ECLI:NL:RBLIM:2026:5459

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
C/03/351847/KG ZA 26-156
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • De Bruijn
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:8 BWArt. 2:14 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige schorsing opzegging lidmaatschap golfclub wegens overschrijding beroepstermijn

Eiser is sinds ongeveer 24 jaar lid van de golfclub en werd per direct uit het lidmaatschap ontzet door het bestuur op 20 november 2024. Eiser stelde beroep in bij de Commissie van Beroep, die het besluit vernietigde en een schorsing oplegde. De rechtbank verklaarde later dat de Commissie van Beroep niet bevoegd was om sancties op te leggen, waardoor het besluit nietig werd verklaard.

Ondanks de lopende bodemprocedure heeft het bestuur op 21 november 2025 het lidmaatschap van eiser opnieuw met onmiddellijke ingang opgezegd. Eiser tekende beroep aan, maar de Commissie van Beroep trad unaniem af, waardoor de behandeling van het beroep werd opgeschort. Het nieuwe bestuur werd pas in mei 2026 gekozen, waarna de Commissie van Beroep haar werkzaamheden kon hervatten.

Eiser vorderde in kort geding vernietiging van het besluit en subsidiair schorsing van het besluit tot opzegging van het lidmaatschap. De voorzieningenrechter oordeelde dat vernietiging in kort geding niet mogelijk is vanwege het declaratoire karakter, maar dat schorsing wel kan worden toegewezen vanwege het spoedeisend belang. De termijn van zes weken waarbinnen op het beroep beslist had moeten worden, was ruimschoots verstreken en er was geen concreet uitzicht op een spoedige beslissing.

De voorzieningenrechter schorst daarom het besluit van het bestuur en beveelt dat eiser zijn lidmaatschapsrechten en toegang tot het complex wordt verleend totdat de Commissie van Beroep een beslissing neemt. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het besluit tot opzegging van het lidmaatschap is geschorst en eiser krijgt toegang tot de golfclub totdat de Commissie van Beroep een beslissing neemt.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/351847 / KG ZA 26-156
Vonnis in kort geding van 9 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. K.A.M.J. Horsch,
tegen
De vereniging
[gedaagde],
te [plaats 1] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
vertegenwoordigd door (een viertal leden van) haar bestuur.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding en de daarbij overgelegde producties 1 tot en met 29,
- het voor de mondelinge behandeling toegezonden verweer van [gedaagde] ,
- de nagezonden aanvulling op productie 5 van de zijde van [eiser] ,
- de mondelinge behandeling van 26 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Vervolgens is vonnis gevraagd.

2.De feiten

2.1.
Volgens de statuten van [gedaagde] (hierna: de statuten) heeft de vereniging ten doel: het doen beoefenen en bevorderen van de golfsport alsmede het bevorderen van het onderlinge contact tussen haar leden. [eiser] heeft zich ongeveer vierentwintig jaar geleden als lid verbonden aan [gedaagde]
2.2.
Bij besluit van het bestuur van [gedaagde] van 20 november 2024 is [eiser] per direct ontzet uit het lidmaatschap van [gedaagde] . In artikel 7 lid 6 van Pro de statuten is bepaald dat tegen een besluit tot opzegging of ontzetting, binnen een maand na ontvangst van de schriftelijke kennisgeving beroep kan worden aangetekend bij de (interne) Commissie van Beroep en dat het betreffende lid, gedurende de beroepstermijn en hangende het beroep, is geschorst. In artikel 17 lid 3 van Pro de statuten is opgenomen dat de procedures met betrekking tot beroep bij de Commissie van Beroep zijn vastgelegd in het huishoudelijk reglement. Dit is gebeurd in artikel 23 van Pro dit reglement, waarin onder meer is bepaald dat de Commissie van Beroep uiterlijk binnen zes weken na ontvangst van het beroep uitspraak doet.
2.3.
[eiser] heeft bij de Commissie van Beroep beroep ingesteld tegen het besluit van 20 november 2024. Bij beslissing van 20 januari 2025 heeft de Commissie van Beroep het bestreden besluit vernietigd en een nieuwe beslissing genomen inhoudende dat [eiser] is geschorst voor de duur van 24 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk, onder de bijzondere voorwaarde dat [eiser] zich tot 20 november 2026 zal onthouden van iedere bemoeienis met het beleid van het bestuur, commissieleden en andere vrijwilligers, zowel verbaal als in mail of ander geschrift. [eiser] is op 20 mei 2025 weer toegelaten tot het complex van de golfbaan van [gedaagde] .
2.4.
In een bodemprocedure bij deze rechtbank is bij vonnis van 18 februari 2026 onder meer beslist dat de Commissie van Beroep statutair niet bevoegd is een sanctie op te leggen aan [eiser] . Het besluit van de Commissie van Beroep van 20 januari 2025 is daarom, voor zover zij daarin een sanctie heeft opgenomen, nietig verklaard op grond van artikel 2:14 lid 1 BW Pro.
2.5.
Terwijl voormelde procedure bij de rechtbank aanhangig was heeft het
bestuur van [gedaagde] bij besluit van 21 november 2025 [eiser] ’ lidmaatschap met onmiddellijke ingang opgezegd.
2.6.
[eiser] heeft tegen het besluit van 21 november 2025 beroep aangetekend bij de Commissie van Beroep. De Commissie van Beroep heeft op 18 december 2026 besloten om de behandeling van de beroepschriften van [eiser] en van twee andere leden wiens lidmaatschap is opgezegd – die in verband met onderlinge samenhang gezamenlijk in behandeling zijn genomen – aan te houden en op te schorten tot de rechtbank vonnis zou hebben gewezen in voormelde bodemzaak. Tevens heeft zij overwogen dat [eiser] geen nadeel mag ondervinden van de overschrijding van de beroepstermijn. Als bijzondere maatregel heeft zij daarom tevens bepaald dat hangende die termijn op [eiser] de op 20 januari 2025 opgelegde maatregel weer van toepassing is, op grond waarvan hij nog tot 20 november 2026 voorwaardelijk geschorst blijft. Vanaf 20 december 2025 is [eiser] op grond daarvan weer toegelaten tot het complex van [gedaagde] .
2.7.
Het bestuur van [gedaagde] heeft op 22 december 2025 aan de leden medegedeeld dat de bestuursleden in het besluit van de Commissie van Beroep unaniem aanleiding zien om per direct af te treden.
2.8.
Per e-mail van 24 februari 2026 heeft de Commissie van Beroep aan [eiser] laten weten dat zij de behandeling van zijn beroepschrift van 26 november 2025 zal voortzetten en hem de gelegenheid geboden het beroepschrift mondeling toe te lichten in een hoorzitting op 17 maart 2026. Daarbij is [eiser] er op gewezen dat de schorsing van zijn lidmaatschap op grond van artikel 7 lid 6 van Pro de statuten met directe ingang weer van kracht is.
2.9.
Naar aanleiding van het verzoek c.q. de sommatie van 5 maart 2026 van de zijde van [eiser] om diens raadsman uiterlijk op 6 maart 2026 om 15:00 uur te berichten dat uiterlijk op 13 maart 2026 zal worden beslist op het beroepschrift en anders een kort geding zal worden aangespannen, heeft de Commissie van Beroep op 6 maart 2026 unaniem besloten per direct af te treden.
2.10.
In de Algemene Ledenvergadering van 16 maart 2026 is men er niet in geslaagd een nieuw bestuur te vormen. In de vervolgens uitgeschreven vergadering van 18 mei 2026 is wel een nieuw bestuur gekozen.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
I. het besluit van het bestuur van [gedaagde] van 21 november 2025, waarin het lidmaatschap van [eiser] van [gedaagde] met onmiddellijke ingang wordt opgezegd, te vernietigen en [eiser] per omgaande in staat te stellen zijn activiteiten als lid van de vereniging voort te zetten en [eiser] ongehinderd toegang tot het complex van de golfbaan van [gedaagde] te verlenen;
Subsidiair:
II. bij wijze van ordemaatregel het besluit van het bestuur van [gedaagde] van 21 november 2025, waarin het lidmaatschap van [eiser] van [gedaagde] met onmiddellijke ingang wordt opgezegd, te schorsen en [eiser] per omgaande in staat te stellen zijn activiteiten als lid van de vereniging voort te zetten en [eiser] ongehinderd toegang tot het complex van de golfbaan van [gedaagde] te verlenen totdat een nieuwe Commissie van Beroep van [gedaagde] een nieuwe beslissing heeft vastgesteld dat voormeld besluit rechtsgeldig is genomen en overeenkomstig de redelijkheid en billijkheid ongewijzigd in stand zal kunnen blijven, en;
III. [gedaagde] te gebieden om:
- binnen zes weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, op de wijze zoals in
artikel 13 en Pro artikel 17 van Pro de statuten is bepaald, een algemene ledenvergadering bijeen te
roepen waarop het benoemen van de Commissie van Beroep wordt behandeld, en;
- binnen twaalf weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis een uitspraak te
doen, althans door de Commissie van Beroep te hebben laten doen, op het beroep van
[eiser] van 26 november 2025,
met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Vooraf
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
De vordering tot vernietiging van het besluit
4.2.
De primair door [eiser] gevorderde vernietiging van het besluit van het bestuur van [gedaagde] van 21 november 2025 tot opzegging van het lidmaatschap van [eiser] kan vanwege haar declaratoire karakter in het kader van een kort geding niet worden toegewezen. De vernietiging van dat besluit is naar zijn aard niet voorlopig.
De overige vorderingen
4.3.
Vervolgens staat ter beoordeling of er aanleiding bestaat om bij wijze van ordemaatregel tot tijdelijke schorsing van het besluit van het bestuur van [gedaagde] van 21 november 2025 over te gaan.
Standpunt [eiser]
4.4.
[eiser] stelt een spoedeisend belang te hebben bij zijn vordering, daar de termijn van zes weken waarbinnen de Commissie van Beroep dient te beslissen op het beroepschrift van [eiser] van 26 november 2025 op zijn laatst is verstreken op 9 maart 2026. Bij het uitbrengen van de dagvaarding in dit kort geding was nog onzeker of bij de verkiezing op 18 mei 2026 een nieuw bestuur gekozen zou worden. De benoeming van een Commissie van Beroep moet nog plaats vinden en het kan nog lang duren voor er een beslissing op het beroep van [eiser] komt. Gedurende al die tijd kan [eiser] geen gebruik maken van zijn lidmaatschapsrechten. De wet en de statuten van [gedaagde] bieden geen oplossing voor een situatie als de onderhavige. Op grond van de redelijkheid en billijkheid ex artikel 2:8 BW Pro kan deze situatie richting [eiser] niet in stand blijven, zo stelt hij.
Standpunt [gedaagde]
4.5.
[gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat [eiser] de huidige situatie zelf heeft veroorzaakt; ten gevolge van het dreigen met een kort geding was de vorige Commissie van Beroep niet langer bereid aan te blijven. Wanneer dat achterwege was gebleven was er al lang een beslissing geweest. Het nieuwe bestuur is pas enkele dagen in functie en inmiddels zijn drie personen bereid gevonden in de Commissie van Beroep plaats te nemen. De Algemene Ledenvergadering ten behoeve van de benoeming van een nieuwe commissie zal in juni plaatsvinden. In augustus is een beslissing van die commissie te verwachten. Op grond van deze omstandigheden ontbreekt volgens [gedaagde] een spoedeisend belang bij de vordering van [eiser] en maakt hij misbruik van recht, aldus [gedaagde] . Daarbij komt dat [eiser] ook lid is van de golfclub in [plaats 2] en dus kan blijven golfen.
Oordeel voorzieningenrechter
4.6.
Als gevolg van het besluit van 21 november 2025 wordt [eiser] de toegang tot de golfclub onthouden terwijl de voorgeschreven termijn waarop beslist had moeten worden op het beroep dat mede daartegen ageert, al zeer geruime tijd is overschreden. Dat maakt dat [eiser] een voldoende spoedeisend belang heeft om zijn vorderingen in kort geding voor te brengen.
4.7.
Op grond van de hierboven aangehaalde regels in de statuten en het huishoudelijk reglement omtrent het beroep tegen een beslissing van het bestuur tot opzegging van het lidmaatschap (zie 2.2.), had binnen zes weken beslist moeten zijn op het door [eiser] ingestelde beroep. De voorzieningenrechter stelt vast dat de behandeling van het beroepschrift van [eiser] ten gevolge van verschillende omstandigheden inmiddels al zo’n zes maanden duurt en dat er geen voldoende concreet uitzicht op bestaat dat op korte termijn een beslissing wordt genomen door een – nog te benoemen – Commissie van Beroep. Uit hetgeen het bestuur daarover heeft aangegeven blijkt dat, indien in juni een Commissie van Beroep tot stand komt (wat niet zeker is), een beslissing op zijn vroegst in augustus kan worden verwacht. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat, zoals ook al eerder door de Commissie van Beroep is overwogen, [eiser] niet de dupe mag worden van deze langdurige vertraging in de termijn waarop op het door hem ingestelde beroep wordt beslist. De voorzieningenrechter is het daarom ook niet met [gedaagde] eens dat [eiser] misbruik van recht maakt door zich te beroepen op de binnen de vereniging geldende regels. Dat de Commissie van Beroep heeft gemeld af te treden als reactie op de sommatie namens [eiser] , maakt dat niet anders. Het aftreden van de Commissie van Beroep en de omvang van de vertraging in de afhandeling van het beroep die dat tot gevolg heeft gehad was een, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, niet te voorzien gevolg van de sommatie, zodat dit niet voor rekening van [eiser] behoort te komen.
De voorzieningenrechter zal daarom bij wijze van ordemaatregel, conform de vordering onder II, het besluit tot schorsing van het lidmaatschap van [eiser] schorsen en [gedaagde] gebieden [eiser] per omgaande in staat te stellen zijn activiteiten als lid van de vereniging voort te zetten en [eiser] ongehinderd toegang tot het complex van de golfbaan van [gedaagde] te verlenen. In afwijking van vordering II van [eiser] , zal de schorsing wordt opgelegd over de periode totdat de Commissie van Beroep heeft beslist op het beroepschrift van [eiser] . Anders dan waar [eiser] in zijn vordering vanuit gaat, past het niet om de duur van de schorsing te laten afhangen van de inhoud van de te nemen beslissing door de Commissie van Beroep.
4.8.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft [eiser] geen belang meer bij zijn vordering onder III. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.
4.9.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding tot een compensatie van de proceskosten, in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat het huidige bestuur van [gedaagde] geen verwijt kan worden gemaakt van het voortijdig aftreden van de Commissie van Beroep en dat niet van het bestuur kan worden verwacht dat zij zich hangende het beroep bij de Commissie van Beroep in de situatie mengt door maatregelen te treffen. Het onderhavige kort geding had naar het oordeel van voorzieningenrechter dan ook niet kunnen worden voorkomen door het bestuur.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
schorst bij wijze van ordemaatregel het besluit van het bestuur van [gedaagde] van 21 november 2025, waarin het lidmaatschap van [eiser] van [gedaagde] met onmiddellijke ingang is opgezegd, en gebiedt [gedaagde] [eiser] per omgaande weer in staat te stellen zijn activiteiten als lid van de vereniging voort te zetten en [eiser] ongehinderd toegang tot het complex van de golfbaan van [gedaagde] te verlenen totdat een nieuwe Commissie van Beroep van [gedaagde] een beslissing heeft genomen op het beroep van [eiser] tegen het besluit van 21 november 2025,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. De Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.