Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:5575

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
ROE 26/919
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OwArt. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 8:69a AwbArt. 4:5 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning transformatie kantoor naar appartement

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen de verlening van een omgevingsvergunning voor het transformeren van een kantoor naar een appartement in Brunssum en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelt dat het college het gebrek aan participatie in de aanvraagfase heeft hersteld door alsnog participatie te organiseren in de bezwaarprocedure, waardoor geen reden bestaat om het besluit te schorsen.

Verder is vastgesteld dat de aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan, maar het college mocht de vergunning verlenen op grond van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Beschermde diersoorten, zoals vleermuizen, vormen geen belemmering omdat geen relevante verstoring aannemelijk is gemaakt. Ook de parkeerbehoefte is adequaat afgedekt.

Verzoeker stelde ook bezwaren over geluidsoverlast, privacy, en privaatrechtelijke belemmeringen zoals de splitsingsakte en eigendom van de tuin. Deze gronden zijn niet toereikend om het besluit te schorsen. De voorzieningenrechter concludeert dat het college de vergunning terecht heeft verleend en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor transformatie kantoor naar appartement wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/919

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 juni 2026 in de zaak tussen

[naam] , uit Brunssum, verzoeker,

(gemachtigde: W.R.J.M. van der Weide),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Brunssum, het college,
(gemachtigde: mr. B. Dinjens).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam] , uit Neer, vergunninghouder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een verleende omgevingsvergunning voor het transformeren van een kantoor naar een appartement aan de [adres] in Brunssum. Verzoeker is niet eens met de verlening van deze omgevingsvergunning. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij voert in zijn verzoekschrift een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het besluit van 20 oktober 2025 heeft het college aan vergunninghouder de omgevingsvergunning verleend. Met het bestreden besluit van 10 maart 2026 op het bezwaar van verzoeker is het college bij verlening van de omgevingsvergunning gebleven. Verzoeker heeft daartegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Het college heeft op het verzoek met een verweerschrift gereageerd. Verzoeker is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 19 maart 2025 heeft vergunninghouder een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwplan ingediend. De begane grond van onderhavig pand wordt inpandig tot een woning verbouwd. Verder wordt de gevel aangepast.
4. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor de omgevingsplanactiviteiten als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet (hierna: Ow), te weten een omgevingsplanactiviteit voor bouwen en een omgevingsplanactiviteit voor het afwijken van de regels in het omgevingsplan (ook wel buitenplanse omgevingsplanactiviteit genoemd, afgekort tot ‘bopa’). Het college heeft de omgevingsplanactiviteit voor bouwen enkel verleend voor de aanpassingen aan de voorgevel. Deze aanpassingen zijn niet constructief. De omgevingsplanactiviteit voor het afwijken van de regels in het omgevingsplan is enkel voor de functiewijziging van het pand verleend.
5. Verzoeker woont aan de [adres] in Brunssum. Deze woning bevindt zich op de eerste verdieping van het pand.
Spoedeisend belang
6. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Dat betekent dat sprake moet zijn van zo’n spoedeisende situatie dat een beslissing in de hoofdzaak – in dit geval de uitspraak in beroep – niet kan worden afgewacht.
6.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat vergunninghouder in een e-mail van
23 april 2026 heeft aangegeven dat hij maximaal vier weken zal wachten met het starten van de bouwwerkzaamheden. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker een voldoende spoedeisend belang heeft bij een voorlopig rechtmatigheidsoordeel over het bestreden besluit.
Kortsluiten
7. Als iemand hangende een beroepsprocedure een verzoek om voorlopige voorziening indient, kan de voorzieningenrechter gelijk uitspraak doen op het beroep (kortsluiten) als hij van oordeel is dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. [1]
7.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat tegen het bestreden besluit naast het beroep van verzoeker [2] nog een ander beroep loopt dat door de gemachtigde van verzoeker is ingediend. [3] Op zitting heeft zij aangegeven dat zij nog aanvullende gronden voor haar beroep wil indienen. Dit beroep van de gemachtigde zal mogelijk op een later moment op een zitting worden gepland. De voorzieningenrechter acht op voorhand niet uitgesloten dat afhandeling van het beroep van verzoeker betekenis kan hebben voor de afdoening van het andere aanhangige beroep van de gemachtigde van verzoeker. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter geen toepassing geven aan artikel 8:86 van Pro de Awb en alleen op het verzoek om een voorlopige voorziening beslissen.
Omvang van het geding
8. De voorzieningenrechter overweegt dat de grond die verzoeker heeft aangevoerd over de bouwkundige staat van het pand en de veronderstelde constructieve ingrepen daaraan in deze procedure niet aan de orde kan komen, omdat geen omgevingsvergunning is verleend voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Ow. Ook de grond dat het besluit op het bezwaar van de gemachtigde van verzoeker pas aan haar zou zijn verzonden nadat zij daarom heeft verzocht en ze daarom slechts één week de tijd had om beroep in te dienen, kan in deze procedure niet aan de orde komen. Deze grond heeft immers geen betrekking op het bestreden besluit van verzoeker.
Moest het college de aanvraag buiten behandeling stellen?
Ruimtelijke onderbouwing te laat aangeleverd
9. Verzoeker voert aan dat het college de aanvraag buiten behandeling had moeten stellen, omdat de ruimtelijke onderbouwing dateert van 9 september 2025 terwijl het college vergunninghouder de termijn had gegeven om uiterlijk 20 juli 2025 de aanvraag aan te vullen.
9.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat uit artikel 4:5, eerste lid, onder c, van de Awb volgt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Hieruit volgt dat het college de aanvraag buiten behandeling
kanstellen, maar niet dat het college de aanvraag ook buiten behandeling
moetstellen. Het college heeft in het na afloop van de termijn alsnog aanleveren van de ruimtelijke onderbouwing geen grond gezien om de aanvraag buiten behandeling te stellen en het maken van die keuze valt naar het oordeel van de voorzieningenrechter binnen de beslisruimte die aan het college op grond van de Awb toekomt als het gaat om wel of niet behandelen van een vergunningaanvraag. Deze grond slaagt dus niet.
Participatie
10. Verzoeker voert verder aan dat het participatieverslag onjuistheden bevat, omdat hij niet door vergunninghouder is benaderd en ook niet heeft aangegeven dat hij het bouwplan een goed idee vond. Participatie heeft pas achteraf plaatsgevonden zonder dat sprake was van invloed op het bouwplan. De voorzieningenrechter vat deze grond van verzoeker op als dat hij vindt dat het college de omgevingsvergunning in het bestreden besluit had moeten herroepen en de aanvraag vervolgens buiten behandeling had moeten stellen vanwege het ontbreken van de vereiste participatie voorafgaand aan een vergunningaanvraag. De voorzieningenrechter overweegt daarover als volgt.
10.1.
Het uitgangspunt onder de Ow is dat het bieden van participatiemogelijkheden door de initiatiefnemer voorafgaand aan het indienen van een aanvraag om een omgevingsvergunning vrijwillig is. Een aanvraagvereiste is wel dat moet worden aangegeven of participatie heeft plaatsgevonden en zo ja, wat hiervan de resultaten zijn. [4] De gemeenteraad kan echter gevallen aanwijzen waarin participatie verplicht is voorafgaande aan een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. [5] De gemeenteraad van Brunssum heeft alle buitenplanse initiatieven aangemerkt als gevallen waarin participatie verplicht is. [6] Participatie was dus verplicht bij deze aanvraag. De wetgever heeft niet bepaald wanneer er bij verplichte participatie sprake is van voldoende participatie.
10.2.
In de ruimtelijke onderbouwing bij de aanvraag is aangegeven dat vergunninghouder bij directe buren zijn plan heeft toegelicht en dat deze buren positief of neutraal hebben gereageerd. De bovenbuur (verzoeker) zou het bouwplan een goed idee vinden. Bij de andere buurtbewoners heeft vergunninghouder brieven in hun brievenbus gedaan en daarop heeft hij geen reactie gekregen.
10.3.
De voorzieningenrechter overweegt dat het aannemelijk is dat door vergunninghouder onjuiste informatie in de aanvraag is verstrekt. Het lijkt er sterk op dat er voorafgaand aan de vergunningaanvraag door vergunninghouder geen participatietraject is gevoerd, omdat drie belanghebbenden/ omwonenden los van elkaar het standpunt hebben ingenomen dat zij niet zijn benaderd. Dit in tegenstelling tot wat vergunninghouder in de aanvraag heeft verklaard. Het college is dit in de bezwaarfase ook duidelijk geworden. Het college heeft daarom gemeend in de bezwaarfase een gesprek te laten plaatsvinden met onder andere vergunninghouder en verzoeker over de bezwaren die verzoeker tegen het bouwplan heeft. Van dit gesprek is een verslag gemaakt en dat verslag is door het college bij de beslissing op bezwaar betrokken.
10.4.
De voorzieningenrechter overweegt dan ook dat het college in de bezwaarfase het gebrek in de participatie in de aanvraagfase heeft hersteld door alsnog de benodigde participatie te organiseren in het kader van de heroverweging in bezwaar en dus niet ervoor te kiezen om alsnog de omgevingsvergunning te herroepen en de aanvraag buiten behandeling te stellen. Daarom ziet de voorzieningenrechter geen reden om het bestreden besluit hierom te schorsen.
Mocht het college de omgevingsvergunning verlenen?
Toetsingskader
11. Op 1 januari 2024 is de Ow in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet beschikt elke gemeente automatisch (van rechtswege) [7] over een omgevingsplan [8] met regels over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Ten tijde van het bestreden besluit bestond het omgevingsplan uit een tijdelijk deel [9] , waarin onder meer alle bestemmingsplannen waren opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden.
12. Op de onderhavige locatie was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan ‘Centrum, 1e herziening’ (hierna: het bestemmingsplan) van kracht. Het bestemmingsplan maakt vanaf 1 januari 2024 deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Op deze locatie geldt de bestemming ‘Gemengd 2’. De aanvraag is in strijd met dit bestemmingsplan, omdat het toevoegen van een nieuwe woning niet is toegestaan.
13. Een activiteit die in strijd is met het omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd. [10] Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) zijn de beoordelingsregels opgenomen voor een aanvraag om een omgevingsplanactiviteit. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader dat geldt wanneer het college de aanvraag van de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit beoordeelt. In artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een bopa alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
14. De vraag die in het kader van deze procedure dus moet worden beantwoord, is of het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanvraag voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
- vleermuizen staan aan de uitvoerbaarheid van de omgevingsvergunning in de weg
15. Verzoeker voert aan dat beschermde diersoorten aanwezig zijn, in het bijzonder vleermuizen. Het college heeft nagelaten om een ecologisch onderzoek daarnaar te verrichten en daarom is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid. Schorsing van de omgevingsvergunning is nodig omdat anders de vleermuizen worden verstoord.
15.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat het college in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ook moet motiveren waarom een flora- en fauna-activiteit niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van de omgevingsvergunning in de weg staat.
15.2.
De voorzieningenrechter stelt vast dat in de ruimtelijke onderbouwing behorende bij de verleende omgevingsvergunning is gemotiveerd dat gezien de beperkte inpandige verbouwingswerkzaamheden en de aanpassing van de voorgevel van slechts één woning geen sprake zal zijn van een relevante verstoring van beschermde flora-en fauna. Ter plaatse van de huidige voorgevel is met name sprake van grote glaspartijen en het beperkte geveldeel wat uit metselwerk bestaat bevat geen open stootvoegen. Met andere woorden: de voorgevel is niet geschikt voor het huisvesten van vleermuizen. De voorzieningenrechter kan deze toelichting volgen. Verzoeker heeft bovendien niet met stukken onderbouwd dat er desondanks vleermuizen in de voorgevel aanwezig zijn, maar enkel gesteld dat door zijn gemachtigde vleermuizen in de omgeving van het pand zijn waargenomen.
15.3.
Op zitting heeft verzoeker verder aangegeven dat de vleermuizen in ieder geval op en in de overige gevels van het pand aanwezig zijn en dat door de bouwwerkzaamheden trillingen zullen ontstaan waardoor hun verblijfsplaats wordt verstoord. Ook hier geldt dat verzoeker dit enkel stelt zonder enige onderbouwing hiervan. Naar de huidige stand van zaken was het college niet gehouden om verder onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen op of in de overige gevels van het perceel te doen. Het beperkte bouwplan en het ontbreken van enige informatie over de daadwerkelijke aanwezigheid van vleermuizen geeft daarvoor geen aanleiding. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat niet aannemelijk is dat sprake is van een flora-en fauna-activiteit die aan de (uitvoerbaarheid van de) gevraagde omgevingsvergunning in de weg staat.
- Parkeren
16. Eiser voert aan dat het college het aspect parkeren onvoldoende heeft gemotiveerd, omdat enerzijds wordt aangegeven dat het realiseren van een parkeerplaats als verplichting aan de omgevingsvergunning is verbonden en anderzijds wordt gesteld dat de parkeerplaatsen op de openbare ruimte kunnen worden gebruikt als het realiseren van een parkeerplaats op eigen terrein niet mogelijk zou zijn.
16.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de parkeerbehoefte voor het bouwplan één parkeerplaats is zoals volgt uit de ‘Parkeernota Brunssum 2022’. De voorzieningenrechter kan dat volgen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de stukken en wat op zitting door het college is toegelicht, is gebleken dat aan de achterzijde van het pand twee parkeerplaatsen op eigen terrein aanwezig zijn of in ieder geval volgens het bouwplan zullen worden gerealiseerd. Hiermee is aan de parkeerbehoefte voldaan en bestaat geen reden voor schorsing van het bestreden besluit vanwege de parkeerbehoefte.
- Gebruik pand: privacy en geluid, feitelijk gebruik tuin
17. Verzoeker stelt dat in het bestreden besluit onvoldoende rekening met geluidsoverlast en privacy van omwonenden is gehouden. Door de functiewijziging naar wonen zal sprake zijn van een wezenlijk intensiever gebruik van het pand met een toename van de in-en uitgaande bewegingen van bewoners en bezoekers. Dit zorgt voor meer geluidsoverlast bij verzoeker en bewoners van het nieuwe appartement op de begane grond doordat het een oud pand is met houten vloeren. Ook zorgt dit intensiever gebruik ervoor dat vanuit de ramen van het gebouw inkijk in de tuin van verzoeker waarschijnlijk is. In de oude situatie was dat niet het geval doordat die ramen waren afgeplakt.
17.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat met de functiewijziging niet een dusdanig intensief gebruik van de begane grond wordt toegelaten dat het college om die reden de omgevingsvergunning niet had mogen verlenen. Daarbij is van belang dat het bestemmingsplan onder andere maatschappelijke voorzieningen rechtstreeks toelaat zoals een zorghotel en zorgwoningen. Dergelijke voorzieningen hebben minimaal een vergelijkbare impact op het woon-en leefklimaat als een woning. Er komen misschien nog wel meer bewoners en bezoekers en ook die functies kunnen in de avonduren en de weekenden worden uitgeoefend net zoals een woning. Over de overlast door de houten vloeren heeft verzoeker op zitting aangegeven dat het gaat om de houten vloeren op de eerste verdieping (de vloeren van zijn woning) en niet de vloeren op de begane grond. Daarover overweegt de voorzieningenrechter dat de houten vloeren op de eerste verdieping geen onderdeel van het bouwplan zijn en dus niet bij de beoordeling worden betrokken. Ten aanzien van de tuin overweegt de voorzieningenrechter dat vanaf de begane grond zicht is op de op de begane grond gelegen tuin door de aanwezigheid van ramen. Deze omgevingsvergunning brengt daarin geen ruimtelijk relevante wijziging, omdat ook met de huidige gemengde bestemming zicht op de tuin altijd mogelijk is en dat zicht zal met de functiewijziging naar wonen niet veranderen. Dat tot op heden de ramen zijn afgeplakt en dat zicht op de tuin daarmee feitelijk is beperkt, hoeft het college niet bij zijn afweging te betrekken.
17.2.
De beroepsgrond dat onvoldoende rekening met de privacy van omwonenden (anders dan verzoeker) wordt gehouden, slaagt door het relativiteitsvereiste uit artikel 8:69a van de Awb niet. Dat relativiteitsvereiste houdt in dat verzoeker alleen een beroep kan doen op normen die bedoeld zijn om zijn belang te beschermen. Verzoeker kan vanwege het relativiteitsvereiste niet opkomen voor de belangen van degenen die in het appartement op de begane grond gaan wonen.
- Evidente privaatrechtelijke belemmeringen
18. Verzoeker stelt dat sprake is van evidente privaatrechtelijke belemmeringen. Ten eerste is volgens verzoeker in de splitsingsakte opgenomen dat appartementsrecht 1 (wat de woning op de begane grond wordt) een commerciële bestemming heeft. Wijziging kan alleen met toestemming van de vereniging van eigenaren (VvE) plaatsvinden aldus verzoeker. De vergunde functiewijziging is in strijd met deze splitsingsakte omdat het aannemelijk is dat door de VvE geen toestemming wordt gegeven. Vaststaat verder dat geen toestemming is gevraagd en ook geen vergadering is bijeengeroepen om die toestemming te krijgen. Het ligt ook niet voor de hand dat de rechter vervangende toestemming zal verlenen.
18.1.
Daarnaast stelt verzoeker dat het college bij de besluitvorming heeft nagelaten de situatie van de tuin in zijn besluit te betrekken. Hoewel de tuin kadastraal bij het appartementsrecht van de begane grond hoort, wordt een deel van deze tuin al meer dan 20 jaar door verzoeker gebruikt. Volgens verzoeker is er dan ook evident sprake van verjaring en is verzoeker eigenaar van de tuin in kwestie. Dat staat volgens verzoeker aan het realiseren van het bouwplan in de weg.
18.2.
Uit vaste rechtspraak [11] van de Afdeling volgt dat niet snel sprake is van een privaatrechtelijke belemmering die in de weg staat aan de verlening van een vergunning, waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan. Dat is alleen aan de orde als deze belemmering een evident karakter heeft. Met ‘evident karakter’ wordt bedoeld dat er geen ruimte is voor twijfel aan het bestaan van de belemmering, de belemmering moet overduidelijk zijn. De burgerlijke rechter is namelijk de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een bouwplan. Dit is slechts anders als zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat realisering van het bouwplan leidt tot strijd met (zakelijke) rechten en ook vaststaat dat niet tot opheffing of wijziging van een dergelijke privaatrechtelijke belemmering kan worden overgegaan.
18.3.
De voorzieningenrechter stelt vast dat uit het door verzoeker overgelegde deel van de splitsingsakte blijkt dat appartementsrecht 1, in dit geval de begane grond, commerciële ruimte is. Anders dan verzoeker stelt, volgt daaruit niet op het eerste gezicht dat vergunninghouder voor een functiewijziging van het gebruik van de begane grond naar wonen toestemming van de VvE nodig heeft. Een verdere uitleg of studie van de splitsingsakte is voor een eventuele dergelijke conclusie nodig en daarmee is reeds gegeven dat van een evidente belemmering geen sprake is. Datzelfde geldt voor de door verzoeker gestelde verjaring als het gaat om de eigendom van de tuin. Het karakter van een beroep op verjaring en de daarmee gepaard gaande aanzienlijke stelplicht en bewijslast aan de zijde van verzoeker betekent dat al daarom van een evidente belemmering geen sprake is. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat niet gebleken is van evidente privaatrechtelijke belemmeringen die schorsing van het bestreden besluit rechtvaardigen.
19. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is er geen grond om aan te nemen dat het college het transformeren van een kantoor naar een appartement in strijd met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties had moeten achten en de omgevingsvergunning om die reden had moeten weigeren.

Conclusie en gevolgen

20. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.J.A. Smitsmans, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Kloos, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 10 juni 2026
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 10 juni 2026

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86, eerste lid, van de Awb.
2.Zaaknummer ROE 26/920.
3.Zaaknummer ROE 26/892.
4.Artikel 16.55, zesde lid, van de Ow in samenhang gelezen met artikel 7.4, eerste lid, van de Omgevingsregeling.
5.Dit is geregeld in artikel 16.55, zevende lid, van de Ow.
6.“Aanwijzing verplichte participatie voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten” van
7.Op grond van artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Ow in samenhang gelezen met artikel 4.6, eerste lid, aanhef en onder g, van de Invoeringswet omgevingswet.
8.Als bedoeld in artikel 2.4, van de Ow.
9.Als bedoeld in artikel 22.1, van de Ow.
10.Dit volgt uit bijlage A behorend bij artikel 1.1 van de Ow, waarin het begrip ‘omgevingsplanactiviteit’ is gedefinieerd.
11.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:541 (onder 4.2.).