ECLI:NL:RBLIM:2026:5585

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
C/03/319284 / HA ZA 23-272
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Noelmans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:89 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aannemer aansprakelijk voor gebrekkige dakbedekking en moet schadevergoeding betalen

De rechtbank Limburg heeft op 24 juni 2026 uitspraak gedaan in een civiele zaak waarin opdrachtgevers een aannemer aansprakelijk stelden voor gebreken aan een dakbedekkingsconstructie die door diens onderaannemer was uitgevoerd.

Na een tussenvonnis werd een deskundigenonderzoek gelast, waarbij een deskundige ter plaatse onderzoek deed en een rapport opstelde. De deskundige concludeerde dat de dakbedekking op enkele punten gebrekkig was, met name door waterblazen, blaasvorming, houtrot en plasvorming, maar dat andere geuite gebreken niet bewezen waren of niet tot aansprakelijkheid van de aannemer leidden.

De aannemer voerde diverse formele en inhoudelijke bezwaren aan tegen het deskundigenrapport, waaronder vermeende partijdigheid en onvolledigheid, maar deze werden door de rechtbank verworpen. De rechtbank oordeelde dat de aannemer aansprakelijk is voor de gebreken die de deskundige heeft vastgesteld en veroordeelde hem tot betaling van een schadevergoeding van €4.017,20 plus wettelijke rente, alsmede een deel van de deskundigenkosten en buitengerechtelijke incassokosten.

De overige vorderingen werden afgewezen en de proceskosten werden gecompenseerd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Aannemer wordt veroordeeld tot betaling van vervangende schadevergoeding van €4.017,20 plus rente en kosten wegens gebrekkige dakbedekking.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/319284 / HA ZA 23-272
Vonnis in de hoofdzaak van 24 juni 2026
in de zaak van

1.[opdrachtgever 1] ,2. [opdrachtgever 2] ,

beiden wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partijen in de hoofdzaak,
hierna samen te noemen: [de opdrachtgevers] c.s.,
advocaat: mr. F.R. Hage,
tegen
[de aannemer],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
hierna te noemen: [de aannemer] ,
advocaat: mr. T.J. Wittendorp.

1.De procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure in de hoofdzaak blijkt uit:
- het tussenvonnis van 13 augustus 2025, waarbij een deskundigenonderzoek is bevolen en een deskundige is benoemd,
- het deskundigenbericht van 23 december 2025 [1] , met de bijlagen 1 t/m 6,
- de conclusies na deskundigenbericht van partijen van 25 februari 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis nader bepaald op heden.

2.De verdere beoordeling

Bewijsopdracht
2.1.
De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 12 februari 2025 [de opdrachtgevers] c.s. toegelaten tot bewijslevering van de stelling dat de door (de onderaannemer van) [de aannemer] aangebrachte dakbedekkingsconstructie niet aan de aannemingsovereenkomst en herberekening van de constructeur voldoet en daardoor gebrekkig is. Bij tussenvonnis van 13 augustus 2025 [2] heeft de rechtbank geoordeeld dat voor de beoordeling van het door [de opdrachtgevers] c.s. te leveren bewijs een deskundigenbericht nodig is en gelet daarop een deskundigenonderzoek gelast en deskundige benoemd. [de opdrachtgevers] c.s. hebben het voorschot van de deskundigenkosten ten bedrage van € 7.253,95 voldaan.
Deskundigenrapport
2.2.
De deskundige heeft op 2 oktober 2025 zijn onderzoek ter plaatse verricht. Hij is bijgestaan door een door hem ingeschakelde dakdekker. Partijen zijn tijdens het onderzoek aanwezig geweest en werden bijgestaan door hun advocaat en eigen partijdeskundige. In het deskundigenrapport is op pagina 2 te lezen dat de deskundige tijdens zijn onderzoek partijen in de gelegenheid heeft gesteld om daar waar nodig een toelichting te verstrekken. Op pagina 4 van het deskundigenrapport is te lezen dat na afronding van het locatieonderzoek de deskundige aan partijen heeft gevraagd of er nog behoefte bestond bepaalde dakdelen dan wel detailonderdelen te onderzoeken, doch dat partijen van die gelegenheid geen gebruik hebben gemaakt. De deskundige heeft vervolgens van zijn onderzoek en bevindingen een conceptrapport opgesteld en dat verzonden aan partijen. Partijen hebben op het conceptrapport schriftelijk gereageerd. De deskundige heeft daarna het definitieve deskundigenrapport opgesteld en in drievoud aangeleverd bij de rechtbank.
2.3.
De rechtbank is van oordeel dat het deskundigenrapport onpartijdig en zorgvuldig tot stand is gekomen. Zij overweegt hiertoe dat het deskundigenrapport helder is geformuleerd en dat de deskundige aan de hand van de door hem geformuleerde tekst voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij tot zijn analyses en bevindingen is gekomen. De deskundige beantwoordt de vragen van de rechtbank, zoals geformuleerd bij het tussenvonnis, helder en puntsgewijs. Hij vermeldt daarbij de relevante technische gegevens en bronnen (uit de processtukken). Hij maakt zijn bevindingen over de uitgevoerde dakbedekkingswerkzaamheden en gebruikte materialen voorts inzichtelijk met foto’s, die gemaakt zijn tijdens het locatieonderzoek, tekeningen en indexen. [3] Hij houdt bij zijn analyses en bevindingen bovendien rekening met de periode van het jaar (de winter), waarin de werkzaamheden aan het dak zijn uitgevoerd. De deskundige maakt in de bijlagen 6 en 7 van het deskundigenrapport ook inzichtelijk of, en zo ja op welk punt, de schriftelijke reacties van partijen op zijn conceptrapport relevant waren en hij daarmee – al dan niet – rekening heeft gehouden bij de definitieve formulering van de tekst van het deskundigenrapport. In de betreffende bijlagen vermeldt hij duidelijk, in rode tekst, zijn reacties op de opmerkingen van partijen.
2.4.
De rechtbank maakt de conclusies van de deskundige, die relevant zijn voor de aan [de opdrachtgevers] c.s. gegeven bewijsopdracht, zoals hierna nader zal worden beoordeeld, dan ook in beginsel tot de hare. Alvorens op de bevindingen en conclusies van de deskundige nader wordt ingegaan overweegt de rechtbank het navolgende.
De formele bezwaren van [de aannemer] tegen het deskundigenrapport.
2.5.
[de aannemer] heeft bij conclusie na deskundigenbericht – kort gezegd – aangevoerd dat er verschillen zijn tussen het conceptrapport en het definitieve deskundigenrapport. Het deskundigenrapport wijkt op de pagina’s 2 en 9 af van het conceptrapport, in die zin dat tekst is toegevoegd zonder dat de betreffende toevoegingen opmerkingen van partijen op het conceptrapport betreffen, aldus [de aannemer] . [4] [de aannemer] verzoekt de rechtbank om op dit punt een mondelinge toelichting van de deskundige te bevelen. Dit verzoek van [de aannemer] wordt verworpen. De rechtbank overweegt hiertoe dat het definitieve deskundigenrapport woordelijk kan en mag afwijken van het conceptrapport, zolang de deskundige met de gewijzigde of toegevoegde tekst geen nieuwe (afwijkende) analyses maakt en niet een nieuw oordeel geeft, dat als een verrassing komt. De laatste (nieuwe) alinea op pagina 2 van het deskundigenrapport omvat niet meer dan een samenvatting van feiten die al bij partijen bekend waren. De (nieuwe) tekst op pagina 9, laatste alinea, van het deskundigenrapport is een aanvullende weergave van feiten die zijn geconstateerd tijdens het locatieonderzoek. Die aanvulling maakt het oordeel van de deskundige, zoals te lezen in de voorlaatste alinea van pagina 9, niet anders en omvat slechts een nadere, feitelijke toelichting van een reeds eerder toegelichte conclusie van de deskundige.
2.6.
Ook het standpunt van [de aannemer] , dat erop neer komt dat de deskundige zijn onderzoek niet objectief zou hebben verricht, wordt verworpen. [de aannemer] stelt dat de deskundige in strijd met de instructies van de rechtbank, bij tussenvonnis van 12 februari 2025, kennis heeft genomen van de rapporten van [deskundige] , doch hij concretiseert die stelling onvoldoende. [5] De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de omstandigheid dat in het procesdossier verwijzingen van partijen naar de rapporten van [deskundige] zitten en de deskundige van die verwijzingen kennis heeft genomen, niet maakt dat de deskundige daardoor niet in staat zou zijn geweest zijn onderzoek objectief, aan de hand van zijn eigen deskundige kennis uit te voeren. De deskundige heeft in zijn schriftelijke reactie op de opmerkingen van [de aannemer] op het conceptrapport [6] voorts uitdrukkelijk betwist dat hij kennis heeft gehad van de rapporten van [deskundige] . Hij heeft in het deskundigenrapport verder toegelicht dat zijn rapport is gebaseerd op een eigen uitgebreid en zorgvuldig locatieonderzoek. De rechtbank acht die toelichting van de deskundige, mede gelet op hetgeen zij onder de rechtsoverwegingen 2.2. en 2.3. heeft overwogen, voldoende. [7] In het licht hiervan heeft [de aannemer] zijn stelling onvoldoende onderbouwd en wordt deze verworpen.
2.7.
[de aannemer] voert voorts aan dat de deskundige niet onpartijdig zou zijn, omdat de conclusie van de deskundige, die in zijn rapport concludeert dat tijdens het locatieonderzoek is besproken en niet betwist dat er tijdens de uitvoering van de dakbedekkingswerkzaamheden sneeuw en smeltwater op het dak aanwezig was, op een onwaarheid berust, aldus [de aannemer] . [8] Wat van die conclusie ook zij, feit is dat die constatering (ook) is onderbouwd met een verwijzing van de deskundige naar productie 17 van [de opdrachtgevers] c.s. Op de tweede foto van die productie is duidelijk te zien dat er in de periode van uitvoering van de werkzaamheden een (grote) hoeveelheid sneeuw op de betonvloer van het dak ligt. Het discussiepunt met betrekking tot de sneeuw en het oorzakelijk verband, namelijk dat door de sneeuw, via de afstroming van regen- en smeltwater, veel water tussen de betonvloer en de isolatie is terecht gekomen, is mede gelet hierop voldoende door de deskundige beoordeeld en met feiten onderbouwd. Niet valt in te zien dat het deskundigenrapport op dit punt buiten beschouwing zou moeten worden gelaten.
2.8.
Het standpunt van [de aannemer] dat de deskundige de vragen iv, v en vi van [de aannemer] naar aanleiding van het conceptrapport onvoldoende heeft beantwoord, wordt eveneens verworpen. [de aannemer] maakt ook dit punt niet voldoende concreet. De deskundige heeft in antwoord op die hypothetische vragen immers uitgelegd dat schadeontwikkelingen en drogingscurves project-specifiek en afhankelijk van uiteenlopende factoren zijn. Ook op dit punt acht de rechtbank dan ook onvoldoende door [de aannemer] toegelicht en onderbouwd waarom en in hoeverre het deskundigenrapport niet toereikend zou zijn.
2.9.
[de aannemer] heeft voorts slechts in algemene bewoordingen de stelling ingenomen dat de specificatie van de door de deskundige begrote herstelkosten [9] ontoereikend zou zijn. Ook op dit punt acht de rechtbank onvoldoende door [de aannemer] toegelicht en onderbouwd waarom en in hoeverre het deskundigenrapport niet toereikend zou zijn.
2.10.
De formele bezwaren van [de aannemer] tegen het deskundigenrapport worden dan ook als ongegrond verworpen.
De verdere beoordeling van het deskundigenrapport.
2.11.
De rechtbank overweegt dat door de deskundige – kort samengevat – is vastgesteld dat de door [de aannemer] aangebrachte dakbedekkingsconstructie op het woonhuis van [de opdrachtgevers] c.s. op een aantal punten gebrekkig is. De rechtbank zal hierna beoordelen of, en zo ja in hoeverre, de standpunten van partijen tegen het deskundigenrapport relevant zijn bij de verdere inhoudelijke beoordeling van dat rapport. De rechtbank zal daarbij zoveel mogelijk de volgorde van de aan de deskundige bij tussenvonnis geformuleerde vragen aanhouden.
Vocht tussen kanaalplaatvloer en dakbedekkingsconstructie, en lekkage in 2021.
2.12.1.
De deskundige heeft bij het locatieonderzoek, aan de hand van insnijdingspunten op het dak, vastgesteld dat
alleenbij de insnijding bij het dakdeel ter hoogte van de badkamer sprake is van een te hoog vochtpercentage, namelijk van 14%. [10] De deskundige heeft vastgesteld dat sprake is van een vochtprobleem door waterinsluiting als gevolg van i) lekkages ter hoogte van de badkamer door een beschadigde hemelwaterafvoer (welke eind 2021 is gerepareerd) en ii) door smeltwater dat tijdens de uitvoering van de dakbedekkingswerkzaamheden op die plek tussen de betonvloer en de isolatie terecht is gekomen en achtergebleven. Hij heeft aan de hand van foto’s vastgesteld dat tijdens de dakbedekkingswerkzaamheden sneeuw en smeltwater op het dak lag. Bij dit dakdeel met een dakoppervlak van ca. 25 m², is als gevolg van vochtig isolatiemateriaal, de warmteweerstand ervan substantieel verlaagd. De deskundige heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is dat bij die dakpositie, gelegen boven een “natte cel”, door bouwfysische uitdamping alsnog voldoende droging zal optreden. De isolatie boven het gehele dakdeel waaronder die natte cel is gelegen zal moeten worden verwijderd en vervangen, aldus de deskundige. Bij de overige dakdelen is geen sprake van een te hoog vochtgehalte tussen kanaalplaatvloer en dakbedekkingsconstructie.
2.12.2.
[de opdrachtgevers] c.s. stellen op dit punt – voor zover relevant – dat [de aannemer] op beide gronden (i en ii) aansprakelijk is voor het vochtige isolatiemateriaal en de daardoor ontstane schade. [11]
Volgens [de opdrachtgevers] c.s. bedraagt het dalgedeelte boven de natte cel overigens 29 à 30 m². [12]
Zij voeren voorts – kort gezegd – aan dat de isolatie op veel meer plaatsen dan de deskundige heeft vastgesteld te vochtig is en dat daardoor het gehele dak moet worden vervangen. Zij zijn van mening dat de deskundige een onvoldoende representatief beeld heeft gegeven over het vocht onder de dakbedekking, doordat hij te weinig insnijdingen op het dak van 300 m² heeft verricht. [13]
2.12.3.
[de aannemer] voert – samengevat – aan dat het feit dat het isolatiemateriaal ter plaatse van de badkamer te vochtig is (gebleven), het gevolg is van handelwijzen van derden waarvoor [de aannemer] niet aansprakelijk is. [de aannemer] voert aan dat de hemelwaterafvoer, ter plaatse waarvan in 2021 een lekkage is ontstaan, is beschadigd door een derde. [de aannemer] betwist voorts dat sprake zou zijn geweest van smeltwater. Hij voert bovendien aan dat [de onderaannemer] , nadat hij de stadsuitloop in 2021 had gerepareerd, een ontluchting had geplaatst in het betreffende dakdeel om de ondergrond te laten drogen. De door [de onderaannemer] geplaatste ontluchting is te zien op de foto’s van [de aannemer] en [deskundige] , op pagina 7 van de conclusie na deskundigenbericht. Die ontluchting is echter door een derde verwijderd; tijdens het locatieonderzoek was geen ontluchting meer aanwezig. [de aannemer] voert aan dat de deskundige bij de beantwoording van de vraag vii van [de aannemer] over het gebruik van een ontluchting (ventilatieopeningen / circulatie-voorzieningen) heeft opgemerkt dat dit een veelgebruikte en gangbare methode is om een vochtige ondergrond te drogen. [14] Doordat de ontluchting door [de opdrachtgevers] c.s. is verwijderd, is de ondergrond te vochtig gebleven, aldus [de aannemer] .
2.12.4.
De bovenstaande standpunten van partijen zijn onvoldoende ter weerlegging van de analyses en bevindingen van de deskundige over het te vochtige isolatiemateriaal ter plaatse van de badkamer. De conclusies van de deskundige kunnen echter niet lijden tot een gegronde aansprakelijkstelling van [de aannemer] , voor de door [de opdrachtgevers] c.s. op dit punt geleden schade, en wel op grond van het navolgende.
i)
Op de mondelinge behandeling van 24 september 2024 is door [de aannemer] zijn onderaannemer toegelicht dat in februari 2021, na beëindiging van de werkzaamheden aan het dak, de door [de onderaannemer] aangebrachte zinken stadsuitloop nog niet was beschadigd. Er moesten nog afvoerbuizen worden geplaatst, maar dit was niet de taak van [de aannemer] ( [de onderaannemer] ). [de onderaannemer] heeft toegelicht dat bij het plaatsen van de afvoerbuizen door een derde te veel druk is uitgeoefend en dat de zinken stadsuitloop daardoor is beschadigd. [15] De beschadigde stadsuitloop is bewaard en te zien op de foto op pagina 7 van het conceptrapport [16] en op pagina 6 van het deskundigenrapport. Gelet op dit gemotiveerde standpunt van [de aannemer] verwerpt de rechtbank de blote stelling van [de opdrachtgevers] c.s. dat alleen [de aannemer] en [de onderaannemer] aan de hemelwaterafvoer hebben gewerkt en alleen zij aansprakelijk kunnen zijn voor de schade als gevolg van de kapotte stadsuitloop. [17] Overigens hebben [de opdrachtgevers] c.s., in lijn met het relaas van [de onderaannemer] , op de mondelinge behandeling zelf verteld dat de loodgieter (dus een derde) de afvoerbuizen bij de stadsuitloop had aangebracht. [18] Dat [de aannemer] aansprakelijk is voor de kapotte stadsuitloop en de daardoor ontstane lekkage en schade is derhalve niet bewezen.
ii)
De rechtbank stelt aan de hand van het deskundigenbericht vast dat er tijdens de dakbedekkingswerkzaamheden sneeuw op het dak lag en volgt de deskundige in zijn analyse dat ook door sneeuw en smeltwater het isolatiemateriaal vochtig is geworden. [de aannemer] heeft die feitelijke constatering van de deskundige onvoldoende weersproken. Bij die feitelijke constatering heeft de deskundige echter, zoals [de aannemer] terecht heeft aangevoerd, geen rekening kunnen houden met het feit dat [de aannemer] maatregelen had getroffen om water dat tussen de betonvloer en de isolatie terecht was gekomen te laten uitwasemen. De ontluchting die door de onderaannemer van [de aannemer] was geplaatst in het midden bij de vochtige isolatie, ter plaatse van de badkamer, is door een derde verwijderd (en niet teruggeplaatst), terwijl die ontluchting nu juist nodig was om overtollig vocht te laten uitdampen. Die omstandigheid is relevant voor de beoordeling van het door [de opdrachtgevers] c.s. aan [de aannemer] tegengeworpen rechtsgevolg, namelijk dat door de wanprestatie van [de aannemer] schade is ontstaan en dat [de aannemer] een vervangende schadevergoeding aan [de opdrachtgevers] c.s. dient te voldoen. [de aannemer] heeft immers voldoende aannemelijk gemaakt dat [de opdrachtgevers] c.s. door het (laten) verwijderen van de ontluchting zelf debet is aan het feit dat het vochtige isolatiemateriaal van 14% uiteindelijk niet tot onder de 3% heeft kunnen uitwasemen. Niet gesteld en ook niet gebleken is dat ook indien [de opdrachtgevers] c.s. de door [de aannemer] aangebrachte ontluchting niet had verwijderd, van de bij dagvaarding gestelde (gevolg)schade op dit punt sprake zou zijn geweest.
2.12.5.
[de aannemer] is derhalve niet aansprakelijk voor het aanhoudende vochtprobleem bij het dakdeel boven de natte cel (met een oppervlakte van 25 m² dan wel 29 à 30 m²).
2.13.
De stelling van [de opdrachtgevers] c.s. dat overigens het gehele dak door [de aannemer] moet worden vervangen, is niet bewezen en wordt als ongegrond verworpen. De rechtbank overweegt hiertoe dat op grond van het deskundigenrapport voldoende is komen vast te staan dat bij de overige dakdelen geen te hoog vochtpercentage is vastgesteld. De deskundige heeft vastgesteld dat er geen sprake is van structurele problemen waardoor het gehele dak zou moeten worden vervangen. Alleen het dakdeel boven de natte cel moet worden vervangen. Het feit dat er na de lekkage in 2021, na reparatie, geen lekkages meer zijn geweest ligt in lijn met die analyse. Bij dit oordeel neemt de rechtbank in aanmerking dat de deskundige bij het locatieonderzoek, aan de hand van de insnijdingspunten op het dak en metingen, concreet heeft vastgesteld dat er bij de overige dakdelen geen noemenswaardige hoeveelheid vocht is gemeten. [19] Er was dan ook geen aanleiding om nog meer insnijdingen op het dak te verrichten. [de opdrachtgevers] c.s. is bovendien tijdens het locatieonderzoek, desgevraagd door de deskundige, akkoord gegaan met het aantal door de deskundige gemaakte insnijdingen en metingen. Gelet hierop hebben zij, met inachtneming van al het vorenoverwogene, onvoldoende onderbouwd waarom en in hoeverre het aantal insnijdingen van de dakdelen niet representatief zou zijn voor het aangetroffen vochtpercentage van het isolatiemateriaal bij overige dakdelen. Doordat de vochtmetingen hebben uitgewezen dat, behoudens het deel boven de natte cel, het dak voldoende droog is, bestaat er ook geen aanleiding voor de conclusie dat andere materialen van het dak, zoals bijvoorbeeld de gebruikte houten platen en het beton, nat zouden zijn ten gevolge van een nat dak. De deskundige heeft vastgesteld dat er geen sprake was van een ‘rottend dak’. [20] Ook heeft hij geconcludeerd dat (wat van de kwaliteit van de door [de onderaannemer] uitgevoerde werkzaamheden ook zij) het toegepaste dakbedekkingssysteem in de door hem aangetroffen project specifieke opbouw voldoende drogingscapaciteit genereert om het dakbedekkingssysteem op basis van de uitkomsten van de opgestelde bouwfysische controleberekeningen te laten functioneren. [21]
Kwaliteit overeengekomen dakbedekkingsconstructie
2.14.
[de opdrachtgevers] c.s. hebben bij dagvaarding gesteld dat de dakbedekkingsconstructie ook door andere gebreken niet voldoet en dat [de aannemer] ook daardoor schadeplichtig jegens [de opdrachtgevers] c.s. is. [22] De rechtbank heeft al bij tussenvonnis geoordeeld dat die stelling alleen relevant is voor zover de dakbedekkingsconstructie niet voldoet aan de aannemingsovereenkomst en herberekening van de constructeur. [23] De deskundige heeft ter beantwoording van de op dit punt door de rechtbank geformuleerde vragen de dakbedekking en de gebruikte materialen onderzocht (als te lezen onder 1b, 2 en 6A t/m G van het deskundigenrapport).
Bitumineuze dakbedekking (1b en 6A)
2.15.1.
De deskundige heeft onder andere vastgesteld dat de aangetroffen toplaag van de aangebrachte bitumineuze dakbedekking, type Thermbanen, in een gebrekkige conditie verkeert. In de bovendeklaag van de Thermbanen is sprake van een structureel patroon van blaasvorming (rimpeling) dat wordt aangemerkt als productiefout van de fabrikant en in de loop van de jaren zichtbaar is ontwikkeld. Over die productiefout is echter niet geklaagd door [de opdrachtgevers] c.s. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de deskundige heeft vastgesteld dat die gebrekkige conditie niet de oorzaak is geweest van lekkages en waargenomen vochtconcentraties. De conclusie van de deskundige komt erop neer dat sprake is van een esthetisch probleem en dat op termijn als gevolg van die productiefout onthechting tussen de bovendeklaag en de inlage (drager) en verval van de waterkerende functie van de dakbedekking te verwachten is. De deskundige heeft dus niet vastgesteld dat de gebruikte materialen al tot lekkages hebben geleid en ook niet dat dit zich zal voordoen. Hij heeft enkel een uitspraak gedaan over een mogelijk gebrek aan de aangebrachte bitumineuze dakbedekking dat zich in de toekomst kan voordoen. Doordat niet vaststaat dat [de aannemer] is tekortgeschoten, moet de stelling van [de opdrachtgevers] c.s. dat [de aannemer] de toplaag moet vervangen [24] worden verworpen. [de aannemer] heeft bij conclusie na deskundigenbericht er bovendien terecht op gewezen dat de deskundige heeft vastgesteld dat het gaat om een productiefout van de fabrikant. [de aannemer] heeft aangevoerd dat hij (en [de onderaannemer] ) bereid zijn om, indien het bovenomschreven gebrek zich voordoet, voor herstel op dit punt zorg te dragen, aangezien het gaat om een garantieverplichting. [25]
Randafwerking - ontbreken kimfixatie en meerlaagse afwerking tegen opgaande werk (2)
2.15.2.
De deskundige heeft toegelicht dat de feitelijk gerealiseerde constructie afwijkt van de volgens regelgeving vereiste opbouw (randafwerking). [de opdrachtgevers] c.s. hebben echter niet aangetoond dat een dergelijke randafwerking is overeengekomen, dan wel een passend (ander) rechtsgevolg verbonden aan deze conclusie van de deskundige. [de aannemer] heeft bij conclusie na deskundigenbericht uitdrukkelijk betwist dat de wijze van constructie zoals door de deskundige is aangedragen door partijen is overeengekomen. Niet gebleken is derhalve dat op dit punt sprake is van een non-conforme afwerking.
Waterblaas, blaasvorming en houtrot en plasvorming (6B, 6C, 6D)
2.15.3.
Op pagina 23 van het deskundigenrapport is, in de overzichtstekening van de dakdelen op die pagina, door de deskundige ingetekend waar op het dak een grote waterblaas, plasvormingen en houtrotting aanwezig zijn. De deskundige heeft op de pagina’s 14 en 15 van het deskundigenrapport verder voldoende toegelicht dat de afwerking van de dakbedekking ter plaatse van die waterblaas, blaasvorming en houtrot en plasvorming gebrekkig is. Hij heeft de betreffende gebreken voorts aan de hand van foto’s van het locatieonderzoek, van de geconstateerde situatie, inzichtelijk gemaakt. De waterblaas vindt haar oorzaak in een onvolledig en onjuist uitgevoerde verbinding tussen de randstrook en de dakbedekking in het betreffende vlak. De blaasvorming tussen de houten afwerking en de bitumen stroken wordt veroorzaakt door een onvoldoende hechting van bitumen stroken op een vochtige ondergrond. Het hout is door vocht aangetast. De plasvorming is het gevolg van een onjuist stroomverloop van hemelwater richting de hemelwaterafvoeren.
Volgens [de opdrachtgevers] c.s. leiden die bevindingen van de deskundige tot de conclusie dat [de aannemer] wanprestatie heeft gepleegd en dat hij de veroorzaakte schade dient te vergoeden.
[de aannemer] betwist dat de plasvorming een gebrek is voert voor het overige aan dat [de opdrachtgevers] c.s. niet tijdig hebben geklaagd (artikel 6:89 BW Pro).
Dit beroep op de klachtplicht wordt verworpen. Niet betwist is immers dat [de opdrachtgevers] c.s. bij [de aannemer] heeft geklaagd over de algehele slechte kwaliteit van het dak; volgens [de opdrachtgevers] c.s. moest het gehele dak worden verwijderd. Het beroep op de klachtplicht slaagt bovendien niet, omdat [de aannemer] niet stelt op welk eerder moment [de opdrachtgevers] c.s. dan wel uiterlijk hadden moeten klagen. Er zijn verder geen voldoende inhoudelijke argumenten aangevoerd tegen de onderbouwde technische bevindingen van de deskundige over de gebreken en het noodzakelijke herstel ervan, dat door de deskundige eveneens voldoende is toegelicht in het deskundigenrapport. [de opdrachtgevers] c.s. hebben dan ook voldoende bewezen dat [de aannemer] , gelet op de onderhavige gebreken, op dit punt tekort geschoten is in de nakoming van de aannemingsovereenkomst.
Beschadigingen (6E)
2.15.4.
De deskundige heeft bij het locatieonderzoek vastgesteld dat de zonnepanelen zijn geplaatst in een frame met vlakke harde kunststof voetjes zonder dat daarbij rubbergranulaat dragers zijn gebruikt. Daardoor zal op termijn een mechanische beschadiging van de dakbedekking ontstaan en ter voorkoming daarvan moeten alsnog rubbergranulaat dragers worden aangebracht onder de kunststof systeemvoetjes, aldus de deskundige. [de opdrachtgevers] c.s. stellen dat ook op dit punt het hersteladvies van het deskundigenrapport moet worden gevolgd. De zonnepanelen zijn echter niet door [de aannemer] geplaatst. Gelet hierop kan de plaatsing van de zonnepanelen door een derde, zonder die noodzakelijke rubbergranulaat dragers, niet op goede grond aan [de aannemer] worden tegengeworpen. De op dit punt noodzakelijke herstelkosten kunnen [de opdrachtgevers] c.s. dan ook niet op [de aannemer] verhalen.
Dikte isolatie (6F)
2.15.5.
Niet ter discussie staat dat bij de dakbedekkingswerkzaamheden een isolatieafschotsysteem is toegepast en dat daardoor de isolatiedikte niet overal 140 mm is. [de aannemer] heeft aangevoerd dat ook in dit geval de door partijen overeengekomen isolatie-waarden zijn gewaarborgd en dat van een gebrek geen sprake is. Het deskundigenbericht kwalificeert de feitelijke constatering over de dikte van de isolatie ook niet als een gebrek. Op dit punt is dan ook onvoldoende gebleken dat [de aannemer] is tekortgeschoten in de uitvoering van het aanneemwerk.
Ontbreken dampremmende laag (6G)
2.15.6.
De rechtbank heeft bij tussenvonnis overwogen dat partijen zijn overeengekomen dat een dampremmende laag niet meer zou worden aangebracht. [26] Dat die laag ook niet nodig is bij de dakbedekking in deze zaak blijkt bovendien uit de bevindingen van de deskundige. [27] Hij vermeldt in zijn rapport, naar aanleiding van vragen van de partijdeskundige van [de opdrachtgevers] c.s. tijdens het locatieonderzoek, dat in het KOMO-attest, in aanvulling op de KOMO-kwaliteitsverklaring waarnaar die partijdeskundige had verwezen, onder hoofdstuk Hygrothermie, de aanvulling is gegeven dat het mogelijk is dat voor een bepaald project geen dampremmende laag nodig is. De deskundige heeft ter beoordeling van een dergelijke, ook in deze zaak geldende uitzonderingssituatie van een dakopbouw zonder dampremmende laag, drie controleberekeningen uitgevoerd. Op grond van zijn risicoanalyse condensatie heeft hij vastgesteld dat in dit geval – kort gezegd – een extra dampremmende laag niet nodig is en zelfs contraproductief kan werken, omdat daarmee bouwvocht wordt opgesloten tussen twee dampdichte lagen. Het door [de aannemer] toegepaste dakbedekkingssysteem (zonder dampremmende laag) genereert voldoende drogingscapaciteit en kan niet worden gekwalificeerd als gebrek.
2.16.
Al het vorenoverwogene maakt dat [de opdrachtgevers] c.s. (alleen) zijn geslaagd in het bewijs van de stelling dat de door [de aannemer] aangebrachte dakbedekkingsconstructie gebrekkig is, vanwege de hiervoor geoordeelde waterblaas, blaasvorming, houtrot en plasvorming (r.o. 2.15.3). Alleen gelet op die gebreken, met inachtneming van de omzettingsverklaring van [de opdrachtgevers] c.s., dient [de aannemer] een vervangende schadevergoeding aan [de opdrachtgevers] c.s. te voldoen.
Omvang (aanvullende) schadevergoeding
2.17.
De deskundige heeft de kosten voor herstelwerkzaamheden begroot, zoals is te lezen op pagina 22 van het deskundigenrapport. Die begroting is relevant voor zover deze de gebreken aan het dak betreft waarvoor [de aannemer] aansprakelijk is. De herstelkosten voor het verwijderen en herstellen van waterblazen, het verbeteren van de aansluiting van de stroken op de dakbedekking en het vervangen van rotte beplating bedraagt € 1.750,00. Dit bedrag is exclusief btw. De kosten voor het plaatsen van een extra afvoer van garagedak naar luifel en het verdiepen van de hemelwaterafvoeren bedragen in totaal € 1.570,00, exclusief btw. De overige door de deskundige begrote kosten zijn niet relevant voor het jegens [de aannemer] geldende rechtsgevolg (aansprakelijkheid van [de aannemer] voor gebreken). De rechtbank zal hierna nog beoordelen of en zo ja in hoeverre de nog
relevantestandpunten van partijen moet leiden tot een andere, dan wel aanvullende begroting van de schade.
2.18.
De rechtbank stelt vast dat [de opdrachtgevers] c.s. de begroting van de deskundige onvoldoende concreet hebben weerlegd. Hun stelling dat een indicatieve begroting in het algemeen te laag is, vereist een nadere onderbouwing en die is niet gegeven. Ook valt niet in te zien dat er aanvullende kosten moeten worden begroot voor een tijdelijke valbeveiliging. Niet is aangetoond dat voor de te verrichten herstelwerkzaamheden (waarvoor [de aannemer] aansprakelijk is) een dergelijke beveiliging noodzakelijk is. [de opdrachtgevers] c.s. hebben dan ook onvoldoende gesteld ter onderbouwing van een hogere schadevergoeding zoals hiervoor is begroot.
2.19.
Ook [de aannemer] heeft de begroting van de deskundige, van de in deze zaak nog relevante kostenposten onvoldoende weerlegd. Hij maakt niet concreet waarom de omvang ervan niet juist is en een nadere specificatie zou behoeven.
2.20.
De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht door de deskundige, en zal hierna de schade, welke [de aannemer] aan [de opdrachtgevers] c.s. dient te vergoeden, begroten, met inachtneming van hetgeen zij hiervoor onder rechtsoverweging 2.17. heeft overwogen. De herstelkosten bedragen afgerond € 4.017,20, inclusief btw. [28] Voor een kostenpost onvoorzien acht de rechtbank geen termen aanwezig, gelet op de aard en inhoud van de relevante herstelwerkzaamheden en het feit dat de deskundige wat die werkzaamheden betreft ook geen kostenpost onvoorzien heeft begroot.
2.21.
Al het vorenoverwogene maakt dat [de aannemer] aan [de opdrachtgevers] c.s. een vervangende schadevergoeding dient te voldoen van in totaal € 4.017,20, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 februari 2022 (datum verzuim [29] ) tot de dag van algehele betaling.
2.22.
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen, zoals hierna wordt beslist, met inachtneming van de hoogte van de toe te wijzen hoofdsom (en niet de bij dagvaarding gevorderde hoofdsom van € 100.212,77 + p.m.) worden toegewezen.
2.23.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, dienen zij beiden, het door [de opdrachtgevers] c.s. betaalde voorschot aan deskundigenkosten van € 7.253,95 – dat gelijk is aan de uiteindelijke kosten deskundigenonderzoek – voor gelijke delen te voldoen. Gelet hierop dient [de aannemer] aan [de opdrachtgevers] c.s. te betalen de helft van het voorgeschoten bedrag van € 3.626,98.
2.24.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de overige proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten (waaronder de kosten voor de eigen partijdeskundig) draagt.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
veroordeelt [de aannemer] tot betaling aan [de opdrachtgevers] c.s. van een schadevergoeding van in totaal € 4.017,20, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 14 februari 2022 (datum verzuim) tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt [de aannemer] tot betaling aan [de opdrachtgevers] c.s. van het door [de opdrachtgevers] c.s. voorgeschoten deel van [de aannemer] van de deskundigenkosten van € 3.626,98,
3.3.
veroordeelt [de aannemer] tot betaling aan [de opdrachtgevers] c.s. van € 526,72 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de dag van dagvaarding (12 juni 2023), tot de dag van volledige betaling,
3.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Noelmans en in het openbaar uitgesproken.

Voetnoten

1.hierna: het deskundigenrapport
2.hierna: het tussenvonnis
3.deskundigenrapport zelf, alsmede de bijlagen 1 t/m 5 deskundigenrapport
4.randnr. 4 en 5 conclusie na deskundigenbericht [de aannemer]
5.r.o. 4.12. van dat tussenvonnis; randnr. 6a, i en ii, conclusie na deskundigenbericht [de aannemer]
6.bijlage 6 deskundigenbericht, antwoord deskundige op vraag ii van [de aannemer]
7.zie “Algemene opmerking”, p. 4 deskundigenrapport en bijvoorbeeld p. 3, voorlaatste alinea, rapport
8.randnr. 6 sub c conclusie na deskundigenbericht
9.p. 22 deskundigenrapport
10.p. 5-11 deskundigenrapport
11.randnr. 1. conclusie na deskundigenbericht [de opdrachtgevers] c.s.
12.randnr. 14 conclusie na deskundigenbericht van [de opdrachtgevers] c.s.
13.randnr. 12. conclusie na deskundigenbericht [de opdrachtgevers] c.s.
14.bijlage 6, deskundigenrapport
15.p. 2, voorlaatste alinea, proces-verbaal mondelinge behandeling van 24 september 2024
16.bijlage 9 conclusie na deskundigenbericht van [de aannemer]
17.p. 2, randnr. 1, conclusie na deskundigenbericht van [de aannemer]
18.p. 3, vijfde alinea, proces-verbaal mondelinge behandeling 24 september 2024
19.p. 5 deskundigenrapport
20.p. 8, 12 en 13 deskundigenrapport
21.p. 19 en 20 deskundigenrapport
22.randnr. 6, laatste twee zinnen
23.r.o. 4.7 tussenvonnis 12 februari 2025
24.randnr. 3 conclusie na deskundigenbericht van [de opdrachtgevers] c.s.
25.randnr. 17 – 20 conclusie na deskundigenbericht van [de aannemer]
26.r.o. 4.7. tussenvonnis 12 februari 2025
27.p. 16 – 20 deskundigenrapport
28.1,21 x (€ 1.750,00 + € 1.570,00)
29.randnr. 33 dagvaarding; r.o. 2.11. tussenvonnis 12 februari 2025