ECLI:NL:RBLIM:2026:569

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
11710153 \ CV EXPL 25-2292
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Quaedackers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:38 BWArt. 6:44 BWArt. 6:52 lid 1 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsovereenkomst en nakoming bij dakdekkerswerkzaamheden en verkoop auto

Eiser heeft in opdracht van gedaagde dakdekkerswerkzaamheden verricht aan drie projecten en een auto verkocht aan gedaagde. Gedaagde betaalde de koopprijs van de auto pas tijdens de procedure en weigerde betaling voor twee projecten wegens vermeende niet-nakoming en onvoldoende specificatie.

Partijen maakten op 23 februari 2025 afspraken over de prijs, maar er waren geen schriftelijke afspraken vooraf. De kantonrechter oordeelde dat de facturen voor de projecten voldoende gespecificeerd waren en dat gedaagde onvoldoende had onderbouwd dat werkzaamheden niet waren verricht.

De rechtbank veroordeelde gedaagde tot betaling van € 14.278,85 voor de werkzaamheden, € 4.250,00 voor de auto (minus reeds betaalde € 4.250,00), wettelijke rente vanaf 29 maart 2025, en € 960,29 aan buitengerechtelijke incassokosten. Het beroep op opschorting faalde omdat geen opeisbare vordering bestond. Proceskosten werden aan gedaagde opgelegd.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van openstaande bedragen voor werkzaamheden en auto, inclusief wettelijke rente en incassokosten.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11710153 \ CV EXPL 25-2292
Vonnis van 28 januari 2026
in de zaak van
[eiser] H.O.D.N. [bedrijf 1],
wonende en zaak doende te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. P.P.M. Kerckhoffs,
tegen
[gedaagde] H.O.D.N. [bedrijf 2],
wonende en zaak doende te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. K.M. Ruiter.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met zeven producties
- de conclusie van antwoord met zeven producties
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de aanvullende productie 8 van 10 november 2025 van de zijde van [eiser]
- de aanvullende productie 8 van 10 november 2025 van de zijde van [gedaagde]
- de mondelinge behandeling van 21 november 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt
- de spreekaantekeningen van de zijde van [eiser]
- de spreekaantekeningen van de zijde van [gedaagde] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] heeft in opdracht van [gedaagde] dakdekkerswerkzaamheden uitgevoerd in het kader van een drietal projecten. Het betreft werkzaamheden aan [adres 1] (hierna te noemen: [project 1] ), werkzaamheden aan het pand aan [adres 2] (hierna te noemen: [project 2] ) en werkzaamheden aan een pand aan [adres 3] (hierna te noemen: [project 3] ).
2.2.
[eiser] heeft verder aan [gedaagde] een Mercedes Vito met [kenteken] (hierna te noemen: de auto) verkocht voor een prijs van € 4.250,00.
2.3.
Op 18 februari 2025 stuurde [gedaagde] aan [eiser] een whatsappbericht met - voor zover van belang - de volgende inhoud:
“Luister, dit is hoe het zit. Vrijdag, zodra ( [project 1] , vertaling door kantonrechter) betaald heeft, krijg jij je geld. Ik kom mijn afspraken na, dus daar hoef je je geen zorgen over te maken. Daarnaast regel ik ook het geld voor de bus.
Ik heb met mijn boekhouder gesproken, en die geeft aan dat het bedrag via de bank moet worden overgemaakt. Geef me je rekeningnummer en dan maak ik het over wanneer het zover is. (…)
Ga me ook niet lopen bellen of dit of dat. ( [project 1] , vertaling door kantonrechter) betaalt vrijdag, zaterdag heb je je geld”
2.4.
[eiser] stuurde [gedaagde] op 20 februari 2025 een whatsappbericht met de volgende inhoud:
“Kan je mij de kosten en wat over is van ( [project 1] , vertaling door kantonrechter) op de Ap zetten dat werk. Van [project 3] bedrag in en ex door was 2050 gegeven bus weet ik 4250 en is marge kan je naar mijn privé rekening overmaken en van [project 2] over is en dan kom de materialen van mij er nog bij 5 rollen zal dit ook regelen wie het hoor e vrijdag alles meteen is Geregeld en van [project 2] kom de 25 ste zij je stuur ik ook factuur. Ik zal ook alles op papier zetten dat dalijk geen gezeik is ik doen nu ook alles offerceel op papier dan weet je dat”
2.5.
Op 21 februari 2025 stuurde [eiser] een e-mail naar [gedaagde] waarin - onder meer - het volgende staat:
“Bus Vito verkocht voor 4250 moet nog betaald woord het gehele bedrag
Werkzaamheden [project 3] dak reiniging en schoorsteen renovatie uitkappen ingevoegd nieuw loods openstaande bedraagt van 2050 euro incl btw
[project 2] bitumen dak openstaande bedraagt 1050 incl btw en materiaal 350 euro incl btw
( [project 1] , vertaling door kantonrechter) pannen dak [project 2] voor de werkzaamheden steiger bouw goten en dak maakt in opdracht van [gedaagde] gemaakt gevels ook gereinigd het afgesproken bedraagt van 10.000 incl btw
(…)
Als vandaag voor 20 uur niks is geregeld. Zal ik verder juridische stappen ondernemen.
(…)”
2.6.
[eiser] heeft [gedaagde] op 22 februari 2025 een whatsappbericht gestuurd waarin hij zijn rekeningnummer heeft doorgegeven waarnaar de koopprijs van de auto kan worden overgemaakt.
2.7.
Op 23 februari 2025 hebben partijen afgesproken in een coffeeshop om over de betaling van de uitgevoerde werkzaamheden te praten. Tijdens dit overleg zijn afspraken met pen op papier vastgelegd. Op dit papier staat - voor zover van belang - het volgende:
“Totaal 30.000
Voorschot € 10.000
Kosten materiaal € 12.188,57
Kosten over(onleesbaar) € 2.188,57
Loon [naam 1] € 1650
Loon vader € 350
Eindbetaling € 20.000
€ 20.000
- 2.188,57
1650,00
350,00
---------
15.811,43
: 2
------------
7.905,71
+ 450
------------
8.355,71
Prive
[gedaagde] [eiser] - 4250
Betaald ---------
handtekening handtekening 1150,00 factuur 2050,00
---------- factuur
(geplaatste (geplaatste 7450,00
handtekening) handtekening) “
2.8.
[eiser] heeft [gedaagde] op 2 maart 2025 het volgende whatsappbericht gestuurd:
“Yo neef wanneer kan ik mijn geld verwachten dit schiet niet op zit je al meer dan een week te bellen en wat ik vraag krijg ik niet ik zal ze wel zelf maken de facturen en van de bus zou het ook fijn vind als ik ze voor 7 maart op de bank heb staan dan kan ik ook verder bedankt alvast”
2.9.
Op 3 maart 2025 heeft [eiser] ten behoeve van [gedaagde] een factuur opgemaakt voor de werkzaamheden in [project 3] voor een bedrag van € 2.050,00 exclusief btw (zijnde € 2.480,50 inclusief btw). Betaling wordt gevraagd binnen vijf dagen.
2.10.
Op diezelfde datum heeft [eiser] ten behoeve van [gedaagde] een factuur opgemaakt voor de werkzaamheden in [project 2] voor een totaalbedrag van € 1.395,10 exclusief btw (zijnde € 1.687,95), bestaande uit € 1.050,00 exclusief btw en materiaalkosten van € 345,10 exclusief btw. Ook hier wordt gevraagd om binnen vijf dagen te betalen.
2.11.
Voor de werkzaamheden aan de [project 1] heeft [eiser] op 4 maart 2025 een factuur opgemaakt voor een bedrag van € 8.355,71 exclusief btw (zijnde € 10.110,40 inclusief btw). Betaling wordt gevraagd binnen vijf dagen.
2.12.
Voor de auto heeft [eiser] ten behoeve van [gedaagde] op 3 maart 2025 een factuur opgemaakt voor een bedrag van € 4.250,00. Verzocht is om binnen vijf dagen te betalen.
2.13.
[gedaagde] heeft de koopprijs voor de auto op 21 november 2025 voldaan.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 19.489,14, bestaande uit € 14.278,85 aan verrichte werkzaamheden, € 4.250,00 aan verkoopprijs van de auto, beiden vermeerderd met wettelijke rente, € 960,29 aan buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan deze vorderingen het volgende ten grondslag. [eiser] voert aan dat hij in opdracht van [gedaagde] dakdekkerswerkzaamheden heeft verricht ten aanzien van drie projecten van [gedaagde] , waarvoor hij geen betaling heeft ontvangen. Verder stelt [eiser] dat hij zijn auto aan [gedaagde] heeft verkocht voor € 4.250,00 waarvan [gedaagde] , zoals ter zitting is gebleken, de koopprijs pas op de dag van de mondelinge behandeling heeft voldaan.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en stelt dat partijen op 23 februari 2025 afspraken hebben gemaakt over de prijs van de werkzaamheden, maar dat een verdere onderbouwing van de projecten [project 2] en [project 3] nog zou volgen. [gedaagde] stelt op 23 februari 2025 het bedrag van € 8.355,71 voor de [project 1] contant aan [eiser] te hebben betaald. Nu de verdere onderbouwing van de kosten en uitgevoerde werkzaamheden voor de projecten [project 2] en [project 3] ontbrak, heeft [gedaagde] deze nog niet voldaan. [gedaagde] stelt dat [eiser] voor deze twee projecten nauwelijks werkzaamheden heeft verricht en zich niet aan de afspraken heeft gehouden.
Ten aanzien van de auto stelt [gedaagde] dat partijen geen betalingstermijn waren overeengekomen en dat [gedaagde] kon betalen wanneer het hem uitkwam. [gedaagde] heeft de koopprijs van € 4.250,00 uiteindelijk op 21 november 2025 aan [eiser] betaald. Tot die tijd heeft [gedaagde] een beroep gedaan op zijn opschortingsrecht omdat [eiser] de werkzaamheden op de projecten [project 2] en [project 3] niet correct is nagekomen en [gedaagde] deze alsnog heeft moeten verrichten.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
In deze zaak gaat het om de vraag of [gedaagde] nog gelden verschuldigd is aan [eiser] voor de uitvoering van werkzaamheden en voor de aanschaf van de auto.
Dakdekkerswerkzaamheden
4.2.
Vooropgesteld wordt dat partijen voorafgaand aan het verrichten van de dakdekkerswerkzaamheden geen op schrift gestelde afspraken hebben gemaakt. Wel zijn er achteraf op 23 februari 2025 afspraken op papier gezet [1] . Partijen zijn het daarover eens. In deze overeenkomst zijn de volgende van belang zijnde bedragen genoemd:
€ 8.355,71
€ 4.250,00
€ 1.150,00
€ 2.050,00
4.3.
Het eerste bedrag van € 8.355,71 heeft betrekking op het project [project 1] . Het tweede bedrag van € 4.250,00 heeft betrekking op de auto en zal in de r.o. 4.11. en verder worden besproken. Het derde bedrag van € 1.150,00 heeft betrekking op het project [project 2] en het vierde bedrag van € 2.050,00 heeft betrekking op het project [project 3] .
Prijs inclusief of exclusief btw
4.4.
Ten aanzien van de bedragen voor de dakdekkerswerkzaamheden betreft het eerste geschilpunt de vraag of de genoemde bedragen inclusief of exclusief btw zijn. [eiser] stelt dat het gaat om bedragen exclusief btw en verwijst hiervoor naar de door hem opgemaakte en verzonden facturen [2] . [gedaagde] betwist dit en stelt dat het om bedragen inclusief btw gaat en verwijst hiervoor naar de e-mail van [eiser] van 21 februari 2025 [3] waarin [eiser] de bedragen voor [project 2] (€ 1.050,00) en [project 3] (€ 2.050,00) inclusief btw noemt. [eiser] heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat dit laatste een verschrijving betrof en dat bedragen exclusief btw waren bedoeld. [gedaagde] heeft deze verklaring niet meer bestreden, zodat de kantonrechter zal uitgaan van bedragen exclusief btw. Dat sluit ook aan bij de praktijk, waarin het gebruikelijk is dat tussen ondernemers onderling exclusief btw wordt gerekend nu de btw voor ondernemers geen kostenpost is.
Is € 8.355,71 betaald?
4.5.
Zoals in r.o. 4.4. overwogen is [gedaagde] voor de door [eiser] verrichte werkzaamheden op dit project een bedrag van € 8.355,71 exclusief btw verschuldigd, zijnde € 10.110,40 inclusief btw. [gedaagde] stelt dat hij [eiser] op 23 februari 2025 het bedrag van € 8.355,71 contant heeft betaald. [gedaagde] verwijst hiervoor naar het woord ‘betaald’ dat op deze overeenkomst staat, boven de handtekening van [eiser] . [eiser] betwist dat hij een bedrag van [gedaagde] heeft ontvangen en betwist ook dat het woord ‘betaald’ op de overeenkomst stond toen partijen deze overeenkomst hebben getekend. Gelet op deze betwisting van [eiser] had het op de weg van [gedaagde] gelegen om zijn stellingen nader gemotiveerd te onderbouwen. Tot verdere bewijslevering zal [gedaagde] niet worden toegelaten, omdat hij in de dagvaarding alleen een algemeen geformuleerd bewijsaanbod heeft gedaan. Dit zal als onvoldoende concreet worden gepasseerd, ook in het licht van het feit dat [eiser] hierna alsnog op betaling van deze post heeft aangedrongen, wat niet verenigbaar is met de vermelding ‘betaald’. De vordering van [eiser] tot betaling van € 10.110,40 voor het project [project 1] zal worden toegewezen.
Projecten [project 2] en [project 3]
4.6.
Voor de projecten [project 2] en [project 3] heeft [gedaagde] betaling geweigerd omdat [eiser] zijn verplichtingen niet is nagekomen en de facturen onvoldoende gespecificeerd zijn. Welke verplichtingen [eiser] dan niet zou zijn nagekomen, wordt door [gedaagde] niet gesteld, zodat [gedaagde] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. [eiser] betwist dat de facturen onvoldoende gespecificeerd zouden zijn. Op de factuur van [project 2] staat als omschrijving:
“Bitumen dak over lagen met [naam 2] met aluminium top laag 24 kanten metermateriaal kost € 345,10 ex btw”.
Op de factuur van [project 3] staat als omschrijving:
“Schoorsteen renovatie uitgekapt gereinigen ingevoegt dak reinigen en nok renovatie”.
Dat de facturen voorzien moesten zijn van een urenspecificatie, zoals [gedaagde] stelt, blijkt nergens uit. Partijen hebben hier geen afspraken over gemaakt. In de gemaakte afspraken van 23 februari 2025 is ook geen specificatie terug te vinden van het project [project 1] . Kennelijk nam [gedaagde] daar wel genoegen mee. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de door [eiser] opgemaakte facturen voor de projecten [project 2] en [project 3] dan ook voldoende gespecificeerd. Bovendien heeft [gedaagde] de stelling van [eiser] , dat partijen samen aan de projecten [project 2] en [project 3] hebben gewerkt, zodat het voor [gedaagde] duidelijk was welke werkzaamheden [eiser] heeft verricht, niet meer bestreden.
4.7.
De tussenconclusie is dan ook dat [eiser] de werkzaamheden op de facturen heeft uitgevoerd en voor deze werkzaamheden betaald moet krijgen.
4.8.
De factuur van het project [project 3] bedraagt € 2.050,00 exclusief btw, zijnde € 2.480,50 inclusief btw. Het bedrag van € 2.050,00 komt overeen met het bedrag uit de
e-mail van 21 februari 2025 en de gemaakte afspraken op 23 februari 2025 [4] . Zoals in r.o. 4.4. overwogen gaat het om een bedrag exclusief btw. De factuur van 3 maart 2025 sluit hierop aan, zodat deze vordering van [eiser] van € 2.480,50 zal worden toegewezen.
4.9.
De factuur van het project [project 2] bedraagt € 1.050,00 exclusief btw aan werkzaamheden en € 345,10 exclusief btw aan materiaal, samen zijnde € 1.395,10 exclusief btw (€ 1.687,95 inclusief btw). Daarmee wijkt de factuur af van het bedrag in de overeenkomst van 23 februari 2025. Daar wordt een bedrag van € 1.150,00 (exclusief btw) genoemd [5] . De factuurbedragen komen wel weer overeen met de bedragen genoemd in de
e-mail van 21 februari 2025 en zijn bovendien € 100,00 lager dan op 23 februari 2025 afgesproken. Verder zijn in de e-mail van 21 februari 2025 ook de materiaalkosten vermeld. Uit r.o. 4.4. volgt dat deze bedragen exclusief btw zijn bedoeld. Dat er materiaalkosten zijn gemaakt voor dit project volgt ook uit het Whatsapp-bericht van [eiser] van 20 februari 2025, waarin [eiser] aangeeft dat er vijf rollen zijn gebruikt [6] . Daarmee heeft [eiser] de posten van zijn factuur voldoende onderbouwd. De vordering van € 1.687,95 zal worden toegewezen.
Wettelijke rente
4.10.
Over de openstaande facturen van in totaal € 14.278,85 heeft [eiser] de wettelijke rente gevorderd vanaf 29 maart 2025. [eiser] voert aan dat hij [gedaagde] op 14 maart 2025 een ingebrekestelling heeft gestuurd waarin [gedaagde] een termijn is gegeven van veertien dagen om alsnog tot betaling over te gaan. [gedaagde] heeft erkend dat hij niet op deze brief heeft gereageerd, maar heeft niet betwist dat hij deze brief heeft ontvangen. Doordat betaling per 29 maart 2025 is uitgebleven, is [gedaagde] per die datum in verzuim. De gevorderde wettelijke rente over € 14.278,85 zal worden toegewezen vanaf 29 maart 2025.
Koopprijs van de auto: € 4.250,00
4.11.
Niet in discussie is dat [gedaagde] de auto van [eiser] heeft gekocht. Daarmee staat vast dat [gedaagde] het bedrag van € 4.250,00 aan [eiser] moet betalen, hetgeen [gedaagde] op 21 november 2025 heeft gedaan. Daarmee heeft [gedaagde] lopende de procedure het bedrag pas betaald. De vraag is of [gedaagde] daarmee te laat is geweest, waardoor hij ook wettelijke rente en proceskosten verschuldigd is. [gedaagde] stelt dat dit niet het geval was omdat er geen betalingstermijn was afgesproken en omdat [gedaagde] gerechtigd was deze betalingsverplichting op te schorten vanwege het feit dat [eiser] heeft nagelaten om zijn vordering tot betaling van de werkzaamheden op de projecten [project 2] en [project 3] nader te specificeren.
4.12.
Voor de betaling van de auto is destijds geen betalingstermijn overeengekomen. In dat geval is [eiser] gerechtigd om terstond betaling te verlangen [7] . [gedaagde] gaf op 18 februari 20205 zelf aan dat hij het geld voor de auto zou regelen [8] . [eiser] vroeg op 21 februari 2025 en 2 maart 2025 waar de betaling bleef [9] . Ook heeft [eiser] op 3 maart 2025 een factuur gestuurd waarbij verzocht is om binnen vijf dagen te betalen [10] . Daaruit blijkt dat betaling niet zomaar vrijblijvend was voor [gedaagde] en dat [eiser] meerdere malen heeft verzocht om te betalen. Met de factuur heeft [eiser] een duidelijke termijn gesteld waarbinnen deze betaling moest zijn ontvangen, zijnde 8 maart 2025.
4.13.
Het beroep van [gedaagde] op het opschortingsrecht faalt. Hiervoor is namelijk vereist dat [gedaagde] een opeisbare vordering op [eiser] heeft [11] . Daarvan is geen sprake, zodat hem een beroep op opschorting niet toekomt.
Wettelijke rente
4.14.
Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] de koopprijs van de auto van € 4.250,00 vanaf 9 maart 2025 aan [eiser] verschuldigd was. Voor de betaling van dit bedrag heeft [eiser] [gedaagde] op 14 maart 2025 in gebreke gesteld [12] waarna betaling binnen de gestelde termijn van veertien dagen is uitgebleven. De gevorderde wettelijke rente over € 4.250,00 zal worden toegewezen vanaf 29 maart 2025. De betaling van [gedaagde] van € 4.250,00 op 21 november 2025 zal ex artikel 6:44 BW Pro in mindering moeten worden gebracht op de gevorderde hoofdsom, maar eerst op de wettelijke rente.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.15.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [gedaagde] betwist dat hij buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zou zijn omdat hij geen aangetekende ingebrekestelling zou hebben ontvangen. [eiser] heeft gesteld dat hij de ingebrekestelling van 14 maart 2025 zowel per aangetekende post als per e-mail aan [gedaagde] heeft gezonden. [gedaagde] heeft niet betwist dat hij de e-mail niet heeft ontvangen [13] . [eiser] heeft daarmee
voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Het door [eiser] gevorderde bedrag van € 960,29 is in lijn met het Besluit, zodat dit bedrag zal worden toegewezen.
Proceskosten
4.16.
[gedaagde] wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
123,73
- griffierecht
732,00
- salaris gemachtigde
812,00
(2 punten × € 406,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.802,73

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 14.278,85 voor de verrichte werkzaamheden, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van 29 maart 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 4.250,00 voor de auto, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van 29 maart 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 960,29 aan buitengerechtelijke kosten,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.802,73, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
5.8.
verstaat dat de reeds door [gedaagde] na dagvaarding verrichte betaling van € 4.250,00 conform het bepaalde in artikel 6:44 BW Pro in mindering worden gebracht op de veroordeling onder 5.2.
Dit vonnis is gewezen door mr. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.

Voetnoten

1.Zie hiervoor onder 2.7.
2.Zie productie 3 van [eiser] .
3.Zie hiervoor onder 2.5.
4.Zie hiervoor onder 2.7.
5.Zie hiervoor onder 2.7. en r.o. 4.2.
6.Zie hiervoor onder 2.4.
7.Artikel 6:38 BW Pro.
8.Zie hiervoor onder 2.3.
9.Zie hiervoor onder 2.5. en 2.8.
10.Zie hiervoor onder 2.12.
11.Artikel 6:52 lid 1 BW Pro.
12.Zie productie 5 van [eiser] en r.o. 4.10.
13.Zie r.o. 4.10.