Uitspraak
[verdachte] ,
De procedure
- medewerking verleent aan alle aanwijzingen van de gecertificeerde instelling, te weten Bureau Jeugdzorg Limburg;
- medewerking verleent aan het klinische behandeltraject binnen [instelling] , alle afspraken en behandeladviezen nakomt, ook rondom het innemen van medicatie, zich niet onttrekt aan de behandeling of aan het toezicht, zolang dit noodzakelijk wordt geacht door GGzE en de jeugdreclassering;
- zich houdt aan het volgen van het interne dag-onderwijsprogramma van [instelling] ;
- zich houdt aan alle opbouw in vrijheden en uiteindelijke verlofmomenten in overeenstemming met en met goedkeurig van GGzE en de jeugdreclassering;
- alleen onder toezicht gebruik maakt van elektronische apparatuur met internetverbinding/digitale hulpmiddelen zolang als de GGzE en de jeugdreclassering nodig achten;
- inzicht geeft in zijn (offline en online) contacten.
- [verdachte] , zijn raadsvrouw en zijn ouders;
- de officier van justitie;
- de heer [naam 1] , als jeugdreclasseerder verbonden aan de gecertificeerde instelling Bureau Jeugdzorg Limburg (verder te noemen de GI);
- mevrouw [naam 2] , als regiebehandelaar verbonden aan de [instelling] (telefonisch), hun mening mogen geven.
- het vonnis van de rechtbank van 1 april 2025;
- de brief namens de [instelling] van 31 maart 2026;
- de terugmelding door de GI van 1 april 2026;
- de brief van de raadsvrouw van 16 april 2026 in reactie op de brief van de [instelling] van 31 maart 2026;
- de reactie namens de [instelling] van 19 april 2026;
- de aanvullende rapportage van de GI van 20 april 2026;
- de reactie van de ouders van [verdachte] op de brief van de [instelling] van 31 maart 2026;
- het proces-verbaal van de terechtzitting van 23 april 2026;
- de afsluitbrief van de [instelling] van 26 april 2026;
- de rapportage psychodiagnostisch onderzoek van de GZ-psychoog i.o. (ongedateerd, kennelijk medio maart 2026);
- de brief van de GZ-psycholoog i.o. aan [verdachte] en zijn ouders (ongedateerd).
De beoordeling
vordering. Die is gebaseerd op de stelling dat [verdachte] de bijzondere voorwaarden heeft overtreden. Waar het hier dan om gaat is de voorwaarde dat [verdachte] – kort gezegd – moet meewerken aan de klinische behandeling in de [instelling] .
[instelling]heeft in de brief van 31 maart 2026 uitgelegd waarom de behandeling is stopgezet. In de afsluitbrief van 26 april 2026 is dat nog uitgebreider beschreven. De [instelling] heeft beschreven dat ondanks vele extra inspanningen het niet gelukt is om [verdachte] zijn behandelingen te laten voltooien; de stapjes zijn te klein en de vooruitgang te weinig, waarbij [verdachte] diverse therapieën niet heeft willen volgen of niet heeft afgemaakt. Verder heeft de [instelling] meerdere incidenten beschreven, maar met de opmerking dat dat niet de reden is voor de beëindiging van de behandeling. Wel waren er zorgen over de leerbaarheid van [verdachte] , maar naast zijn onmogelijkheden was er ook sprake van onwil volgens de [instelling] .
psychodiagnostisch onderzoekondergaan in december 2025 en januari 2026. Een van de redenen daarvoor was dat er nog weinig vooruitgang werd gezien in het jaar dat [verdachte] in de [instelling] verbleef. Dat leidde tot de vraag of is sprake was van een gebrek aan motivatie/inzet, of dat [verdachte] misschien overvraagd werd.
duidelijke cognitieve kwetsbaarheden die zich uiten in wisselende belastbaarheid, problemen met informatieopname, beperkingen in complex redeneren, verminderde volgehouden aandacht en inconsistente inzet van executieve vaardigheden. Zijn gekristalliseerde kennis vormt een relatieve sterkte, maar de zwakkere vloeiende intelligentie, verwerkingssnelheid en geheugenprocessen bepalen grotendeels hoe hij functioneert in situaties met hogere cognitieve eisen. Deze bevindingen sluiten nauw aan bij het klinisch beeld van ADHD- en ASS-kenmerken en bij de cognitieve problemen die mensen met een schizofreniespectrumstoornis kunnen ondervinden. Medicatie-invloeden en vroege neurologische kwetsbaarheid versterken dit geheel. Vanuit dit profiel is het goed te begrijpen dat [verdachte] snel overvraagd raakt en dat zijn functioneren van dag tot dag sterk kan wisselen. Dit maakt het voor hem lastig om stappen te zetten in zijn behandeling. (…) Tot slot is het belangrijk dat de verwachtingen van [verdachte] zelf en zijn omgeving worden afgestemd op de gevonden kwetsbaarheden. In het verleden lijkt [verdachte] op meerdere momenten te zijn overvraagd. Wanneer er vanuit de omgeving of vanuit hemzelf meer wordt verwacht dan hij daadwerkelijk kan laten zien, bestaat er groot risico op overvraging en taalervaringen”
[instelling]heeft op de zitting geconcludeerd dat ze [verdachte] niet willen terugnemen, omdat ze niet de behandeling kunnen bieden die [verdachte] nodig heeft, waarbij de [instelling] duidelijk heeft gezegd dat dit te maken heeft met een combinatie van onkunde en onwil bij [verdachte] .