ECLI:NL:RBLIM:2026:553

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
03.407458.24
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak moord, veroordeling doodslag, verwerping verweer putatief noodweer(exces)

Op 20 januari 2026 heeft de Rechtbank Limburg in Maastricht uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van moord en doodslag. De verdachte, geboren in 1990 en thans gedetineerd in P.I. Sittard, werd bijgestaan door advocaten mr. F.A.G.M. Landerloo en mr. A.M. Rus. De zaak werd inhoudelijk behandeld op 6 januari 2026. De tenlastelegging betrof een steekincident op 26 december 2024, waarbij de verdachte het slachtoffer, [Slachtoffer], zou hebben gedood of zwaar zou hebben mishandeld. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte op die datum, na een periode van emotionele stress door een driehoeksverhouding, het slachtoffer met een mes in het bovenlichaam heeft gestoken, wat leidde tot de dood van het slachtoffer.

De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van moord, omdat niet kon worden vastgesteld dat hij met voorbedachten rade handelde. De rechtbank oordeelde dat de verdachte in een hevige gemoedsopwelling handelde, wat leidde tot de bewezenverklaring van doodslag. De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partijen tot schadevergoeding toegewezen en de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaren, met de maatregel van tbs met verpleging van overheidswege. De rechtbank heeft ook de schadevergoedingsmaatregel opgelegd aan de verdachte, die aansprakelijk werd gesteld voor de immateriële en materiële schade van de nabestaanden van het slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer: 03.407458.24
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 20 januari 2026
in de strafzaak tegen
[Naam verdachte],
geboren te [Geboorteplaats] op [Geboortedatum] 1990,
thans gedetineerd in P.I. Sittard te Sittard.
De verdachte wordt bijgestaan door mr. F .A.G.M. Landerloo en mr. A.M. Rus, beiden advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 6 januari 2026. De verdachte en zijn raadslieden zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
De nabestaande [Benadeelde partij 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens de benadeelde partij is op de zitting gehoord mr. A. F .G. Pennino. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.
De nabestaanden [Benadeelde partij 2] en [Benadeelde partij 3] hebben zich ook als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens hen is op de zitting gehoord mr. L.M.E. Kleczewski. De rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding behandeld. Tevens heeft [Benadeelde partij 2] ter zitting het spreekrecht uitgeoefend.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 26 december 2024 opzettelijk, al dan niet met voorbedachten rade, [Slachtoffer] heeft gedood, dan wel hem zwaar heeft mishandeld met de dood ten gevolge.

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de primair tenlastegelegde moord wettig en overtuigend bewezen. Op basis van de bevindingen van de patholoog, de door de politie ter plaatse waargenomen verwondingen en de verklaringen van de verdachte kan genoegzaam worden vastgesteld dat [Slachtoffer] (hierna: [Slachtoffer] ) is overleden als gevolg van één of meer messteken die door de verdachte zijn toegebracht. De verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. Er is voor hem voldoende tijd en gelegenheid geweest om over zijn voorgenomen daad en de betekenis en gevolgen daarvan na te denken en zich daarvan rekenschap te geven, vóór, maar ook tijdens de uitvoering: bij het observeren van de woning, bij het gewapend met een mes naar de woning lopen, bij het wegleggen en weer oppakken van het mes en bij het zoeken in de woning en de tuin naar [Slachtoffer] . Er was dan ook geen sprake van een hevige gemoedsopwelling of plotselinge drift, die als contra-indicatie zou kunnen dienen voor het aannemen van voorbedachte raad. De verdachte had opzet op de dood van het slachtoffer, op zijn minst in voorwaardelijke zin.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de primair tenlastegelegde moord. Zij stelt dat bij de verdachte geen sprake was van een vooropgezet plan om [Slachtoffer] van het leven te beroven. De verdachte verkeerde in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling die dusdanig was dat hij geen gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn handelen en zich daarvan rekenschap te geven. Met betrekking tot de bewezenverklaring voor het overige tenlastegelegde heeft de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.
3.3
Het oordeel van de rechtbank [1]
Inleiding
Op 26 december 2024 omstreeks 22:17 uur ontving de politie een melding van een steek-incident aan de [Plaatsdelict] . Het slachtoffer zou in de borst zijn gestoken en de verdachte zou nog aanwezig zijn. Ter plaatse zag de politie twee personen, een man en een vrouw, komend vanaf de achtertuin van voornoemd adres. Een van de twee personen hield zijn handen omhoog en gaf aan dat hij degene was die had gestoken. Deze persoon bleek de verdachte te zijn. Het slachtoffer, [Slachtoffer] , had diverse steekwonden in zijn torso. De reanimatie werd opgestart en [Slachtoffer] werd vervoerd naar het ziekenhuis in Maastricht, waar hij later aan zijn verwondingen is overleden.
Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank
De rechtbank zal de verdachte van de primair tenlastegelegde moord vrijspreken en zal het subsidiair tenlastegelegde feit (doodslag) wettig en overtuigend bewezen verklaren. Nu de verdachte de doodslag duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
De rechtbank acht het subsidiair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting; [2]
- het proces-verbaal van verhoor getuige [Getuige 1] ; [3]
- het proces-verbaal forensisch overlijdensonderzoek persoon [Slachtoffer] ; [4]
- het definitief deskundigenrapport forensische pathologie [naam patholoog] ; [5]
- het aanvullend deskundigenrapport forensische pathologie [naam patholoog] . [6]
Het steekincident
Uit de bewijsmiddelen volgt dat er sprake was van een langdurige driehoeksverhouding tussen de verdachte, zijn ex-partner [Getuige 1] (waarmee de verdachte een dochter heeft) en het slachtoffer. Dit leverde veel stress en spanning op bij de verdachte. Op 26 december 2024, Tweede Kerstdag, is de verdachte naar de woning [Getuige 1] gegaan om te controleren of zij hem de waarheid had verteld. Zij zou namelijk, nadat zij die avond bij de familie van het slachtoffer was gaan eten, de relatie met het slachtoffer verbreken. De verdachte heeft enkele uren in zijn auto, die hij buiten het zicht van de woning had geparkeerd, op [Getuige 1] en zijn dochter zitten wachten. Op enig moment is de verdachte in het pad schuin tegenover de woning gaan staan, opdat hij naast de voorkant ook de achterkant van de woning goed kon zien. Toen de verdachte zag dat [Getuige 1] samen met hun dochter én het slachtoffer thuiskwam en naar de voordeur liep, knapte er iets bij hem. Hij wilde niet dat het slachtoffer, volgens hem zwaar verslaafd aan alcohol en heroïne, in dezelfde woning als zijn dochter zou blijven slapen. De verdachte is daarop boos op de voordeur afgerend en heeft op de deur gebonkt. Hij had een mes meegenomen, dat hij in de tuin even op de grond had gelegd. Hij was vastbesloten dat het slachtoffer daar weg moest, al kostte dat zijn eigen leven. De verdachte hoorde dat er binnen minachtend werd gelachen en heeft daarop boos en in een waas het mes dat hij daarvoor op de grond had gelegd, weer gepakt. Hij is vervolgens, gewapend met het mes, de woning ingegaan en is op zoek gegaan naar het slachtoffer. Het slachtoffer was inmiddels de tuin ingevlucht om een confrontatie met de verdachte te voorkomen, maar doordat de tuinpoort op slot zat, kon hij de omheinde tuin niet verlaten. Toen de verdachte het slachtoffer niet in de woning kon vinden, is hij de tuin in gerend. Nadat hij een paar stappen in de richting van de tuinpoort had gezet, zag hij links naast de aanbouw een schim, waarvan hij besefte dat die het slachtoffer betrof. Toen heeft de verdachte het slachtoffer meermalen met het mes in zijn bovenlichaam gestoken. Eén steekletsel leidde tot perforatie van de rechterborstholte, het hart en de rechterlong. Daardoor waren substantieel bloedverlies en functiestoornissen van de rechterlong en de rechter-borstholte ontstaan, die hebben geleid tot het overlijden van het slachtoffer, ongeveer een uur later in het ziekenhuis.
Opzet
De vraag is of bij het toebrengen van dit dodelijke letsel bij de verdachte sprake is geweest van opzet op de dood van het slachtoffer. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend.
De verdachte heeft het slachtoffer meermalen met een mes in het bovenlichaam gestoken. In het bovenlichaam bevinden zich vitale organen, zoals het hart en de longen. Het is een algemene ervaringsregel dat een messteek in het bovenlichaam, zelfs met relatief geringe kracht, dodelijk letsel kan veroorzaken. Daar komt bij dat de verdachte heeft verklaard dat het slachtoffer daar weg moest, al kostte het zijn eigen leven. Kortom: de verdachte heeft het slachtoffer levensbedreigende verwondingen met een mes toegebracht, terwijl het slachtoffer kennelijk ten koste van alles bij verdachtes dochter vandaan moest. Daaruit leidt de rechtbank af dat de verdachte willens en wetens het slachtoffer op dat moment van het leven heeft willen beroven, hetgeen hem ook gelukt is.
Voorbedachte raad
Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachten rade’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar hoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.
De verdachte heeft vanaf het begin verklaard dat hij naar de woning [Getuige 1] en zijn dochter is gereden om te controleren of [Getuige 1] inderdaad haar relatie met het slachtoffer had beëindigd, (mede) met het oog op de veiligheid van hun dochter; het slachtoffer zou – als verslaafde – in verdachtes ogen namelijk een gevaar (kunnen) vormen voor zijn dochter. Pas toen hij zag dat [Getuige 1] samen met hun dochter én het slachtoffer thuiskwam en naar de voordeur liep, knapte er iets bij hem: het slachtoffer mocht (kennelijk onder geen beding) in dezelfde woning slapen als zijn dochter. Deze lezing volgende kwam pas toen op zijn vroegst de idee bij de verdachte op dat het slachtoffer desnoods dood moest. Uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting zijn er geen objectieve aanwijzingen naar voren gekomen die deze lezing weerspreken en die duiden op een vooraf (tijdens het wachten bij de woning of reeds eerder) genomen en overdacht besluit van de verdachte om het slachtoffer van het leven te beroven. Dat de verdachte een mes meenam op het moment dat hij uit zijn auto stapte en naar de steeg liep om een betere positie voor zijn observatie in te nemen, maakt dat niet anders. Uit het dossier volgt genoegzaam dat dit mes al langer in zijn auto lag en dat hij dit dus niet speciaal voor deze gelegenheid van huis had meegenomen. Daar komt bij dat de verdachte thuis of tijdens het wachten op de komst [Getuige 1] en zijn dochter niet wist óf het slachtoffer er ook zou zijn, terwijl het niet onaannemelijk is dat hij het mes uit de auto meenam voor het geval er een ontmoeting met het slachtoffer zou volgen, een en ander gelet op de jegens hem door het slachtoffer geuite bedreigingen.
Kortom: de rechtbank kan niet vaststellen dat er eerder dan het moment waarop de verdachte [Getuige 1] , zijn dochter én het slachtoffer de woning zag ingaan, bij hem het plan bestond het slachtoffer van het leven te beroven. Daaruit volgt dat sprake is geweest van een relatief korte tijdspanne tussen het besluit tot levensberoving en de uitvoering van dit besluit enkele minuten later. Daar komt bij dat de verdachte heeft verklaard dat er op het moment dat hij het slachtoffer de woning zag binnengaan, iets bij hem knapte en dat hij - nadat hij op de deur had gebonkt – boos het mes weer pakte en op zoek is gegaan naar het slachtoffer, met een fatale afloop. Deze verklaring vindt tot op zekere hoogte steun in de verklaring [Getuige 1] , inhoudende dat de verdachte op de deur bonkte, dat het slachtoffer toen in paniek raakte, dat de verdachte heel boos werd en dat hij – in de woorden van de rechtbank – in één actie in de woning en onmiddellijk daarna in de tuin op zoek ging naar het slachtoffer. Hieruit kan worden opgemaakt dat bij de verdachte, vanaf het moment dat hij het slachtoffer de woning zag betreden, sprake was van een hevige boosheid, die pas tot een einde kwam nadat hij de fatale steekwonden had toegebracht. De rechtbank gaat er van uit dat bij de verdachte de maandenlang opgebouwde spanningen en boosheid naar buiten zijn gekomen en dat hij handelde in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.
Naar het oordeel van de rechtbank is aldus niet komen vast te staan dat de verdachte een adequate gelegenheid heeft gehad om zich op het genomen besluit om het slachtoffer te doden en de gevolgen daarvan te beraden. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat de verdachte niet met voorbedachte raad heeft gehandeld en dat hij moet worden vrijgesproken van moord (het primaire feit).
De rechtbank komt gelet op het voorgaande wel tot een bewezenverklaring van doodslag (het subsidiaire feit).
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte (
subsidiair)op 26 december 2024 in de gemeente Heerlen [Slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd door [Slachtoffer] met een mes in het bovenlichaam te steken.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het subsidiair bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op: doodslag
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

5.1
Het standpunt van de verdediging
De verdediging concludeert dat er objectief genomen sprake is geweest van een situatie waarin de verdachte in redelijkheid kon en mocht menen dat hij zich moest verdedigen, omdat hij zich verontschuldigbaar (het dreigende gevaar voor) een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding heeft ingebeeld, dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld. In dat geval komt hem een geslaagd beroep op putatief noodweer toe. Mocht de rechtbank van mening zijn dat de verdachte in zijn verdediging te ver is gegaan, stelt de verdediging zich op het standpunt dat die overschrijding van de proportionaliteit is te wijten aan een hevige gemoedsbeweging bij de verdachte. Daarmee komt aan de verdachte in elk geval een geslaagd beroep op putatief noodweerexces toe. In beide gevallen dient de verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
5.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen geslaagd beroep op putatief noodweer(exces) toekomt. Er was geen sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en daarnaast was het handelen van de verdachte niet proportioneel en subsidiair. De verdachte heeft zelf, gewapend met een mes, de confrontatie met het slachtoffer gezocht. Het slachtoffer kon geen kant op.
5.3
Het oordeel van de rechtbank
Putatief noodweer(exces)
De rechtbank stelt voorop dat van putatief noodweer sprake is indien een verdachte verschoonbaar heeft gedwaald over het bestaan van een noodweersituatie. Aannemelijk dient te zijn dat er objectieve omstandigheden waren die de verdachte redelijkerwijze aanleiding konden geven te veronderstellen dat hij dreigde te worden aangevallen. De subjectieve ervaring van de verdachte is daarbij niet leidend.
De verdachte heeft over het incident het volgende verklaard. In de tuin gekomen, zag hij links naast de aanbouw een zwarte gedaante en hij wist meteen dat dit het (latere) slachtoffer betrof. In zijn woede stapte de verdachte op hem af en schreeuwde: “Wegwezen jij!”. Het slachtoffer heeft gezegd: “Niks aan de hand.”, maar schreeuwde vervolgens “Ik ga niet weg, fuck you, ik maak je dood.”. De verdachte zag vervolgens dat het slachtoffer met twee handen op hem afkwam. Hij dacht ook iets te zien glimmen. Vervolgens heeft de verdachte één keer gestoken
.Toen de verdachte zag dat het slachtoffer nog een keer met beide handen op hem afkwam, sloeg hij het slachtoffer met de onderkant van het mes plat op zijn hoofd en stak hij hem nog één keer in zijn zij.
De rechtbank acht het door de verdachte geschetste putatief noodweerscenario niet aannemelijk geworden. Uit het dossier volgt dat het slachtoffer, kennelijk nadat hij in een hoekje van de tuin door de verdachte was ontdekt, op een rustige manier heeft gezegd: “Niks aan de hand.”; dit heeft de verdachte zelf verklaard en [Getuige 1] heeft dit bevestigd. Dat het slachtoffer vervolgens zou hebben geschreeuwd “Ik ga niet weg, fuck you, ik maak je dood.”, is evenwel enkel door de verdachte verklaard en is kennelijk niet door [Getuige 1] gehoord, terwijl dat toch bepaald voor de hand had gelegen nu zij wel de rustige opmerking “Niks aan de hand” heeft waargenomen. Het was bovendien de verdachte die gewapend de confrontatie met het slachtoffer opzocht; een confrontatie waarop het slachtoffer niet was voorbereid en die hij juist probeerde te voorkomen, door in paniek het huis uit te vluchten en zich (onbewapend) achter de aanbouw in een hoekje voor de verdachte te verstoppen, toen bleek dat de tuinpoort op slot zat en hij de tuin niet kon verlaten. Het is gelet op die omstandigheid hoogst onaannemelijk dat het slachtoffer, waarvan mag worden aangenomen dat hij zag dat de verdachte wél een mes had, aanvallend op hem zou zijn afgekomen. De rechtbank verwerpt daarom het beroep van de verdediging op putatief noodweer.
In dit oordeel van de rechtbank ligt tevens besloten dat de verdachte geen geslaagd beroep op putatief noodweerexces toekomt. De rechtbank verwerpt daarom ook het beroep op putatief noodweerexces.
Toerekenbaarheid
Bij de beoordeling van de strafbaarheid van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op de NIFP-rapportages. [Naam psycholoog] (hierna: de psycholoog) heeft op 14 april 2025 een Pro Justitia psychologische rapportage opgemaakt, gevolgd door een aanvullende rapportage op 19 september 2025. [psychiater] (hierna: de psychiater) heeft op 11 april 2025 een Pro Justitia psychiatrische rapportage opgemaakt, gevolgd door een aanvullende rapportage op 18 september 2025.
De psycholoog heeft bij de verdachte een persoonlijkheidsstoornis met schizoïde en anti-sociale trekken vastgesteld. Ook is sprake van een ernstige stoornis in cannabisgebruik en een ernstige aandachtsdeficiëntiestoornis (ADD). De stoornissen waren ten tijde van het feit aanwezig en beïnvloedden de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde feit. De psycholoog adviseert daarom het tenlastegelegde feit
verminderdaan de verdachte toe te rekenen, omdat hij door zijn tekortschietende copingsvaardigheden, voortkomend uit de persoonlijkheidsstoornis niet in staat was de maandenlange emotionele achtbaan, veroorzaakt door de instabiele driehoeksverhouding te hanteren. Doordat zijn realiteitstoetsing niet verstoord was, had hij wel de mogelijkheid om andere keuzes te maken (niet gaan of vertrekken), maar vanwege de persoonlijkheidsstoornis waren zijn gedrags-keuzes beperkt. De psycholoog concludeert dat er een matig risico op nieuwe gewelds-delicten met ernstig lichamelijk letsel is, indien de verdachte geen passende behandeling krijgt. Er zijn specifieke condities nodig voordat de verdachte overgaat tot fysieke agressie, zoals bijvoorbeeld wederom belanden in een moeizame (ex)-partnerrelatie en alle problemen die daarbij komen. Gezien de bij de verdachte aanwezige ernstige persoonlijkheidsstoornis is de kans hierop echter zeker reëel. De psycholoog adviseert de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) aan de verdachte op te leggen vanwege de hierboven beschreven ernstige psychopathologie, het als matig ingeschatte recidiverisico voor ernstige geweldsdelicten en zijn ambivalente motivatie voor de noodzakelijke intensieve psychotherapeutische behandeling. Indien een tbs-maatregel met voorwaarden niet mogelijk of niet haalbaar is, is het advies om de behandeling in het kader van een tbs-maatregel met dwangverpleging te laten plaatsvinden. De psycholoog heeft behandeling in een ander strafrechtelijk kader niet haalbaar geacht.
De psychiater constateert dat de verdachte lijdt aan diverse psychische stoornissen, namelijk een matige stoornis in het gebruik van cannabis, een aandachtsdeficiëntiestoornis en een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met gemengde trekken van een paranoïde persoonlijkheidsstoornis, schizoïde persoonlijkheidsstoornis, borderline persoonlijkheidsstoornis en antisociale persoonlijkheidsstoornis. De psychiater concludeert dat de psychopathologie op verschillende manieren een rol heeft gespeeld bij het ten laste gelegde. De aanwezige persoonlijkheidsstoornis heeft gemaakt dat de relatieproblematiek gedurende de maanden voorafgaand aan het ten laste gelegde escaleerde, wat de context vormde waarbinnen het ten laste gelegde feit heeft kunnen plaatsvinden. In combinatie met de ADHD-problematiek, de afhankelijkheid van cannabis (waarop hij die avond geen beroep kon doen) en het ontbreken van adequate alternatieve coping was de verdachte onvoldoende in staat om in de aanloop tot het ten laste gelegde en ten tijde van het ten laste gelegde zijn gedachten en emoties te reguleren, het scenario te overzien en te hanteren. De verdachte was door zijn problematiek beperkt in zijn vermogen om andere gedragskeuzes te maken en hiernaar te handelen. Derhalve wordt geadviseerd het ten laste gelegde feit
in verminderde mateaan de verdachte toe te rekenen. Zonder justitieel kader wordt de kans dat de verdachte terugvalt in een ernstig gewelddadig gedrag (zoals een levensdelict) door de psychiater als matig geschat. Toekomstige relationele problemen, met name binnen een gezinssituatie, vormen in combinatie met de aanwezige psychopathologie een belangrijke risico-verhogende factor. De psychiater adviseert tbs met voorwaarden. Indien dit vanwege juridische beperkingen niet mogelijk blijkt, is tbs met verpleging van overheidswege een passend alternatief. Een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf met proeftijd en bijzondere voorwaarden wordt als minder passend beschouwd. Bij bewezenverklaring wordt immers ingeschat dat behandeling noodzakelijk is om het recidiverisico te verlagen. Bij niet-naleving van de voorwaarden volgt binnen dit kader geen behandeling, maar slechts tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf.
De rechtbank verenigt zich met de conclusies van de deskundigen, neemt deze over en is van oordeel dat het bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte is toe te rekenen.
Conclusie
De verdachte is strafbaar, omdat (ook overigens) geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid volledig uitsluiten.

6.De straf en de maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, gelet op hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte de maatregel van tbs met dwangverpleging op te leggen, niet gemaximeerd, nu moord een misdrijf betreft tegen de onaantastbaarheid van het lichaam.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht, wanneer zij van oordeel is dat aan de verdachte een sanctie dient te worden opgelegd, de adviezen van het NIFP over te nemen en een gevangenisstraf voor de duur van maximaal 5 jaren en tbs met voorwaarden op te leggen met de voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd. De verdediging heeft de rechtbank verzocht om, wanneer de rechtbank de verdediging daarin niet volgt, geen tbs met dwangverpleging op te leggen, maar te kiezen voor een gevangenisstraf van maximaal 8 jaren, eventueel gecombineerd met een 38z-maatregel.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen sancties is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag door het slachtoffer met een mes in het bovenlichaam te steken. Hiermee heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan één van de ernstigste delicten uit het Wetboek van Strafrecht (Sr) en heeft hij het slachtoffer diens meest fundamentele recht, het recht op leven, ontnomen. Het behoeft geen betoog dat de verdachte met zijn handelen een onomkeerbaar verlies teweeg heeft gebracht en de nabestaanden van het slachtoffer groot leed heeft aangedaan. Het leed van de nabestaanden blijkt ook uit de op de terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring. Hierin weerklinkt het grote gemis en verdriet dat het handelen van de verdachte bij de naasten van het slachtoffer heeft teweeggebracht. Naast het leed en verdriet bij de nabestaanden heeft het handelen van de verdachte ook grote gevoelens van onveiligheid en onrust met zich gebracht voor de buurt en de samenleving als geheel.
De rechtbank weegt in het nadeel van de verdachte voorts mee dat hij zich op verschillende momenten heeft gerealiseerd dat, wanneer het zou komen tot een ontmoeting met het slachtoffer, deze mogelijk zou eindigen met geweld. Desondanks heeft hij niet geprobeerd het conflict op andere wijze op te lossen. Daarbij heeft de verdachte zijn dochter, die hij naar eigen zeggen juist wilde beschermen, getuige gemaakt van een traumatische gebeurtenis. Zij heeft het steken zelf weliswaar niet gezien, maar zij zal de gebeurtenissen daaraan voorafgaand en daarop volgend zeker hebben meegekregen.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte is van belang dat het feit hem slechts in verminderde mate kan worden toegerekend. Tevens weegt de rechtbank in het voordeel van de verdachte mee dat hij direct verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daad en spijt heeft betuigd tegenover de familie van het slachtoffer. Recent heeft een gesprek plaatsgevonden in het kader van herstelbemiddeling tussen de halfbroer van het slachtoffer en de verdachte, dat volgens beiden positief is verlopen. De verdachte heeft er blijk van gegeven dat hij de ernst van het aan de nabestaanden aangedane leed inziet en heeft ook openlijk zijn spijt betuigd.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat geen andere straf passend is dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank heeft gekeken naar de straffen die doorgaans in vergelijkbare zaken worden opgelegd, te weten een gevangenisstraf tussen de acht en twaalf jaren. Uitgaande van die bandbreedte en met inachtneming van het bovenstaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van negen jaren met aftrek van het voorarrest geboden. De rechtbank komt tot een lagere straf dan is geëist door de officier van justitie, omdat zij niet moord maar doodslag bewezen acht.
Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of aan de verdachte een tbs-maatregel dient te worden opgelegd.
Uit de hiervoor besproken NIFP-rapportages leidt de rechtbank af dat er sprake is van een matig recidiverisico, indien de verdachte geen passende behandeling krijgt. De rechtbank volgt de deskundigen in dit oordeel, hetgeen meebrengt dat de verdachte op enig moment een passende behandeling moet krijgen om het recidiverisico te verlagen. Die passende behandeling kan vanuit gedragskundig oogpunt plaatsvinden in het kader van een tbs met voorwaarden, maar dit is gelet op de door de rechtbank passend en geboden geachte gevangenisstraf van negen jaar en het bepaalde in artikel 38, derde lid, Sr juridisch niet mogelijk. Deze juridische onmogelijkheid geldt ook voor een behandeling in het kader van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. Een behandeling in dit kader wordt door de deskundigen ook niet geadviseerd, omdat dan de mogelijkheid bestaat dat de verdachte onbehandeld in de maatschappij terugkeert, hetgeen vanuit recidivebeperkend oogpunt niet wenselijk is. Bij de beoordeling hebben de deskundigen ook betrokken dat bij de verdachte sprake is van een ambivalente motivatie voor behandeling.
Het voorgaande maakt dat de rechtbank ook onvoldoende waarborgen ziet bij oplegging van een door de verdediging voorgestelde artikel 38z-maatregel.
Resteert hetgeen de deskundigen subsidiair hebben geadviseerd: de oplegging van een tbs met verpleging van overheidswege. Aan de wettelijke eisen voor het opleggen hiervan is voldaan: het bewezenverklaarde betreft een misdrijf als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, onder 1, Sr, ten tijde van het begaan van dit strafbare feit was er bij de verdachte sprake van een persoonlijkheidsstoornis, een aandachtsdeficiëntiestoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis, en de rechtbank is van oordeel dat de algemene veiligheid van personen het opleggen van de tbs-maatregel eist, mede bij gebrek aan adequate alternatieven.
De maatregel wordt opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, zodat de duur van de tbs-maatregel wettelijk niet gemaximeerd is en een periode van vier jaar te boven kan gaan.

7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1
De vorderingen van de benadeelde partijen
De benadeelde partij
[Benadeelde partij 1]vordert een schadevergoeding van € 17.500,00, ter zake van de dood van zijn zoon, bestaande uit immateriële schade (affectieschade).
De benadeelde partij
[Benadeelde partij 2]vordert een schadevergoeding van € 20.004,50, ter zake van de dood van haar zoon, bestaande uit € 2504,50 aan materiële schade (uitvaartkosten) en € 17.500,00 aan immateriële schade (affectieschade).
De benadeelde partij
[Benadeelde partij 3]vordert een schadevergoeding van € 17.500,00 euro, ter zake van de dood van zijn (half)broer, bestaande uit immateriële schade (affectieschade).
Alle benadeelde partijen vorderen schadevergoeding onder vermeerdering van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen en heeft tevens gevorderd de schadevergoedingsmaatregel ten laste van de vorderingen op te leggen.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen aan het oordeel van de rechtbank. De verdediging merkt ten aanzien van de vordering van [Benadeelde partij 2] wel op dat de beveiligingskosten bij de uitvaart ad € 150,00 strikt genomen niet op de verdachte verhaald kunnen worden, nu het causale verband ontbreekt. Het causaal verband wordt evengoed niet betwist.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Artikel 6:108, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt dat de kosten van lijkbezorging verhaald kunnen worden op degene die verantwoordelijk is voor het overlijden van een ander. Op grond hiervan zal de rechtbank de gevorderde materiële schade ter hoogte van € 2.504,50 aan uitvaartkosten geheel toewijzen. De kosten zijn door de benadeelde partij [Benadeelde partij 2] voldoende onderbouwd en zijn door de verdediging niet betwist. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er ook een causaal verband bestaat ten aanzien van de beveiligingskosten. De uitvaart was immers een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit en in het verlengde daarvan werden vanwege de familieverhoudingen beveiligingskosten gemaakt. Dat is geen te ver verwijderd verband en de verdachte is hiervoor dan ook aansprakelijk.
Affectieschade
Op grond van artikel 6:108 lid 3 BW kunnen nabestaanden affectieschade vorderen in het geval het overlijden van het slachtoffer het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor een ander, in dit geval de verdachte, aansprakelijk is. De ouders van het slachtoffer behoren tot de vaste kring van personen die aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade (artikel 6:108 lid 4 aanhef en onder c BW). Een (half)broer kan, wanneer er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking en deze aannemelijk wordt gemaakt, een beroep doen op de hardheidsclausule (artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder g BW). De gevorderde bedragen zijn in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en de vorderingen zijn door de verdediging niet weersproken. De rechtbank zal de vorderingen daarom toewijzen.
Conclusie
Resumerend zal de rechtbank de volgende bedragen aan schadevergoeding toewijzen:
[Benadeelde partij 1] (vader) € 17.500,00 aan affectieschade;
[Benadeelde partij 2] (moeder) € 17.500,00 aan affectieschade en € 2.504,50 aan materiële schade;
[Benadeelde partij 3] ((half)broer) € 17.500,00 aan affectieschade.
Wettelijke rente
Over de te vergoeden schade is wettelijke rente verschuldigd. Gelet op de verschillende data waarop de schadeposten zijn ontstaan, gaat de rechtbank uit van verschillende ingangsdata van de wettelijke rente. Ten aanzien van de te vergoeden affectieschade is wettelijke rente verschuldigd vanaf 26 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Ten aanzien van de materiële schade is wettelijke rente verschuldigd vanaf 28 januari 2025, zijnde de factuurdatum, tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moeten maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet verder aanleiding om ten aanzien van de toegewezen posten de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr op te leggen.

8.Het beslag

De rechtbank zal het onder de verdachte inbeslaggenomen mes onttrekken aan het verkeer, nu gebleken is dat het feit is begaan met het voorwerp en het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet.
De rechtbank zal de bewaring van de inbeslaggenomen kleding ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

9.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36b, 36c, 36f, 37a, 37b, 38d en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt de verdachte vrij van het onder feit 1 primair ten laste gelegde feit;
Bewezenverklaring
  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder
  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
  • verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder
  • verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
  • veroordeelt de verdachte tot een
  • beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in
Maatregel
  • gelast dat de verdachte
  • beveelt dat de ter beschikking gestelde
Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen
[Benadeelde partij 1] :
  • wijst ten aanzien van het subsidiaire feit de vordering van de benadeelde partij
  • veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
  • legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [Benadeelde partij 1] van een bedrag van € 17.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
  • bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt
  • bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;
[Benadeelde partij 3] :
  • wijst ten aanzien van het subsidiaire feit de vordering van de benadeelde partij
  • veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
  • legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [Benadeelde partij 3] van een bedrag van € 17.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
  • bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt
  • bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;
[Benadeelde partij 2] :
  • wijst ten aanzien van het subsidiaire feit de vordering van de benadeelde partij
  • veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
  • legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [Benadeelde partij 2] , van een bedrag van € 20.004,50, bestaande uit € 2.504,50 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening en € 17.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
  • bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt
  • bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

Beslag

  • onttrekt aan het verkeer het in beslag genomen mes (G1766855);
  • gelast de bewaring van de in beslag genomen kleding (G1766860) ten behoeve van de rechthebbende.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.J. Quaedvlieg, voorzitter, mr. S.L.M. van Venrooij en mr. M. el Jerrari, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M.E. Adams, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 20 januari 2026.
BIJLAGE: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
T.a.v. feit 1 primair:
hij op of omstreeks 26 december 2024 in de gemeente Heerlen , althans in Nederland, [Slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade
van het leven heeft beroofd, door die [Slachtoffer] meermalen met een mes in het bovenlichaam te steken;
T.a.v. feit 1 subsidiair:
hij op of omstreeks 26 december 2024 in de gemeente Heerlen , althans in Nederland, [Slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [Slachtoffer] meermalen met een mes in het bovenlichaam te steken;
T.a.v. feit 1 meer subsidiair:
hij op of omstreeks 26 december 2024 in de gemeente Heerlen
aan [Slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten twee
perforaties in de borstholten, heeft toegebracht, door die [Slachtoffer] meermalen
met een mes in het bovenlichaam te steken,
terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad.

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2024210178, gesloten op 1 april 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 454.
2.De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 6 januari 2026.
3.Het proces-verbaal van verhoor getuige van 27 december 2024, p. 37 en 38.
4.Het proces-verbaal forensisch overlijdensonderzoek persoon [Slachtoffer] (15/10/1994) van 1 februari 2025, p. 326-328.
5.Het losbladig definitief deskundigenrapport forensische pathologie [naam patholoog] van 9 september 2025, zonder doornummering, p. 2-8.
6.Het losbladig aanvullend deskundigenrapport forensische pathologie [naam patholoog] van 30 november 2025, zonder doornummering, p. 6.