Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:5317

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
03/133253-24
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 312 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen diefstal met geweld bij babbeltruc op hoogbejaard slachtoffer

Op 19 januari 2024 pleegde de verdachte samen met anderen een diefstal met geweld in de gemeente Peel en Maas. Zij voerden een babbeltruc uit waarbij een hoogbejaard slachtoffer werd opgelicht en beroofd van een kluis met geld en sieraden. Het slachtoffer werd daarbij hardhandig geduwd, wat letsel veroorzaakte.

De rechtbank achtte op basis van verklaringen van het slachtoffer, medeverdachten en medisch forensisch onderzoek wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte medepleegde aan deze diefstal met geweld. De verdachte ontkende het gebruik van geweld, maar zijn wisselende verklaringen en de verklaring van een medeverdachte overtuigden de rechtbank van het tegendeel.

De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de kwetsbaarheid van het slachtoffer, de gedragingen van de verdachte en zijn berouw. Tevens werd een schadevergoeding van €200 toegewezen voor de gestolen geldkist.

De rechtbank constateerde een schending van de redelijke termijn, maar verbond hieraan geen strafvermindering. De verdachte werd vrijgesproken van overige tenlastegelegde feiten die niet bewezen konden worden.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, wegens medeplegen diefstal met geweld bij babbeltruc op hoogbejaard slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer : 03/133253-24
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 29 mei 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 2001 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. L.M. van den Dungen, advocaat te Venlo.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 21 april 2026 en 29 mei 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de strafzaak tegen de volgende medeverdachten:
  • [naam 1] , met parketnummer 03/122430-24 (hierna: [naam 1] );
  • [naam 2] , met parketnummers 03-231949-24 en 03-153615-25 (hierna: [naam 2] );
  • [naam 3] , met parketnummer 03/122416-24 (hierna: [naam 3] ).
Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op de zitting van 29 mei 2026. Na sluiting heeft de rechtbank direct uitspraak gedaan.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er feitelijk weergegeven op neer dat de verdachte:
op 19 januari 2024, al dan niet samen met een ander, een kluis met geld en/of sieraden heeft gestolen, waarbij geweld is gepleegd tegen [slachtoffer] door haar hardhandig te duwen (
primair), dan wel dat hij, al dan niet samen met een ander, door zich valselijk voor te doen als medewerker van de politie die in opdracht van de bank iets kwam controleren, [slachtoffer] heeft opgelicht en zo sieraden en/of geld heeft verkregen (
subsidiair).

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de primair tenlastegelegde diefstal met geweldpleging in vereniging wettig en overtuigend bewezen.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde geweld, omdat wettig en overtuigend bewijs daarvoor ontbreekt.
3.3
Het oordeel van de rechtbank [1]
Bewijsmiddelen
[naam 4]deed aangifte namens
[slachtoffer]van
diefstal met geweldgepleegd op
19 januari 2024aan de [adres 2] te Panningen,
gemeente Peel en Maasen heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard: [2]
Op 19 januari 2024 vertelde mijn moeder, [slachtoffer] , mij dat haar kluis weg was. Zij vertelde tegen mij dat er een man was binnengekomen. Deze man stelde zich voor als van de politie. Er zou nog een collega buiten staan te wachten. De man was in normale kleding gekleed en niet in een politie-uniform. De man kwam iets controleren in opdracht van de bank. Hij moest van de bank foto's maken van de binnenkant van de kluis. Mijn moeder heeft op enig moment een black-out gehad. Ze werd vervolgens wakker in de stoel in de woonkamer.
Ik zag dat de kluis die normaal gesproken in de kamer naast de woonkamer staat weg was. Ik weet dat de kluis diverse sieraden bevatte en er zat ongeveer 300 euro contant geld in de kluis.
De bovenbuurvrouw constateerde dat mijn moeder een flinke bult op haar achterhoofd had en we zagen dat ze nog een flinke schram op haar linker onderarm had.
De
medische informatievan
Forensische Geneeskunde GGD Limburg-Noordover het
letselonderzoekvan
[slachtoffer]op
19 november 2024vermeldt onder meer dat [slachtoffer] een zwelling op het achterhoofd had en een krasverwonding op de linkerarm. [3]
De verdachteheeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard: [4]
U houdt mij voor dat ik wordt verdacht van een diefstal met geweld in vereniging gepleegd op 19 januari 2024. Ik was met [naam 3] en met de chauffeur. We waren aan het wachten op een meneer die de locaties doorgaf en die contact had met de slachtoffers. We waren onderweg vanaf Eindhoven naar Limburg. Ik ben uitgestapt in Panningen. Dat was bij een oud vrouwtje. Ik kreeg een belletje van tevoren en moest mij voordoen als belastingadviseur. Ik werd gebeld op Snapchat en daar kreeg ik te horen wat er verteld werd tegen die mevrouw, zodat ik hetzelfde tegen haar kon vertellen. De mevrouw deed na een paar minuten open. Ik zei dat ik belastinginspecteur was. Ze vertrouwde mij eerst niet, maar liet mij uiteindelijk toch binnen. Mevrouw was aan de lijn met de jongen die met haar aan het praten was. Ik kreeg de telefoon van mevrouw. Ik hoorde dat hij zei dat er iets moest zijn, een kist of zo. Ik zag een kistachtigs iets dat die mevrouw mij liet zien. Tegen de mevrouw werd gezegd om een pen of papier of zo te pakken in de woonkamer. Dat deed ze ook. Op dat moment pakte ik die kist en wilde zo snel als mogelijk wegrennen. Het was een kist of een kluis. Die mevrouw kwam echter terug. Ze viel. Ik heb die kist om de hoek achtergelaten. De chauffeur heeft mij opgehaald. We kregen een locatie door en kwamen bij elkaar. [naam 3] en de chauffeur van onze auto waren erbij. We hebben de kluis overgeladen in de BMW. Zij gingen de kluis openmaken en daarna zou het geld verdeeld worden. Wij kregen de inhoud van de geopende kluis via een filmpje te zien. Ik zag een paar sieraden en wat los geld, een paar briefjes van 50 euro liggen. Ik kreeg toen 150 tot 250 euro.
Medeverdachte [naam 3]heeft – zakelijk weergegeven – over het gebruikte geweld bij de diefstal van 19 januari 2024 te Panningen, gemeente Peel en Maas verklaard dat
[verdachte]zei dat hij de vrouw omver moest beuken. [5]
Bewijsoverweging
De rechtbank acht op basis van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met anderen een kluis met geld en sieraden van aangeefster [slachtoffer] heeft gestolen. Medeverdachte [naam 3] heeft meermaals uitdrukkelijk verklaard dat de verdachte in de auto zei dat hij aangeefster omver moest beuken. Deze verklaring vindt steun in de medische informatie omtrent het letsel van [slachtoffer] en de aangifte. De verdachte zelf ontkent geweld te hebben gebruikt en heeft met betrekking tot de oorzaak van het letsel van aangeefster wisselende verklaringen afgelegd. In eerste instantie heeft hij verklaard dat aangeefster hem probeerde de weg te versperren bij de deur, dat hij toen om haar heen liep en dat hij vervolgens zag dat ze viel. Later heeft hij verklaard dat aangeefster aan kwam lopen en over een kleedje viel. Dit doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van de verklaring van de verdachte en sterkt de rechtbank in haar overtuiging dat de verdachte aangeefster omver heeft gebeukt, zoals [naam 3] heeft verklaard.
De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal in vereniging met geweld.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
feit 1 primair
op 19 januari 2024 in de gemeente Peel en Maas, tezamen en in vereniging met anderen,
een kluis met geld en sieraden, die aan [slachtoffer] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd gevolgd van geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer] (hardhandig) te duwen;
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:
feit 1 primair
diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De straf

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 9 maanden met aftrek van het voorarrest.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit te volstaan met een taakstraf, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal in vereniging met geweld. Hij heeft als uitvoerder deelgenomen aan een feit waarbij een kwetsbaar, hoogbejaard slachtoffer van haar kostbare bezittingen is beroofd. De verdachte heeft zich laten overhalen door anderen om voor een gering geldbedrag mee te werken aan een laffe daad die voor het slachtoffer zeer ingrijpend moet zijn geweest.
De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat het slachtoffer een oudere vrouw was. Ouderen zijn in het bijzonder kwetsbaar voor dit soort criminaliteit. Wanneer zij in of nabij hun woning worden geconfronteerd met diefstal en geweld, kan dat verstrekkende gevolgen hebben voor hun gevoel van veiligheid. Zij kunnen angstig, wantrouwend en onzeker worden, juist op een plek waar zij zich veilig zouden moeten voelen. Daarbij komt dat de buitgemaakte goederen voor slachtoffers niet alleen financiële, maar vaak ook emotionele waarde hebben.
Daar komt nog bij dat de verdachte geweld heeft gebruikt tegen deze kwetsbare oude vrouw. Hij heeft haar, in zijn eigen woorden, “omver gebeukt”. Dat handelen is bijzonder laakbaar. De verdachte heeft kennelijk zijn eigen financieel gewin boven de lichamelijke integriteit en veiligheid van het slachtoffer gesteld.
De rechtbank merkt dit handelen, in de zin van de LOVS-oriëntatiepunten, aan als vergelijkbaar met een woningoverval met licht geweld. Voor een
first offendergeldt daarbij als uitgangspunt een gevangenisstraf van drie jaren. Dat uitgangspunt onderstreept de ernst van het feit.
De rechtbank heeft echter ook oog voor de houding van de verdachte. Hij heeft al in een vroeg stadium van het onderzoek een volledige verklaring afgelegd. Daardoor heeft hij bijgedragen aan de voortgang van het onderzoek. Ook ter terechtzitting heeft hij vragen openlijk beantwoord. Zijn berouw komt op de rechtbank oprecht over. Verder weegt de rechtbank mee dat de verdachte geen faciliterende of leidinggevende rol had, maar als uitvoerder heeft gehandeld. Hoewel dit zo is, waarbij voornoemde omstandigheden een strafmatigend effect hebben, is een forse gevangenisstraf passend en geboden vanwege de aard en de ernst van het feit. De rechtbank zal, gelet op voornoemde omstandigheden, een lagere straf opleggen dan de in de oriëntatiepunten gemelde gevangenisstraf van drie jaren.
De vraag die rijst is welk effect het gegeven moet hebben dat de verdachte onder bepaalde druk stond van de personen die de leiding hadden. De verdachte heeft dit ter terechtzitting verklaard en de rechtbank neemt dit, gelet op zijn oprechte houding, aan. Aan de rechtbank is echter op geen enkel moment gebleken dat hij geen weerstand kon bieden aan die druk. De verdachte heeft meerdere kansen gehad om anders te handelen, hetgeen hij heeft nagelaten. Daarom ziet de rechtbank in dit gegeven, hoewel het invloed heeft op de strafmaat, geen aanleiding om de verdachte niet naar de gevangenis te sturen.
De rechtbank stelt vast dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Gelet op de beperkte duur van die overschrijding zal de rechtbank volstaan met de enkele constatering daarvan en daaraan geen strafvermindering verbinden.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf passend en geboden. De rechtbank zal, gelet op al het voorgaande, aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden passend, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Van deze gevangenisstraf zal de rechtbank 6 maanden voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaren. Daarmee wordt beoogd te voorkomen dat de verdachte opnieuw strafbare feiten pleegt.

7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1
De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [naam 5] vordert ten aanzien van het onder feit 4 ten laste gelegde een schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 267, bestaande uit de volgende posten:
i. geldkist € 200,-
ii. reiskosten € 32,-
iii. beveiligingscamera’s € 35,-
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering voor wat betreft post i, alsmede tot toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is, mede gelet op artikel 6:96 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW), voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 4 bewezenverklaarde schade heeft geleden, in zoverre de vordering ziet op post i. Die schade blijkt voldoende uit het dossier. De overige posten acht de rechtbank, bij gebrek aan een verdere toelichting, niet toewijsbaar.
De rechtbank zal daarom een bedrag van € 200 toewijzen en de verdachte hoofdelijk veroordelen tot betaling daarvan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 maart 2024 totdat volledig is betaald. Bovendien zal de rechtbank aan de verdachte hoofdelijk de schadevergoedingsmaatregel opleggen, zodat de benadeelde is gevrijwaard van inning van dit bedrag.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
  • verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
  • verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
  • veroordeelt de verdachte tot een
  • beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
  • bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
Voorlopige hechtenis
- heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.M.W. Nuijts, voorzitter, mr. D. Osmić en mr. J.P.E. Mullers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.H.R.G. van Kerkhof en mr. M.H.C. van den Munckhof, griffiers, en uitgesproken ter openbare zitting van 29 mei 2026.
Buiten staat
De griffiers zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 19 januari 2024 in de gemeente Peel en Maas tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een kluis met geld en/of sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer] (hardhandig) te duwen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 19 januari 2024 in de gemeente Peel en Maas, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van waardevolle goederen zoals sieraden en/of geldbedragen, door
- voornoemde [slachtoffer] meermalen te bellen en zich voor te doen als een medewerker van de politie die in opdracht van de bank iets komt controleren,
- ( vervolgens) zich naar de woning van die [slachtoffer] te begeven,
- ( vervolgens) de woning van die [slachtoffer] te betreden,
- ( vervolgens) te zeggen dat (de binnenkant van de kluis) wordt gefotografeerd en/of
- ( vervolgens) met die kluis de woning van die [slachtoffer] te verlaten

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, districtsrecherche Noord- en Midden-Limburg, proces-verbaalnummer LB1R024004, onderzoek DERNHELM, gesloten d.d. 3 september 2024, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 775.
2.Proces-verbaal van aangifte [naam 4] d.d. 19 januari 2024, p. 34-37.
3.Medische informatie Forensische Geneeskunde GGD Limburg-Noord van 22 april 2024, p. 68.
4.Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 18 april 2024, p. 659-669.
5.Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 3] d.d. 17 april 2024, p. 596-621.