ECLI:NL:RBLIM:2026:5451

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
C/03/352127/KG ZA 26-169
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • De Bruijn
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:8 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige schorsing opzegging lidmaatschap golfclub wegens overschrijding beroepstermijn

Eiser is lid van een golfclub en kreeg op 21 november 2025 zijn lidmaatschap met onmiddellijke ingang opgezegd door het bestuur van de vereniging. Tegen dit besluit tekende hij beroep aan bij de interne Commissie van Beroep, die volgens de statuten binnen zes weken uitspraak moet doen. Door omstandigheden is deze termijn ruimschoots overschreden en is de Commissie van Beroep zelfs afgetreden.

Eiser vordert in kort geding vernietiging van het bestuursbesluit en/of schorsing daarvan, en dat hij weer toegang krijgt tot het golfcomplex. De voorzieningenrechter oordeelt dat vernietiging in kort geding niet mogelijk is vanwege het declaratoire karakter, maar dat schorsing wel kan worden toegewezen vanwege het spoedeisend belang van eiser. Het lidmaatschap is immers geschorst en er is geen concreet uitzicht op een spoedige beslissing van een nieuwe Commissie van Beroep.

De rechter wijst de schorsing toe en beveelt dat eiser weer toegang krijgt tot het complex totdat de Commissie van Beroep een beslissing neemt. De kosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij zijn eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het besluit tot opzegging van het lidmaatschap wordt geschorst en eiser krijgt weer toegang tot het golfcomplex totdat de Commissie van Beroep beslist.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/352127 / KG ZA 26-169
Vonnis in kort geding van 9 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. J.E. Polet,
tegen
De vereniging
[gedaagde],
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
vertegenwoordigd door (een viertal leden van) haar bestuur.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding en de daarbij overgelegde producties 1 tot en met 26,
- het voor de mondelinge behandeling toegezonden verweer van [gedaagde],
- de mondelinge behandeling van 26 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de pleitnota van [eiser].
1.2.
Vervolgens is vonnis gevraagd.

2.De feiten

2.1.
Volgens de statuten van [gedaagde] (hierna: de statuten) heeft de vereniging ten doel: het doen beoefenen en bevorderen van de golfsport alsmede het bevorderen van het onderlinge contact tussen haar leden. [eiser] heeft zich ongeveer zeven jaar geleden als lid verbonden aan [gedaagde].
2.2.
Bij besluit van 21 november 2025 heeft haar bestuur namens [gedaagde] het lidmaatschap van [eiser] met onmiddellijke ingang opgezegd op grond van artikel 7 lid 1 sub c van Pro de statuten van [gedaagde]. In artikel 7 lid 6 van Pro de statuten is bepaald dat tegen een besluit tot opzegging of ontzetting, binnen een maand na ontvangst van de schriftelijke kennisgeving beroep kan worden aangetekend bij de (interne) Commissie van Beroep en dat het betreffende lid, gedurende de beroepstermijn en hangende het beroep, is geschorst. In artikel 17 lid 3 van Pro de statuten is opgenomen dat de procedures met betrekking tot beroep bij de Commissie van Beroep zijn vastgelegd in het huishoudelijk reglement. Dit is gebeurd in artikel 23 van Pro dit reglement, waarin onder meer is bepaald dat de Commissie van Beroep uiterlijk binnen zes weken na ontvangst van het beroep uitspraak doet.
2.3.
[eiser] heeft tegen het besluit van 21 november 2025 beroep aangetekend bij de Commissie van Beroep. Op 30 november 2025 heeft hij een voorlopig beroepschrift ingediend, op 20 december 2025 het definitieve beroepschrift. De Commissie van Beroep heeft op 18 december 2026 besloten om de behandeling van de beroepschriften van [eiser] en van twee andere leden wiens lidmaatschap door het bestuur is opgezegd – die in verband met onderlinge samenhang gezamenlijk in behandeling zijn genomen – aan te houden en op te schorten tot de rechtbank vonnis zou hebben gewezen in een bodemzaak bij de rechtbank. Die bodemzaak is aangespannen door één van de twee andere geschorste leden tegen een eerder besluit tot ontzetting van dat lid. Tevens heeft de Commissie van Beroep overwogen dat [eiser] geen nadeel mag ondervinden van de overschrijding van de beroepstermijn. Als bijzondere maatregel heeft zij daarom bepaald dat [eiser] weer toegelaten wordt tot het complex van de vereniging. Vanaf 20 december 2025 is [eiser] op grond daarvan weer toegelaten tot het complex van [gedaagde].
2.4.
Het bestuur van [gedaagde] heeft op 22 december 2025 aan de leden medegedeeld dat de bestuursleden in het besluit van de Commissie van Beroep unaniem aanleiding zien om per direct af te treden.
2.5.
Per e-mail van 24 februari 2026 heeft de Commissie van Beroep aan [eiser] laten weten dat de rechtbank uitspraak heeft gedaan en dat zij de behandeling van zijn beroepschrift zal voortzetten en hem de gelegenheid wordt geboden het beroepschrift mondeling toe te lichten in een hoorzitting op 17 maart 2026. Daarbij is [eiser] er op gewezen dat de schorsing van zijn lidmaatschap op grond van artikel 7 lid 6 van Pro de statuten met directe ingang weer van kracht is.
2.6.
Vervolgens heeft de Commissie van Beroep per e-mail van 6 maart 2026 aan [eiser] medegedeeld dat deze commissie unaniem heeft besloten per direct af te treden. Dit naar aanleiding van een sommatie met aankondiging van een mogelijk kort geding van de zijde van een van de andere leden die beroep had aangespannen tegen een besluit tot opzegging van het lidmaatschap (zie ook 2.5. hiervoor).
2.7.
In de Algemene Ledenvergadering van 16 maart 2026 is men er niet in geslaagd een nieuw bestuur te vormen. In de vervolgens uitgeschreven vergadering van 18 mei 2026 is wel een nieuw bestuur gekozen.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
I. het besluit van het bestuur van [gedaagde] van 21 november 2025, waarin het lidmaatschap van [eiser] van [gedaagde] met onmiddellijke ingang wordt opgezegd, te vernietigen en [eiser] per omgaande in staat te stellen zijn activiteiten als lid van de vereniging voort te zetten en [eiser] ongehinderd toegang tot het complex van de golfbaan van [gedaagde] te verlenen;
Subsidiair:
II. bij wijze van ordemaatregel het besluit van het bestuur van [gedaagde] van 21 november 2025, waarin het lidmaatschap van [eiser] van [gedaagde] met onmiddellijke ingang wordt opgezegd, te schorsen; en
III. [gedaagde] te gebieden om:
- binnen één week na betekening van het in dezen te wijzen vonnis [eiser] weer in staat te stellen zijn activiteiten als lid van de vereniging voort te zetten en [eiser] ongehinderd toegang tot het complex van de golfbaan van [gedaagde] te verlenen; en
- binnen zes weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, op de wijze zoals in
artikel 13 en Pro artikel 17 van Pro de statuten is bepaald, een algemene ledenvergaring bijeen te
roepen waarop het benoemen van de Commissie van Beroep wordt behandeld, en;
- binnen twaalf weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis een uitspraak te
doen, althans door de Commissie van Beroep te hebben laten doen, op het beroep van
[eiser] van, naar de voorzieningenrechter begrijpt, 30 november 2025,
met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Vooraf
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
De vordering tot vernietiging van het besluit
4.2.
De primair door [eiser] gevorderde vernietiging van het besluit van het bestuur van [gedaagde] van 21 november 2025 tot opzegging van het lidmaatschap van [eiser], kan vanwege haar declaratoire karakter in het kader van een kort geding niet worden toegewezen. De vernietiging van dat besluit is naar zijn aard niet voorlopig.
De overige vorderingen
4.3.
Vervolgens staat ter beoordeling of er aanleiding bestaat om bij wijze van ordemaatregel tot tijdelijke schorsing van het besluit van het bestuur van [gedaagde] van 21 november 2025 over te gaan.
Standpunt [eiser]
4.4.
[eiser] stelt een spoedeisend belang te hebben bij zijn vordering, daar inmiddels sinds de opzegging zijn lidmaatschap van 30 november tot 20 december 2025 en vanaf 24 februari 2026 tot een nog onbekende datum zijn lidmaatschap is geschorst, terwijl de Commissie van Beroep binnen zes weken dient te beslissen op het beroepschrift. Bij het uitbrengen van de dagvaarding in dit kort geding was nog onzeker of bij de verkiezing op 18 mei 2026 een nieuw bestuur gekozen zou worden. Er is verder geen reëel uitzicht wanneer een nieuwe Commissie van Beroep wordt benoemd en het kan nog lang duren voor er een beslissing op het beroep van [eiser] komt. Gedurende al die tijd kan [eiser] geen gebruik maken van zijn lidmaatschapsrechten. De wet en de statuten van [gedaagde] bieden geen oplossing voor een situatie als de onderhavige. Op grond van de redelijkheid en billijkheid ex artikel 2:8 BW Pro kan deze situatie richting [eiser] niet in stand blijven, zo stelt hij. Dit klemt temeer nu in het schorsingsbesluit van 20 december 2025 de Commissie van Beroep woordelijk heeft opgenomen dat [eiser] van de overschrijding van de beroepstermijn geen nadeel mag ondervinden, hetgeen nu dus wel aan de orde is.
Standpunt [gedaagde]
4.5.
[gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat een spoedeisend belang bij de vordering van [eiser] ontbreekt en dat hij misbruik van recht maakt. Het nieuwe bestuur is pas enkele dagen in functie en inmiddels zijn ook drie personen bereid gevonden in de Commissie van Beroep plaats te nemen. De Algemene Ledenvergadering ten behoeve van de benoeming van een nieuwe commissie zal in juni plaatsvinden. In augustus is een beslissing van die commissie te verwachten.
Oordeel voorzieningenrechter
4.6.
Als gevolg van het besluit van 21 november 2025 wordt [eiser] de toegang tot de golfclub onthouden terwijl de voorgeschreven termijn waarop beslist had moeten worden op het beroep dat mede daartegen ageert, al zeer geruime tijd is overschreden. Dat maakt dat [eiser] een voldoende spoedeisend belang heeft om zijn vorderingen in kort geding voor te brengen.
4.7.
Op grond van de hierboven aangehaalde regels in de statuten en het huishoudelijk reglement omtrent het beroep tegen een besluit tot opzegging van het lidmaatschap (zie 2.2.), had binnen zes weken beslist moeten zijn op het door [eiser] ingestelde beroep. De voorzieningenrechter stelt vast dat de behandeling van het beroepschrift van [eiser] ten gevolge van verschillende omstandigheden inmiddels al zo’n zes maanden duurt en dat er geen voldoende concreet uitzicht op bestaat dat op korte termijn een beslissing wordt genomen door een – nog te benoemen – Commissie van Beroep. Uit hetgeen het bestuur daarover heeft aangegeven blijkt dat, indien in juni een Commissie van Beroep tot stand komt (wat niet zeker is), een beslissing op zijn vroegst in augustus kan worden verwacht. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat, zoals ook al eerder door de Commissie van Beroep is overwogen, [eiser] niet de dupe mag worden van deze langdurige vertraging in de termijn waarop op het door hem ingestelde beroep wordt beslist. De voorzieningenrechter is het daarom ook niet met [gedaagde] eens dat [eiser] misbruik van recht maakt door zich te beroepen op de binnen de vereniging geldende regels.
De voorzieningenrechter zal daarom bij wijze van ordemaatregel, conform de vordering onder II, het besluit tot schorsing van het lidmaatschap van [eiser] schorsen en tevens het onder III, eerste liggend streepje gevorderde gebod toewijzen. Daarbij zal worden bepaald dat deze maatregelen gelden totdat de Commissie van Beroep heeft beslist op het beroepschrift van [eiser].
4.8.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft [eiser] geen belang meer bij zijn vorderingen onder III, tweede en derde liggend streepje. Deze vorderingen zullen daarom worden afgewezen.
4.9.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding tot een compensatie van de proceskosten, in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat het huidige bestuur van [gedaagde] geen verwijt kan worden gemaakt van het voortijdig aftreden van de Commissie van Beroep en dat niet van het bestuur kan worden verwacht dat zij zich hangende het beroep bij de Commissie van Beroep in de situatie mengt door maatregelen te treffen. Het onderhavige kort geding had naar het oordeel van voorzieningenrechter dan ook niet kunnen worden voorkomen door het bestuur.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
schorst bij wijze van ordemaatregel het besluit van het bestuur van [gedaagde] van 21 november 2025, waarin het lidmaatschap van [eiser] van [gedaagde] met onmiddellijke ingang is opgezegd, en gebiedt [gedaagde] binnen één week na betekening van dit vonnis [eiser] weer in staat te stellen zijn activiteiten als lid van de vereniging voort te zetten en [eiser] ongehinderd toegang tot het complex van de golfbaan van [gedaagde] te verlenen, totdat een nieuwe Commissie van Beroep van [gedaagde] een beslissing heeft genomen op het beroep van [eiser] tegen het besluit van 21 november 2025,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1. genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. De Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.