
2.9.
Bij brief van 26 december 2024 stuurt (de gemachtigde van) [eisende partij] wederom een ingebrekestellings- en sommatiebrief aan [gedaagde partij] . In deze brief worden voormelde gebreken herhaald en wordt [gedaagde partij] in gebreke gesteld, alsmede gesommeerd het bedrag van € 3.023,02 aan [eisende partij] te voldoen.
2.10.
[gedaagde partij] heeft geweigerd het bedrag aan [eisende partij] te betalen.

3.Het geschil

3.1.
[eisende partij] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde partij] tot
  • betaling van de herstelkosten ad € 3.023,02,
  • betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ad € 427,30, vermeerderd met de wettelijke (handels)rente vanaf 13 november 2024,
  • betaling van € 836,12, vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten ad € 125,42 en de wettelijke (handels)rente vanaf de datum van verschuldigdheid, althans vanaf de datum van sommatie,
  • betaling van de proceskosten.
3.2.
[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Vaststelling gebrek
4.1.
Volgens [eisende partij] vertoont de auto een gebrek. Dit zou door [autobedrijf] zijn vastgesteld. Volgens [eisende partij] vertoonde de auto (kort) na de aflevering, binnen drie weken na aankoop, onderweg in [plaats 3], al gebreken. De automaat/versnelling werkte niet naar behoren, waardoor (de partner van) [eisende partij] stapvoets naar een garage is gereden. Aanvankelijk leken deze problemen opgelost, maar later vertoonde de auto wederom dezelfde gebreken. Dit schrijft [eisende partij] ook in de e-mail van 9 oktober 2024.
[gedaagde partij] betwist het gebrek, nu geen goed diagnoserapport aanwezig is.
De kantonrechter verwijst naar de diagnosestelling van [autobedrijf] , waarin te lezen valt dat de auto niet meer gebruikt kon worden, omdat de auto niet meer schakelde. Weliswaar is deze diagnosestelling van vreemde datum (4 februari 2005), maar de kantonrechter gaat ervan uit dat dit een verschrijving is en 2025 moet zijn. Hoewel de diagnosestelling pas maanden later is opgesteld, is dit tezamen met de factuur van 12 november 2024 en tezamen met de correspondentie (e-mails en brieven van [eisende partij] ), mede gelet op de niet gemotiveerde betwisting, voldoende onderbouwing om het gebrek te kunnen vaststellen.
4.2.
De tussen partijen gesloten overeenkomst is een consumentenkoop in de zin van artikel 7:5 lid 1 aanhef Pro en onderdeel a BW, omdat [gedaagde partij] handelt in de uitoefening van een bedrijf en [eisende partij] een natuurlijk persoon is die met de aankoop van de auto niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf.
4.3.
Artikel 7:17 lid 1 BW Pro bepaalt dat de afgeleverde zaak aan de overeenkomst moet beantwoorden. Volgens het tweede lid van dat artikel beantwoordt een zaak niet aan de overeenkomst als deze niet de eigenschappen bezit die de koper, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, op grond van de overeenkomst mag verwachten. Wat de koper mag verwachten hangt ook af van het antwoord op de vragen of en in hoeverre de verkoper een mededelingsplicht heeft geschonden en of de koper onvoldoende onderzoek heeft gedaan. Dit alles gelet op alle omstandigheden van het geval. De overeenkomst is gesloten tussen een particulier ( [eisende partij] ) als koper en een professionele autohandelaar ( [gedaagde partij] ) als verkoper; geen gelijkwaardige partijen dus.
4.4.
Op grond van artikel 7:17 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) beantwoordt een zaak niet aan de overeenkomst als de zaak, mede gelet op de aard daarvan en de mededelingen die de verkoper daarover heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag onder meer verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen. Op grond van artikel 7:18 lid 2 BW Pro moet de zaak voorts geschikt zijn voor de doeleinden waarvoor zaken van hetzelfde type gewoonlijk worden gebruikt en de kenmerken bezitten die voor hetzelfde type zaken normaal zijn en die de koper redelijkerwijs mag verwachten gelet op de aard van de zaak.
Het schakelmechanisme
4.5.
Bij de koop van een tweedehandsauto is het evenwel niet zo dat elke onvolkomenheid daaraan maakt dat het gekochte niet aan de overeenkomst beantwoordt. De koper van een tweedehands auto zal, afhankelijk van ouderdom en prijs daarvan, tot op zekere hoogte rekening moeten houden met het bestaan van mankementen. Zolang die gebreken er niet aan in de weg staan dat met de auto op een veilige manier aan het verkeer kan worden deelgenomen, is van non-conformiteit in beginsel geen sprake, te meer nu partijen geen garantie zijn overeengekomen.
De kantonrechter is van oordeel dat ook van een auto van (destijds) 15 jaar oud die is gekocht voor een prijs van € 6.495,00 en een kilometerstand heeft van 137.652 mag worden verwacht dat er niet zo snel na aflevering sprake is van gebreken die ervoor zorgen dat er niet veilig naar huis gereden kan worden.
[gedaagde partij] had er op basis van de wet voor in moeten staan dat met de auto met normale snelheid veilig gereden kon worden, zonder autopech.
Het gebrek levert daarmee non-conformiteit op. Nu zich dit heeft geopenbaard binnen twaalf maanden na aflevering, wordt op grond van de wet vermoed dat dit gebrek reeds bij aflevering aanwezig was.
4.6.
Het is dan vervolgens aan de verkoper om te bewijzen dat het gebrek aan de auto nog niet bestond op het moment van aflevering van de auto. [gedaagde partij] heeft in dit kader geen tegenbewijs aangeboden. Het voornaamste verweer op dit punt dat [gedaagde partij] voert is dat er daags na aankoop aan de auto is gesleuteld (vervanging distributieriem) en dat daar mogelijk fouten zijn gemaakt waardoor het gebrek is ontstaan. [gedaagde partij] onderbouwt deze stelling echter niet, zodat de kantonrechter dat verweer zal passeren.
Daarmee staat vast dat de auto bij aflevering niet beantwoordde aan de overeenkomst. In elk geval niet voor wat betreft het schakelmechanisme.
4.7.
De kantonrechter merkt hierbij op dat [gedaagde partij] zelf de regie uit handen heeft gegeven door in de e-mail van 9 oktober 2024, als reactie op de klacht van [eisende partij] , te stellen dat hij niets voor [eisende partij] kan betekenen, nu hij geen garantie heeft bijgekocht.
Spruitstuk
4.8.
Volgens [eisende partij] is door [autobedrijf] tijdens de reparatie ontdekt dat de accu slecht was en het spruitstuk lek. [eisende partij] heeft dat in zijn brief van 16 november 2024 gemeld.
[gedaagde partij] voert als belangrijkste verweer aan dat dit niet is gemeld in de eerdere correspondentie.
De kantonrechter passeert ook dit verweer. Het lekke spruitstuk is eveneens binnen een jaar na aankoop ontdekt. [gedaagde partij] had toen al gezegd dat hij niets voor [eisende partij] kon betekenen, omdat [eisende partij] geen garantie had. Dat [eisende partij] dit mankement eerst had moeten melden, om [gedaagde partij] een kans tot herstel te geven, volgt de kantonrechter daarom niet.
Dat maakt dat ook dit mankement non-conformiteit oplevert, aldus een gebrek die reeds bij aflevering aanwezig was en die voor rekening van [gedaagde partij] dient te komen.
Accu
4.9.
Dat geldt echter niet ten aanzien van de accu. Deze accu is preventief verwijderd, omdat deze slecht werd. Kapot was de accu echter niet. [eisende partij] had mogen verwachten dat de accu (op termijn) vervangen moest worden. Dit maakt dat het gebrek niet als non-conform kan worden aangeduid. Dit deel van de vordering met betrekking tot de factuur van
9 juli 2025 zal daarom worden afgewezen.
De geldvorderingen
4.10.
De kantonrechter acht de vordering met betrekking tot de factuur van 12 november 2024 (€ 3.023,02) gelet op het vorenstaande toewijsbaar.
De reparatie van het spruitstuk staat op zowel de factuur van 12 november 2024 (factuur 1) als op de factuur van 9 juli 2025 (factuur 2). In de brieven van november en december 2024, worden de accu en spruitstuk als gebreken gemeld. Vervolgens wordt verwezen naar
factuur 1. Waarom er nog een tweede factuur is opgemaakt met betrekking tot het spuitstuk, heeft [eisende partij] niet duidelijk kunnen maken. Een duidelijke uitleg ontbreekt. Om die reden wordt de gehele vordering met betrekking tot factuur 2 (€ 836,00) afgewezen.
4.11.
Er wordt geen rente gevorderd over de hoofdsom van € 3.023,02, zodat de kantonrechter de hoofdsom niet zal vermeerderen met rente.
Buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten
4.12.
[eisende partij] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eisende partij] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eisende partij] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Omdat [eisende partij] geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met btw. Daarom zal een bedrag van € 427,30 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen. Omdat [eisende partij] niet heeft gesteld dat de schade (de buitengerechtelijke incassokosten) al eerder dan op de datum van de dagvaarding is geleden, zal de gevorderde rente worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.
Voor het overige wordt de vordering met betrekking tot de buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.
4.13.
[gedaagde partij] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eisende partij] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde partij] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
126,50
Totaal
722,50

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 3.023,02,
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 427,30 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 722,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.