ECLI:NL:RBLIM:2026:53

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
C/03/346941 / HA ZA 25-477
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • De Bruijn
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening verkoop en levering woning mede-eigendom

In deze zaak vordert eiser een voorlopige voorziening om gedaagde te dwingen mee te werken aan de verkoop en levering van een woning die in mede-eigendom is. Eiser wenst onder meer dat gedaagde medewerking verleent aan verkoop via een makelaar, bezichtigingen toestaat en de woning in goede staat houdt.

Gedaagde voert verweer dat de gevraagde voorziening onomkeerbaar is, feitelijk de hoofdzaak beslist, onvoldoende bepaalbaar is, een ongeoorloofde delegatie van rechtshandelingen inhoudt, inbreuk maakt op haar eigendomsrecht en dat er geen spoedeisend belang is.

De rechtbank overweegt dat een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv Pro een tijdelijke ordemaatregel is die geldt voor de duur van het geding. De gevraagde voorziening heeft echter een definitief karakter en kan niet slechts voor de duur van de procedure worden gegeven. Daarom wijst de rechtbank de vordering af.

De proceskosten in het incident worden gecompenseerd, ieder draagt zijn eigen kosten. De hoofdzaak blijft aan de rol staan voor verdere behandeling.

Uitkomst: De rechtbank wijst de gevorderde voorlopige voorziening af vanwege het definitieve karakter van de gevraagde maatregelen.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/346941 / HA ZA 25-477
Vonnis in incident (bij vervroeging) van 21 januari 2026
in de zaak van
[persoon 1],
te [plaats 1] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [persoon 1] ,
advocaat: mr. I.P. Sigmond,
tegen
[persoon 2],
te [plaats 2],
gedaagde partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [persoon 2] ,
advocaat: mr. S.C.H. Poelman.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding tevens houdende de incidentele vordering tot met producties 1 t/m 3,
- de incidentele conclusie van antwoord.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.Het geschil

in de hoofdzaak
2.1.
[persoon 1] wenst dat de rechtbank de wijze van verdeling vaststelt van de nog steeds aan partijen in mede-eigendom toebehorende onroerende zaak aan de [adres 2] te [plaats 2] (hierna: de woning). Tevens stelt [persoon 1] een regresvordering te hebben op [persoon 2] ter zake de aflossing van de hypothecaire lening. [persoon 1] vordert derhalve dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de verdeling zal bepalen van de mede-eigendom van het pand en hierbij zal bepalen dat op het aandeel van de vrouw in de overwaarde aan de man toekomt een bedrag van € 16.911,36 althans een in goede justitie te bepalen bedrag.
in het incident
2.2.
[persoon 1] vordert dat de rechtbank – bij wijze van voorlopige voorziening – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. [persoon 2] zal veroordelen om medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning middels tussenkomst van [makelaar] B.V. dan wel een door de rechtbank te benoemen makelaar, dit tegen de door de makelaar te adviseren vraag- en verkoopprijs;
2. Zal bepalen dat [persoon 2] de medewerker van makelaar dan wel van de door de rechtbank te benoemen makelaar in de gelegenheid stelt de woning te bezichtigen, foto’s te nemen en een omschrijving te maken voor op of in diverse websites of folders, een en ander te realiseren binnen dertig dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, zulks op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 250,00 per dag dat [persoon 2] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 10.000,00;
3. [persoon 2] zal veroordelen om er voor te zorgen dat de woning, tuin, ondergrond en overige toebehoren in behoorlijke staat en opgeruimd zijn op het moment dat de makelaar foto’s en een omschrijving komt maken, een en ander te realiseren binnen dertig dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, zulks op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 250,00 per dag dat [persoon 2] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van
€ 10.000,00;
4. Zal bepalen dat [persoon 2] potentiële kopers en de makelaar dient toe te laten voor
bezichtigingen, een en ander te realiseren binnen dertig dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, zulks op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 250,00 euro per dag dat [persoon 2] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 10.000,00;
5. Zal bepalen dat, indien [persoon 2] niet voldoet aan het hiervoor onder 1 bepaalde, dit vonnis in de plaats treedt van de wilsverklaring, medewerking en handtekening(en) van [persoon 2] die nodig is of zijn om de verkoopopdracht aan de makelaar te verstrekken, alsmede dat dit vonnis in de plaats komt van de voor de verkoopovereenkomst, eigendomsoverdracht/levering van de woning noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van [persoon 2] .
2.3.
Ter onderbouwing van zijn vordering stelt [persoon 1] dat [persoon 2] vanaf 2023 meermalen heeft gezegd dat zij het aandeel van [persoon 1] in de woning wilde overnemen, maar dat deze wens nooit is geconcretiseerd. [persoon 1] wil met de voorlopige voorziening bewerkstelligen dat [persoon 2] op korte termijn gaat meewerken aan de verkoop van de woning aan een derde.
2.4.
[persoon 2] voert verweer. Zij stelt – samengevat – dat de vorderingen van [persoon 1] zich niet lenen voor een voorlopige voorziening, nu deze onomkeerbaar zijn, feitelijk de hoofdzaak beslissen, onvoldoende bepaalbaar zijn, een ongeoorloofde delegatie van wezenlijke rechtshandelingen bevatten, een inbreuk vormen op het eigendomsrecht van [persoon 2] en een spoedeisend belang ontberen.

3.De beoordeling in het incident

3.1.
Op grond van artikel 223 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan tijdens een aanhangig geding iedere partij vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen. Deze voorlopige voorziening betreft een ordemaatregel, die geldt voor de duur van het geding, dat wil zeggen tot het moment waarop uitspraak in de hoofdzaak wordt gedaan. Hieruit volgt dat de voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv Pro naar haar aard een tijdelijk karakter heeft. De door [persoon 1] gevraagde voorziening – die neerkomt op verkoop en levering van de woning aan een derde voorafgaand aan een beslissing hierover in de hoofdzaak – heeft echter een definitief karakter en kan niet slechts voor de duur van de procedure worden gegeven. Alleen al om die reden is de vordering niet toewijsbaar.
3.2.
De rechtbank zal de kosten van dit incident tussen partijen, ex-partners, compenseren.

4.De beslissing

De rechtbank
in het incident
4.1.
wijst het gevorderde af,
4.2.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak
4.3.
verstaat dat de zaak reeds op de rol van
28 januari 2026staat voor conclusie van antwoord,
4.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. De Bruijn en in het openbaar uitgesproken.