ECLI:NL:RBLIM:2026:5544

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
11991024 CV 25-5476
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Piëtte
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 128 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering ziektekostenverzekering wegens niet-betaald eigen risico

CZ Zorgverzekeringen vordert betaling van €364,97 van de verzekerde wegens niet-betaald eigen risico voor zorgkosten. De verzekerde voert verweer dat de vordering onvoldoende is onderbouwd en dat hij vanwege persoonlijke omstandigheden geen betalingsregeling kon treffen.

De kantonrechter oordeelt dat uit de overgelegde stukken blijkt dat het bedrag aan eigen risico verschuldigd is en dat de zorg daadwerkelijk is genoten. Het verweer dat bewijsstukken ontbreken wordt verworpen, omdat dit een kwestie is tussen verzekerde en zorgverlener. Ook het verzoek om een betalingsregeling kan niet door de rechter worden toegewezen.

De vordering wordt toegewezen en de verzekerde wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag en de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en is op 17 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De vordering van CZ tot betaling van €364,97 aan eigen risico wordt toegewezen met veroordeling in proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11991024 \ CV EXPL 25-5476
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
CZ ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
te Tilburg,
eisende partij,
hierna te noemen: CZ,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[gedaagde partij],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
gemachtigde: mr. G. Tajjiou.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde partij] is bij CZ verzekerd tegen ziektekosten.

3.Het geschil

3.1.
CZ vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 364,97, vermeerderd met kosten.
3.2.
[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot afwijzing van de vordering van CZ.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
CZ vordert betaling van een bedrag van € 364,97. Bij de dagvaarding is als bijlage 1 een overzicht van de door zorgverleners ingediende rekeningen overgelegd en als bijlage 2 een overzicht van de stand van het eigen risico. Uit deze beide stukken kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat [gedaagde partij] een bedrag van € 364,97 aan eigen risico verschuldigd is. Dit is ook vermeld in de brief van 7 oktober 2024 die aan de dagvaarding is gehecht. Het verweer dat [gedaagde partij] bij conclusie van antwoord voert, kan de kantonrechter daarom niet volgen.
4.2.
Daarna voert [gedaagde partij] aan dat de vordering volgens hem nog steeds niet voldoende is onderbouwd. Bewijsstukken dat hij de zorg heeft genoten, zoals gespecificeerde nota’s, ontbreken nog steeds. De kantonrechter verwerpt ook dit verweer. Dat de zorg is genoten, staat wel vast. Waarom zou de zorgverlener anders kosten in rekening brengen bij CZ? Bovendien is dit een vraag die [gedaagde partij] bij de zorgverlener moet neerleggen, voor zover hij al twijfelt of de zorg is genoten. In bijlage 1 en ook uit de bij repliek overgelegde brieven volgt dat het gaat om het eigen risico van de behandeling bij MET GGZ op 18 april 2024.
Omdat dit verweer ook pas bij dupliek is gevoerd, heeft CZ hierop niet kunnen reageren. Het had voor [gedaagde partij] al bij antwoord duidelijk moeten zijn, gelet op bijlage 1 en 2, waarover de vordering ging, zodat hij zijn verweer op grond van artikel 128 Rv Pro al bij antwoord moeten voeren. Met dit verweer kan daarom ook op deze grond geen rekening worden gehouden.
4.3.
Tot slot voert [gedaagde partij] nog aan dat hij vanwege zijn persoonlijke omstandigheden geen betalingsregeling kon treffen. Daarom vindt [gedaagde partij] dat hij de kans moet krijgen om de rekening in delen te betalen. Dit moet [gedaagde partij] met CZ of met de gemachtigde van CZ regelen. De kantonrechter kan geen betalingsregeling in een vonnis opnemen.
4.4.
De conclusie is dat het verweer van [gedaagde partij] wordt verworpen en dat de vordering van CZ wordt toegewezen.
4.5.
[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CZ worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
135,00
- salaris gemachtigde
174,00
(2 punten × € 87,00)
- nakosten
43,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
497,95

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan CZ te betalen een bedrag van € 364,97,
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 497,95, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.