ECLI:NL:RBLIM:2026:5583

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
C/03/323515 / HA ZA 23-468
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Noelmans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:89 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijwaringsvordering aannemer tegen onderaannemer na gebrekkig aanneemwerk

In deze civiele zaak vordert de aannemer dat de onderaannemer wordt veroordeeld tot betaling van hetgeen de aannemer in de hoofdzaak aan de opdrachtgevers moet vergoeden wegens gebrekkig aanneemwerk. De hoofdzaak betrof een geschil tussen opdrachtgevers en aannemer over gebreken aan de dakbedekking van een woonhuis.

De rechtbank heeft in het eindvonnis van de hoofdzaak vastgesteld dat de aannemer tekort is geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst vanwege gebreken zoals waterblazen, blaasvorming, houtrot en plasvorming op het dak. Deze gebreken zijn door een deskundige onderbouwd en toegelicht met foto’s en technische rapportage. De klachtplicht van de opdrachtgevers is door de rechtbank verworpen.

De rechtbank heeft de aannemer veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €4.017,20 plus wettelijke rente, en tot betaling van de helft van de deskundigenkosten en incassokosten. De aannemer had het werk uitbesteed aan de onderaannemer, die het gebrekkige werk heeft uitgevoerd.

In de vrijwaringszaak vordert de aannemer dat de onderaannemer wordt veroordeeld tot vergoeding van de door de aannemer in de hoofdzaak te betalen bedragen. De rechtbank heeft de zaak aangehouden en partijen in de gelegenheid gesteld nadere conclusies te nemen over de gevolgen van het eindvonnis voor de vrijwaringszaak. De zaak wordt op 22 juli en 19 augustus 2026 voortgezet.

Uitkomst: De zaak wordt aangehouden voor nadere conclusies na het eindvonnis in de hoofdzaak.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
zaaknummer / rolnummer:
Vonnis in vrijwaring van 24 juni 2026
in de zaak van
[de aannemer],
te [plaats 1] ,
eiser,
hierna te noemen: [de aannemer] ,
advocaat mr. T.J. Wittendorp,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[de onderaannemer] B.V.,
te [plaats 2] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [de onderaannemer] ,
advocaat mr. A.F.G. Bergmans-Jeurissen.

1.De procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure in vrijwaring blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 13 augustus 2025,
  • de rolbeslissing van 13 augustus 2025, waarbij de zaak naar de parkeerrol is verwezen,
  • de rolbeslissing van 13 mei 2026, waarbij de zaak van de parkeerrol is gehaald voor voortprocederen.
1.2.
Ten slotte is vonnis nader bepaald op heden.

2.De verdere beoordeling in vrijwaring

2.1.
[de aannemer] heeft – samengevat – bij dagvaarding van 12 oktober 2023 gevorderd dat [de onderaannemer] , zo mogelijk gelijktijdig met het vonnis in de hoofdzaak, wordt veroordeeld om aan [de aannemer] te betalen al hetgeen waartoe [de aannemer] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, inclusief de proceskosten van de hoofdzaak, met veroordeling van [de onderaannemer] in de kosten van de vrijwaring.
2.2.
Bij tussenvonnis in de hoofd- en vrijwaringszaak van 12 februari 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat in afwachting van de nadere bewijshandeling in de hoofdzaak C/03/319284 / HA ZA 23-272 [1] de vrijwaringszaak wordt aangehouden en dat partijen na eindvonnis in de hoofdzaak in de gelegenheid worden gesteld om in de vrijwaringszaak een nadere conclusie te nemen, waarin zij kunnen toelichten welke consequenties de beslissing in de hoofdzaak volgens hen heeft voor de vrijwaringszaak.
2.3.
In de hoofdzaak tussen [opdrachtgevers] c.s. (opdrachtgevers) en [de aannemer] (aannemer) is heden eindvonnis gewezen. De rechtbank heeft in dat vonnis de conclusies van de door de rechtbank in die zaak benoemde deskundige, die relevant zijn voor de aan [opdrachtgevers] c.s. gegeven bewijsopdracht, tot de hare gemaakt. Zij heeft in rechtsoverweging 2.15.3 geoordeeld dat [opdrachtgevers] c.s. voldoende hebben bewezen dat [de aannemer] is tekort geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst, voor zover het uitgevoerde aanneemwerk de volgende (hierna geciteerde) gebreken betreft:
2.15.3.
Op pagina 23 van het deskundigenrapport is, in de overzichtstekening van de dakdelen op die pagina, door de deskundige ingetekend waar op het dak een grote waterblaas, plasvormingen en houtrotting aanwezig zijn. De deskundige heeft op de pagina’s 14 en 15 van het deskundigenrapport verder voldoende toegelicht dat de afwerking van de dakbedekking ter plaatse van die waterblaas, blaasvorming en houtrot en plasvorming gebrekkig is. Hij heeft de betreffende gebreken voorts aan de hand van foto’s van het locatieonderzoek, van de geconstateerde situatie, inzichtelijk gemaakt. De waterblaas vindt haar oorzaak in een onvolledig en onjuist uitgevoerde verbinding tussen de randstrook en de dakbedekking in het betreffende vlak. De blaasvorming tussen de houten afwerking en de bitumen stroken wordt veroorzaakt door een onvoldoende hechting van bitumen stroken op een vochtige ondergrond. Het hout is door vocht aangetast. De plasvorming is het gevolg van een onjuist stroomverloop van hemelwater richting de hemelwaterafvoeren.
Volgens [opdrachtgevers] c.s. leiden die bevindingen van de deskundige tot de conclusie dat [de aannemer] wanprestatie heeft gepleegd en dat hij de veroorzaakte schade dient te vergoeden.
[de aannemer] betwist dat de plasvorming een gebrek is voert voor het overige aan dat [opdrachtgevers] c.s. niet tijdig hebben geklaagd (artikel 6:89 BW Pro).
Dit beroep op de klachtplicht wordt verworpen. Niet betwist is immers dat [opdrachtgevers] c.s. bij [de aannemer] heeft geklaagd over de algehele slechte kwaliteit van het dak; volgens [opdrachtgevers] c.s. moest het gehele dak worden verwijderd. Het beroep op de klachtplicht slaagt bovendien niet, omdat [de aannemer] niet stelt op welk eerder moment [opdrachtgevers] c.s. dan wel uiterlijk hadden moeten klagen. Er zijn verder geen voldoende inhoudelijke argumenten aangevoerd tegen de onderbouwde technische bevindingen van de deskundige over de gebreken en het noodzakelijke herstel ervan, dat door de deskundige eveneens voldoende is toegelicht in het deskundigenrapport. [opdrachtgevers] c.s. hebben dan ook voldoende bewezen dat [de aannemer] , gelet op de onderhavige gebreken, op dit punt tekort geschoten is in de nakoming van de aannemingsovereenkomst.
2.4.
De rechtbank heeft in de hoofdzaak geoordeeld dat [de aannemer] gelet op die gebreken een schadevergoeding aan [opdrachtgevers] c.s. dient te betalen van in totaal € 4.017,20, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van 14 februari 2022 tot de dag van volledige betaling [2] . Die schadevergoeding omvat de navolgende door de deskundige begrote kosten, die door de rechtbank in de hoofdzaak zijn overgenomen:
- de herstelkosten ad € 1.750,00, exclusief btw, voor het verwijderen en
herstellen van waterblazen, het verbeteren van de aansluiting van de stroken op de
dakbedekking en het vervangen van rotte beplating;
- de kosten ad € 1.570,00, exclusief btw, voor het plaatsen van een extra afvoer
van garagedak naar luifel en het verdiepen van de hemelwaterafvoeren;
Voor een kostenpost onvoorzien heeft de rechtbank in de hoofdzaak geen termen aanwezig geacht, gelet op de aard en inhoud van de bovenstaande herstelwerkzaamheden en het feit dat de deskundige wat die werkzaamheden betreft ook geen kostenpost onvoorzien heeft begroot. Het overige deel van de gevorderde schadevergoeding is afgewezen.
2.5.
Daarnaast heeft de rechtbank [de aannemer] in de hoofdzaak veroordeeld tot betaling aan [opdrachtgevers] c.s. van de helft van de deskundigenkosten van de door de rechtbank benoemde deskundige, zijnde € 3.626,98, en de buitengerechtelijke incassokosten van [opdrachtgevers] c.s. van € 526,72, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de dag van dagvaarding (12 juni 2023) tot de dag van volledige betaling.
2.6.
In het licht van het bovenstaande ligt de onderhavige vordering van [de aannemer] jegens [de onderaannemer] thans ter verdere beoordeling voor. [de aannemer] had al het aanneemwerk uitbesteed aan [de onderaannemer] , die als onderaannemer door [de aannemer] was ingeschakeld om de dakbedekkings-constructie op de ruwbouw van het woonhuis van [opdrachtgevers] c.s. aan te brengen. Het in de hoofdzaak geoordeelde gebrekkige werk is niet door [de aannemer] , maar [de onderaannemer] uitgevoerd.
2.7.
Partijen worden gelet hierop in de gelegenheid gesteld een nadere conclusie te nemen, waarin zij kunnen toelichten welke consequenties de beslissing in de hoofdzaak volgens hen heeft voor de vrijwaringszaak. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat [de aannemer] bij dagvaarding heeft gesteld dat partijen het erover eens zijn dat, bij de vaststelling in de hoofdzaak van een gebrek en een daaruit voortvloeiende veroordeling, [de onderaannemer] op grond van die afspraak tussen partijen gehouden is de helft van de kosten van [de aannemer] (het aan [opdrachtgevers] c.s. te betalen bedrag) te voldoen [3] , doch dat [de onderaannemer] op die stelling niet expliciet bij conclusie van antwoord en ook niet op de mondelinge behandeling heeft gereageerd.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 22 juli 2026 voor het nemen van een conclusie na eindvonnis in de hoofdzaak door [de aannemer] , als overwogen in rechtsoverweging 2.7. van dit vonnis,
3.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 19 augustus 2026 voor het nemen van een conclusie na eindvonnis in de hoofdzaak door [de onderaannemer] , als overwogen in rechtsoverweging 2.7. van dit vonnis,
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Noelmans en in het openbaar uitgesproken. [4]

Voetnoten

1.hierna: de hoofdzaak
2.r.o. 2.17. en 2.20. van dat vonnis
3.randnr. 25 en 26 dv; pr. 5 dv
4.type: CM