Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:5696

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
03/086324-25, 03/260501-23, 03/201431-24
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 36f SrArt. 38 SrArt. 38a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen afpersing, bankhelpdeskfraude en poging zware mishandeling met tbs-maatregel

De rechtbank Limburg heeft verdachte veroordeeld voor meerdere strafbare feiten, waaronder medeplegen van afpersing en afdreiging van een minderjarige, bankhelpdeskfraude, poging zware mishandeling door met een auto op iemand in te rijden, mishandeling en bedreiging met de dood. De afpersing betrof een 15-jarige jongen die onder dreiging van onthulling van geheimen en een vuurwapen werd gedwongen geld, sieraden en horloges af te geven. Bij de bankhelpdeskfraude werden kwetsbare slachtoffers opgelicht voor meer dan €30.000.

De rechtbank achtte de bewezenverklaring wettig en overtuigend op basis van verklaringen van slachtoffers, getuigen, chatberichten en forensisch onderzoek. De verdediging voerde onder meer aan dat de pleegperiode te ruim was en dat verdachte geen initiatiefnemer was, maar deze verweren werden verworpen. Ten aanzien van de poging doodslag sprak de rechtbank verdachte vrij wegens ontbreken van opzet op de dood, maar veroordeelde hem voor poging zware mishandeling.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 781 dagen op, gelijk aan de duur van het voorarrest, en een tbs-maatregel met voorwaarden. De gedragsbeïnvloedende vrijheidsbeperkende maatregel werd niet opgelegd vanwege de jonge leeftijd van verdachte en het ontbreken van eerdere klinische behandeling. Daarnaast werd een rijontzegging van 12 maanden opgelegd. De vorderingen van de benadeelde partijen werden grotendeels toegewezen, met hoofdelijke aansprakelijkheid van verdachte en medeverdaders.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 781 dagen gevangenisstraf en tbs met voorwaarden voor medeplegen afpersing, bankhelpdeskfraude, poging zware mishandeling, mishandeling en bedreiging.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer: 03/086324-25, 03/260501-23 en 03/201431-24 (ttz.gev.)
Parketnummer: 03/071711-23 (TUL)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 15 juni 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 2004,
gedetineerd in de [PI] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. B.G. Janssen en mr. J.H.S. Klinkenberg, advocaten kantoorhoudende te Maastricht.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 8 en 13 mei 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
Namens de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is op de zitting gehoord mr. L.P. Kabel. De rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding behandeld.
De benadeelde partij [slachtoffer 3] is niet op zitting verschenen. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.
Namens de benadeelde partij [slachtoffer 4] is op de zitting gehoord mr. S.L.T.A. Scheepers. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.
Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de strafzaak tegen medeverdachten [medeverdachte 1] (parketnummer 03/260574-23) en [medeverdachte 2] (parketnummer 03/260540-23).

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er – na wijziging – kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
Parketnummer 03/260501-23 (onderzoek Padua)
Feit 1:in de periode van 1 mei 2023 tot en met 6 oktober 2023 al dan niet samen met anderen [slachtoffer 1] heeft afgeperst;
Feit 2:in de periode van 1 mei 2023 tot en met 6 oktober 2023 al dan niet samen met anderen [slachtoffer 1] heeft afgedreigd;
Feit 3:op 6 oktober 2023 al dan niet samen met anderen € 80.000,00 heeft gestolen van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ;
Parketnummer 03/201431-24 (onderzoek Uralrex)
Feit 1:op 26 september 2023 al dan niet samen met anderen [slachtoffer 3] heeft opgelicht;
Feit 2:op 26 september 2023 al dan niet samen met anderen geld heeft gestolen van [slachtoffer 3] door met een gestolen pinpas geld te pinnen;
Parketnummer 03/086324-25 (onderzoek Yalumba)
Feit 1:op 17 maart 2025 heeft geprobeerd om [slachtoffer 4] te doden (
primair) dan wel om hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (
subsidiair) door met een auto op hem in te rijden;
Feit 2:op 17 maart 2025 [slachtoffer 4] heeft mishandeld;
Feit 3:op 17 maart 2025 [slachtoffer 5] heeft bedreigd met de dood.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
Parketnummer 03/260501-23 (onderzoek Padua)
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten 1 en 2 wettig en overtuigend kunnen worden bewezen, waarbij sprake is van eendaadse samenloop. Daartoe heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat de verdachte zowel in de periode voorafgaand als tijdens de feiten van 5 en 6 oktober 2023 de rol van medepleger heeft gehad. De verdachte moet van het tenlastegelegde feit 3 worden vrijgesproken, omdat geen sprake was van een wegnemingshandeling, maar van afpersing.
Parketnummer 03/201431-24 (onderzoek Uralrex)
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Daartoe heeft hij naar voren gebracht dat de verdachte als koerier tot tweemaal toe pinpassen, geld en telefoons heeft opgehaald bij de aangever waardoor hij als medepleger van de oplichting kan worden aangemerkt. Ook ten aanzien van de diefstal met valse sleutel kan de verdachte als medepleger worden aangemerkt, omdat hij degene was die met de gestolen pinpassen is gaan pinnen samen met anderen van wie hij de codes kreeg.
Parketnummer 03/086324-25 (onderzoek Yalumba)
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van de onder feit 1 primair tenlastegelegde poging doodslag moet worden vrijgesproken, omdat geen sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood. Deze aanmerkelijke kans was er wel voor het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en daarom kan de subsidiair tenlastegelegde poging zware mishandeling wel wettig en overtuigend worden bewezen. Ook de feiten 2 en 3 kunnen – gelet op de bekennende verklaringen van de verdachte, de aangiftes en de getuigenverklaringen – wettig en overtuigend worden bewezen.
3.2
Het standpunt van de verdediging
Parketnummer 03/260501-23 (onderzoek Padua)
De raadsman heeft zich ten aanzien van het tenlastegelegde feit 1 op het standpunt gesteld dat – hoewel de verdachte een aandeel heeft gehad in de afpersing en hij dit ook erkent – de tenlastegelegde pleegperiode te ruim is. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat aangever [slachtoffer 1] ook uit zichzelf al langere tijd met geld strooide uit de portemonnee van zijn vader en dat er geen sprake is van structurele afpersing en dwang. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat het dossier geen objectief bewijs bevat dat [slachtoffer 1] is bedreigd met een vuurwapen. De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte niet dé spil of de bedenker van het plan is geweest en dat hij onderdeel was van een groep jongens die snel en makkelijk geld wilden verdienen. Ten aanzien van het tenlastegelegde feit 2 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde geldbedrag. De verdachte moet ook worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit 3.
Parketnummer 03/201431-24 (onderzoek Uralrex)
De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte geen initiatiefnemer of organisator was van de bankhelpdeskfraude, maar dat hij enkel een uitvoerende schakel is geweest binnen een bestaande – door anderen aangestuurde – werkwijze.
Parketnummer 03/086324-25 (onderzoek Yalumba)
De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte van het tenlastegelegde feit 1 – zowel van het primair als het subsidiair ten laste gelegde – moet worden vrijgesproken, omdat er geen aanmerkelijke kans was op de dood of op zwaar lichamelijk letsel gelet op de geringe snelheid waarmee de verdachte heeft gereden. Ten aanzien van de feiten 2 en 3 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
Parketnummer 03/260501-23 (onderzoek Padua) [1]
De bewijsmiddelen – feit 1
Aangever [slachtoffer 1]verklaarde – zakelijk weergegeven – als volgt:
Het geld is afgelopen nacht 6 oktober 2023 overhandigd aan [medeverdachte 3] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 3] ) en hij is ook degene die dreigde met een vuurwapen. Ik werd geappt met dit telefoonnummer: [nummer 1] . Ik werd steeds geappt door [verdachte] en die vertelde wat [medeverdachte 3] allemaal wilde. [medeverdachte 3] ben ik regelmatig tegengekomen en hij heeft mij eerder een vuurwapen laten [slachtoffer 5] . Hij was mij onder druk aan het zetten. Als ik dingen niet zou doen, dan zou hij dingen doen. Hij dreigde ook dat hij mijn vriendin of broertje zou schieten. Hij zei dan van: “Wat moet ik doen, moet ik ze gaan schieten?”. [2]
Op 28 of 29 september 2023 zei [verdachte] dat [medeverdachte 3] een geweer gekocht had met het geld dat ik gegeven had. Ik heb toen met [verdachte] afgesproken. Dat was 1 oktober 2023. [verdachte] zei dat [medeverdachte 3] een wapen had gekocht en dat hij dingen wilde gaan doen tegen mijn vriendin en mijn broertje. Hij wist ook informatie over mijn broertje en vriendin te verstrekken. Hij wist waar mijn broertje altijd buiten was. En hij wist ook dingen over mijn vriendin, waar zij altijd was. Ik had angst. Ik wist niet wat ik moest doen. [verdachte] appte mij 's avonds op 1 oktober 2023. [medeverdachte 3] wilde een foto van de kluis. Die maandag 2 oktober 2023 stuurde ik een foto. De volgende dag, dat was een dinsdag, was ik naar school gegaan. De laatste paar uur, toen ik naar huis fietste, toen ik bij de poort was, zag ik [medeverdachte 3] staan. Ik zag dat [medeverdachte 3] zijn shirt omhoogtrok. Ik zag toen een handvat zitten. Ik dacht dat dat het geweer was waar [verdachte] het over had. Die woensdag maakte ik een nieuwe foto van de kluis. Die foto heb ik naar [verdachte] gestuurd. Donderdagavond 5 oktober 2023 heb ik toen afgesproken met [verdachte] , bij de brug. [verdachte] zei toen dat [medeverdachte 3] het die dag wilde doen. [verdachte] zei dat hij het daarmee eens was. Toen was het de nacht van 5 op 6 oktober. Ik wilde het niet doen. [verdachte] was mij steeds aan het overhalen. Toen was het 02.30 uur, 02.45 uur ongeveer. [medeverdachte 3] had tegen [verdachte] gezegd dat hij het nu wilde doen. “Zeg dat hij alles klaar heeft liggen”, dat zei hij tegen [verdachte] . [verdachte] gaf dat weer door aan mij. Ik zei dat ik nog niet klaar was en dat ik nu naar beneden zou gaan. Ik had een video gestuurd waar het zou liggen. Ik zei: “Niet schieten”. Dit zei ik tegen [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] zei: “Doe je werk goed. Je weet wat ik heb”. Voor mijn gevoel refereerde hij hierbij aan het wapen. [verdachte] zei dat [medeverdachte 3] het bij de deur wilde hebben. Bij onze voordeur. Ik zei dat ik het wel uit het raam zou gooien. Ik bedoelde het raam van mijn slaapkamer. Ik pakte alles uit de kluis. Ik deed al het geld in een kussensloop. Ik legde een knoop in de kussensloop. Van tevoren maakte ik een foto van de kussensloop. Die stuurde ik naar [verdachte] . Ik maakte het raam open en zei dat ik het echt niet wilde doen. Ik zei dit via de app. [verdachte] zei dat ik het moest doen. Anders zou er van alles gebeuren. Toen heb ik het toch naar buiten gegooid. Rond 03.10 uur reageerde er niemand meer. [verdachte] en [medeverdachte 3] allebei niet meer. Om 03.11 uur heb ik mijn kleren aangetrokken. Ik wilde naar buiten gaan. Ik keek nog een keer uit het raam. Toen zag ik [medeverdachte 3] over het hek springen. Ik keek weg en ik hoorde hem landen. Na een paar seconden keek ik weer, toen hoorde ik hem namelijk terug over het hek springen. Ik zag [medeverdachte 3] niet meer. [3]
Aangever [aangever] [4] verklaarde – zakelijk weergegeven – als volgt:
Ik doe aangifte van diefstal uit het bedrijf door middel van geweld of afdreiging of afpersing. Het bedrijf is genaamd [slachtoffer 2] en ligt aan de [adres 1] in Tegelen. Mijn zoon (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ) slaapt bij mijn ouders, dat is tevens het bedrijf. Onder dreiging van de personen heeft mijn zoon het geld gepakt en klaargemaakt en naar buiten gegooid. Het geld is van het bedrijf.
Verbalisant [naam 1] [5] relateerde – zakelijk weergegeven als volgt:
Ik heb de inbeslaggenomen telefoon van [slachtoffer 1] overgedragen aan de afdeling Digitale recherche voor het veiligstellen van de data. Deze data werden mij vervolgens ter beschikking gesteld via het programma Transferium. Ik zag dat er een chat plaatsvond tussen 6 oktober 2023 02.23.58 uur UTC+2 en 03.12.32 uur
CITC+2 tussen de gebruiker van telefoonnummer [nummer 1] ‘ [Letter] ’ en de gebruiker van telefoonnummer [nummer 2] . Aangever [slachtoffer 1] heeft dit telefoonnummer opgegeven als de zijne.
02.38.04
uur [nummer 2] : “Wr ben je?”
02.38.21
uur ‘ [Letter] ’: “Bijna dear”
02.38.31
uur [nummer 2] : “K heb die nog niet ready”
02.38.34
uur [nummer 2] : “Is nog te vroeg”
02.38.51
uur [Letter] ’: “Hoelaat?”
02.39.04
uur [nummer 2] : “Om 3 ga ik na beneden”
02.39.12
uur ‘ [Letter] ’: “Ok”
02.40.07
uur [nummer 2] : “Gw niet op gaan schiet broer”
02.40.08
uur [nummer 2] : “Aub”
02.40.18
uur [nummer 2] : “Op mij gaan schieten r”
02.40.20 : “
Raam ofz”
02.40.37 ‘
[Letter] : “Nnee doe je werk goed”
02.40.43 : “
Ik ben helemaal trillen”
Verbalisant [naam 2] [6] relateerde – zakelijk weergegeven – als volgt:
Ten behoeve van de telecomanalyse in onderzoek Padua is er onderzoek gedaan naar welke telefoonnummers bij welke verdachte horen en welke nummers op 6 oktober 2023 daadwerkelijk door deze verdachten kunnen zijn gebruikt. Uit de analyse van de printlijsten is gebleken dat op 5 en 6 oktober 2023 ook een nummer is gebruikt waarvan het toestel niet in beslag is genomen:
Nummer
IMEI
Toestel
[nummer 1]
[nummer 3]
Samsung Galaxy A04e
In de telefoon van [slachtoffer 1] staat dit nummer in de contacten aangemerkt als ‘ [Letter] ’.
Verbalisant [naam 12] [7] relateerde – zakelijk weergegeven – als volgt:
In de iPhone 12 Pro, die in gebruik is geweest bij verdachte [verdachte] , werden chats aangetroffen. Op 29 september 2023 werd een WhatsApp conversatie gestart tussen de telefoon van [verdachte] en iemand die gebruik maakt van het telefoonnummer [nummer 4] en de naam ‘ [Letter] ’. ‘ [Letter] ' schreef op 5 oktober 2023, dat hij [verdachte] en ‘die kanker junk’ gaat verbouwen als ‘het’ vandaag niet doorgaat. [verdachte] schreef dat ‘ [Letter] ’ niet het leven van een derde persoon moet verzieken, omdat deze voor alles opdraait. ‘ [Letter] ’ schreef dat [verdachte] ‘hem’ moet sturen en [verdachte] vroeg of ‘ [Letter] ’ die gun daar laat waar hij vertelde.
Verbalisant [naam 1] [8] relateerde – zakelijk weergegeven – als volgt:
Door aangever [slachtoffer 1] werd de chat getoond welke hij had gehad met zijn zus op 6 oktober 2023. Ik zag dat haar contactnaam [naam 3] was. Ik zag dat de chat startte om 03:56 uur. Ik las de volgende chat, waarbij 1 de aangever betreft en 2 [naam 3] . De teksten zijn letterlijk overgenomen uit de chat.
1: Ik heb echt domme dinge gedaan [naam 3]
1: Ik vewoon dat iedereen veilig was
1: Ik was bang
2: Wat heb je gedaan [slachtoffer 1] ?
2: Zeg eerlijk
1: Ik werd bedreigd
1: Dooie [medeverdachte 3]
1: Met een wapen
1: Hij zei
1: Je gaat geld geven uit die kluis
1: Anders gaan dingen gebeuren
1: Ik heb hem geld uit de kluis van oma gegeven
1: Hij deed mij elke dag bedreigen
(..)
1: Ik was ecjt bang
1: Dat hij [naam 4] en [naam 5] iets zou doen
2: Hso bel je mij niet op
2: Voor je weer wat doet wat heb ik jou gezegd
1: Hij zei elke keer als je praat is klaar
De verdachteverklaarde ter terechtzitting van 8 mei 2026 – zakelijk weergegeven – als volgt:
Zowel [medeverdachte 3] als ik hebben een rol gespeeld. Wij hadden een manier bedacht om aan geld te komen. Het appgesprek op mijn telefoon van 5 oktober 2023 met ene ‘ [Letter] ’ met telefoonnummer [nummer 4] op pagina 172 van het dossier is gevoerd met [medeverdachte 3] . Dat telefoonnummer was van niemand. Het was gewoon een opzetje dat gebruikt werd om geld van [slachtoffer 1] te krijgen. [medeverdachte 3] en ik zaten naast elkaar toen die berichten werden verstuurd. De Samsung Galaxy A04e werd gebruikt door mij, mijn moeder en [medeverdachte 3] . Met die telefoon en het telefoonnummer [nummer 1] werden de appjes in de nacht van 5 op 6 oktober 2023 naar [slachtoffer 1] gestuurd. In de nacht van 5 op 6 oktober 2023 zat ik in de rode Seat Ibiza. Toen is besproken dat het moest gaan gebeuren die avond. We zijn toen inderdaad naar een bos gereden, we moesten een stukje joggen en door een opengeknipt hekwerk heen. [medeverdachte 3] heeft de kussensloop gepakt en deze vervolgens aan mij gegeven. In de kussensloop zat ongeveer € 40.000,00. Een deel van dat geld heb ik gekregen.
Medeverdachte [medeverdachte 3] [9] verklaarde – zakelijk weergegeven – als volgt:
De jongen die geld heeft klaargelegd heet [slachtoffer 1] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ) [slachtoffer 1] . [verdachte] vertelde dat ik geld moest ophalen. Ik zat 5 oktober 2023 bij hen in de auto, een rode Seat Ibiza. We waren toen met zijn vieren. Ik, [bijnaam] , [medeverdachte 2] en [verdachte] . We reden vervolgens naar mijn huis. Ik moest thuis wachten op een bericht van hen. Toen kreeg ik een bericht via Snap van [verdachte] dat ze eraan kwamen. Ze zeiden dat ze naar [friture] zouden komen in Blerick. Ik ben daar dus naartoe gelopen en vervolgens kwam de rode Seat weer aan en zaten dezelfde personen in de auto. Ik heb eerder een foto gezien op de telefoon van [verdachte] waarop ik een stapel groene briefjes zag. Het was een grote stapel groene briefjes van 100 euro en een kleine stapel. [verdachte] zei dat ik dit op moest halen en dat die jongen dit klaar zou leggen voor mij. Vervolgens gingen we naar een raar bos, we moesten een stukje joggen. Het was er heel donker. We moesten door een geknipt hek. Onderweg zag ik wel dat we over de snelweg kwamen over een brug. We zijn te voet de snelweg overgestoken. Vanuit de snelweg moesten we nog een stukje lopen totdat we aan een bedrijventerrein kwamen. Ik ben door het hek gegaan en ik zag in het gras een kussensloop liggen. [verdachte] had het al over een kussensloop gehad. Ook vertelde [verdachte] dat deze dicht zou zijn. Ik heb het gepakt en ik zag dat de kussensloop dicht was. Ik ben met de kussensloop weer naar het hek gelopen en [verdachte] pakte de kussensloop van me af en rende weg. Ik liep terug. Ze renden weer via dezelfde weg terug en ik liep dus terug. Weer de snelweg over en door het geknipte hek. [verdachte] was in contact met [slachtoffer 1] via de telefoon toen we er waren. [verdachte] zei nog dat ik naar [naam speeltuin] moest komen. Hiermee bedoelde hij een speeltuin in Hagerwijk in Venlo Zuid. Ik ben daar naartoe gelopen, een beetje rennend. Bij de speeltuin zag ik iets branden. [verdachte] gooide geld naar mij en zei dat dit mijn bonus was. [verdachte] heeft iets bij [slachtoffer 1] gedaan zodat hij geld klaar zou leggen. Hij heeft hem gemanipuleerd.
De bewijsmiddelen – feit 2
Aangever [slachtoffer 1]verklaarde – zakelijk weergegeven – als volgt:
Het afpersen door [verdachte] loopt al vanaf mei dit jaar. Ik zag dat [verdachte] een wond aan zijn hoofd had, hij had daar een pleister op geplakt. [verdachte] vertelde mij dat zijn broer hem geslagen had met een knuppel of een stuk hout. [verdachte] zei dat het mijn schuld was dat zijn broer hem geslagen had, omdat ik mensen gevraagd had of het geld van die overval bij [verdachte] lag. [verdachte] zei mij: “Ik ben door mijn broer kapotgeslagen en dat komt door jouw woorden”. [verdachte] had mij per app laten weten dat ik hem € 2.100,00 moest betalen. Hij vertelde mij dat zijn destijds vriendin dat geld zou ophalen. Ik heb één keer geld aan haar overgedragen. [verdachte] appte mij gewoon. Hij was in Marokko. Hij wilde geld hebben als hij terugkwam uit Marokko. Toen hij terug was, volgens mij de dag erna, heb ik hem dat geld gegeven. Ik weet niet meer hoeveel ik toen gegeven heb. Dat zal rond de € 2.000,00 - € 3.000,00 euro geweest zijn. [10]
[medeverdachte 3] dreigde dat hij allemaal dingen zou gaan vertellen aan mijn ouders die ik gedaan had op school. Ik werd steeds geappt door [verdachte] en die vertelde wat [medeverdachte 3] allemaal wilde. Ik heb van een vriend spaargeld geleend. Na 24 september 2023 had ik € 1.000,00 van mijn vriend gegeven. [11]
[medeverdachte 3] zette mij onder druk, dat als ik dat niet zou doen, dat hij dingen tegen mijn vader zou vertellen, die ik toentertijd deed op school en die ik in het verleden heb gedaan. Ik was een vervelend kind op school. Ik spijbelde. Ik maakte kinderen bang. Ik had vroeger ook een keer geld gestolen van mijn opa (van de zaak). Ik had ook meerdere scooters gekocht. Mijn vader wist van een scooter wel af, omdat ik toen naar het ziekenhuis moest, maar ik wist niet of mijn vader de rest ook wist. Ik wilde niet dat mijn vader wist dat ik dat geld had. Want ik kon niet verklaren hoe ik aan dat geld kwam. Ik had dat van het bedrijf gepakt. Ik wilde niet dat mijn vader wist, waarvan ik die scooters gekocht had. Ik wilde dat niet zeggen. Op 24 september 2023 heb ik mijn Rado-horloge, armbanden en ketting afgegeven. Op 25 september 2023 heb ik het geld moeten afgeven, dat ik geleend had. Dat was € 1.000,00 en mijn A P-horloge. Deze spullen heb ik overgedragen aan [verdachte] . In de nacht van 25 op 26 september belde [verdachte] dat [medeverdachte 3] een dag later mensen zou sturen of zelf zou snitchen. [medeverdachte 3] zou snitchen bij mijn vader of mijn zus. En hij probeerde ook achter het nummer van mijn zus te komen. De ketting die ik heb afgestaan aan [verdachte] was van mijn oma. Het was iets van goud. Volgens mij kwam die uit de la, bij oma op de slaapkamer. [12]
De verdachteverklaarde ter terechtzitting van 8 mei 2026 – zakelijk weergegeven – als volgt:
[slachtoffer 1] praatte over de overval op [naam 6] . Ik heb tegen [slachtoffer 1] gezegd: “Je steelt van je vader”. Dat had ik gehoord van degene die betrokken was bij de overval. Toen is [slachtoffer 1] mij geld gaan geven om te voorkomen dat ik dat tegen zijn zus zou zeggen. Toen ik op vakantie was in Marokko nam [medeverdachte 3] het een soort van over. Dat had hij bij mij afgekeken en dat was heel makkelijk, want [slachtoffer 1] strooide met geld. [slachtoffer 1] stal zelf geld van zijn vader. In die hele periode heeft [slachtoffer 1] geld afgegeven aan mij en aan [medeverdachte 3] . Ik heb inderdaad horloges gekregen van [slachtoffer 1] en ook een ketting. Die ketting heb ik verkocht aan een goudwisselkantoor en daar heb ik € 800,00 voor gekregen.
Medeverdachte [medeverdachte 3] [13] verklaarde – zakelijk weergegeven – als volgt:
[slachtoffer 1] die steelt van zijn vader. Ik weet dat. [slachtoffer 1] gaf eerder € 4.000,00 aan [verdachte] . [slachtoffer 1] heeft toen tegen [verdachte] gezegd: “Als ik gepakt word dat ik steel uit de kluis en portemonnee, dan word ik door mijn vader naar Frankrijk gestuurd”. [slachtoffer 1] moest geld aan [verdachte] geven.
Overwegingen rechtbank
Op basis van bovenstaande bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan afpersing (
feit 1) en afdreiging (
feit 2) van [slachtoffer 1] .
De rechtbank overweegt als volgt.
Op basis van de vele verklaringen in het dossier onderscheidt de rechtbank twee periodes.
De eerste periode loopt van 1 mei 2023 tot 28 september 2023. In deze periode is [slachtoffer 1] door de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 3] afgedreigd. Aanleiding hiervoor was dat de verdachte in de problemen was gekomen, nadat [slachtoffer 1] rond was gaan vragen of het geld van de overval op [naam 6] bij de verdachte lag. De verdachte wist dat [slachtoffer 1] geld stal van het bedrijf van zijn vader en opa, dat hij met dat geld scooters had gekocht, dat hij kinderen op school bang maakte en dat hij had gespijbeld. De verdachte gebruikte deze geheimen – samen met medeverdachte [medeverdachte 3] – om [slachtoffer 1] te dwingen tot het afgeven van geld, horloges en sieraden. Er werd gedreigd dat, indien [slachtoffer 1] niet zou meewerken, deze geheimen zouden worden geopenbaard aan de vader en zus van [slachtoffer 1] .
De tweede periode loopt van 28 september 2023 tot en met 6 oktober 2023. Vanaf 28 september 2023 gaat de afdreiging over in afpersing. De verdachte en medeverdachte dreigden niet langer geheimen van [slachtoffer 1] te onthullen om hem geld af te laten geven, maar ze bedreigden [slachtoffer 1] met een vuurwapen. Op 1 oktober 2023 heeft de verdachte tegen [slachtoffer 1] gezegd dat medeverdachte [medeverdachte 3] een wapen had gekocht en dat hij de vriendin en het broertje van [slachtoffer 1] zou beschieten. De verdachte wist aan [slachtoffer 1] te vertellen waar zijn vriendin en broertje altijd waren en die dag kreeg [slachtoffer 1] via de telefoon de opdracht om een foto te sturen van de inhoud van de kluis van het bedrijf van zijn vader en opa. Op 4 oktober 2023 moest [slachtoffer 1] opnieuw een foto van de inhoud van de kluis sturen en op 5 oktober 2023 heeft de verdachte tegen [slachtoffer 1] gezegd dat medeverdachte [medeverdachte 3] het vandaag wilde doen en dat de verdachte het daarmee eens was. In de nacht van 5 op 6 oktober 2023 kreeg [slachtoffer 1] – via de telefoon van de verdachte – een bericht uit naam van medeverdachte [medeverdachte 3] : “Zeg dat hij alles klaar heeft liggen”. Nadat [slachtoffer 1] terug appte met: “Niet schieten”, werd uit naam van medeverdachte [medeverdachte 3] aan [slachtoffer 1] gestuurd: “Doe je werk goed. Je weet wat ik heb”. [slachtoffer 1] heeft vervolgens (ten minste) € 40.000,00 uit de kluis van het familiebedrijf [slachtoffer 2] gehaald, dit in een kussensloop gedaan en de kussensloop uit het raam gegooid. Deze kussensloop is opgeraapt door [medeverdachte 3] , waarna de buit is verdeeld. De verdachte heeft een deel van het geld ontvangen.
De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat – hoewel er geen vuurwapen is aangetroffen bij de verdachte of de medeverdachte – uit het dossier voldoende blijkt dat [slachtoffer 1] onder dreiging van een vuurwapen geld heeft afgestaan. In verschillende chat- en WhatsApp-gesprekken wordt gesproken over een vuurwapen en wordt in ieder geval de suggestie van het bestaan van een vuurwapen gebruikt om [slachtoffer 1] bang te maken. Zo schreef de verdachte op 5 oktober 2023 in een chatgesprek met medeverdachte [medeverdachte 3] of ‘ [Letter] ’ die gun daar laat waar hij vertelde. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat dit gesprek een opzetje was dat werd gebruikt om [slachtoffer 1] te laten betalen. De rechtbank begrijpt: een nepgesprek om [slachtoffer 1] te doen laten geloven dat medeverdachte [medeverdachte 3] een vuuwapen had. Dat [slachtoffer 1] ook daadwerkelijk dacht dat medeverdachte [medeverdachte 3] een vuurwapen had blijkt wel uit het bericht dat [slachtoffer 1] hem op 6 oktober 2023 stuurde: “Niet schieten”. Waarop uit naam van medeverdachte [medeverdachte 3] werd gestuurd: “Doe je werk goed. Je weet wat ik heb”. Vlak nadat [slachtoffer 1] het geld in de kussensloop naar buiten heeft gegooid, stuurt hij berichten aan zijn zus waarin hij zegt dat hij iets stoms heeft gedaan en dat hij gewoon wilde dat iedereen veilig was. Hij stuurt dat hij met een vuurwapen werd bedreigd door [medeverdachte 3] en dat hij echt bang was dat [medeverdachte 3] ‘ [naam 4] en [naam 5] ’ (de rechtbank begrijpt: zijn broertje en vriendin) iets aan zou doen.
Parketnummer 03/201431-24 (onderzoek Uralrex) [14]
De bewijsmiddelen – feit 1
De rechtbank acht, evenals de officier van justitie, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met anderen [slachtoffer 3] heeft opgelicht gelet op:
  • de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 8 mei 2026;
  • het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3]
- het proces-verbaal van bevindingen. [16]
De bewijsmiddelen – feit 2
De rechtbank acht, evenals de officier van justitie, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met anderen een geldbedrag heeft gestolen van [slachtoffer 3] en een ander door onbevoegd gebruik te maken van bankpassen en bijbehorende pincodes gelet op:
  • de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 8 mei 2026;
  • het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] .
Overwegingen rechtbank
Voor zover de raadsman heeft willen aanvoeren dat de verdachte ten aanzien van de tenlastegelegde feiten 1 en 2 geen
medeplegeris, overweegt de rechtbank als volgt.
De verdachte is samen met anderen in een auto naar Maastricht gereden. In de auto is de rol van de verdachte besproken en welke handelingen hij moest uitvoeren. Terwijl de aangever telefonisch werd beziggehouden door twee medeverdachten – die zich voordeden als een medewerker van de Van Lanschot bank en een medewerker van de FIOD – heeft de verdachte zich omgekleed en is hij vervolgens bij de aangever en zijn vrouw aan de deur geweest, waarbij hij zich voordeed als ‘ [naam 7] ’, bankmedewerker bij de Van Lanschot bank. De verdachte heeft de telefoons en pinpassen van de aangever en zijn vrouw meegenomen en is daarna nog een tweede keer bij hen aan de deur geweest om € 30.000,00 aan contant geld mee te nemen. Vervolgens is de verdachte – met de pincodes die hij had doorgekregen – geld gaan pinnen van de rekeningen van de aangever en zijn vrouw.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan. Door als ‘koerier’ de pinpassen, telefoons en het contante geld bij de slachtoffers op te halen en door vervolgens met deze pinpassen te gaan pinnen, heeft de verdachte een materiële bijdrage van voldoende gewicht geleverd.
Parketnummer 03/086324-25 (onderzoek Yalumba) [18]
De bewijsmiddelen – feiten 1 en 2
Aangever [slachtoffer 4]verklaarde – zakelijk weergegeven – als volgt:
Op maandag 17 maart 2025, omstreeks 17.25 uur, liep ik naar buiten. Ik ben woonachtig op de [adres 2] in Venlo. Ik zag toen ik buiten stond drie dames staan. Ik zag dat deze aan het schreeuwen waren tegen een jongen die in een auto zat. De auto waar hij in zat betrof een grijze Ford Fiësta. Deze stond geparkeerd aan de rechterzijde van de weg tegen de stoep. Ik vroeg aan de dames of alles goed ging. Ik hoorde hierop dat de jongen tegen mij begon te schelden. Gezien ik hier niks mee te maken wilde hebben ben ik weggelopen richting de hoek van de [adres 3] met de [adres 4] . Ik hoorde, toen ik wegliep, dat een auto gestart werd. Ik draaide mij precies op de hoek om in de richting van het voertuig. Ik zag dat dit weer de grijze Ford Fiësta betrof. Ik zag dat deze wegreed vanuit zijn plek. Ik zag dat hij in mijn richting kwamen rijden. Ik zag dat hij de stoep op reed. Ik zag dat hij recht op mij afkwam. Ik schrok hier enorm van en vreesde voor mijn leven. Ik zag geen andere optie meer dan omhoog te springen zodat ik niet onder de auto terecht zou komen. Ik voelde een harde klap tegen mijn benen. Ik belandde op de motorkap. Ik werd een aantal meters meegesleurd tot aan de overkant van de [adres 4] . Hier remde hij hard waardoor ik op de grond viel. Ik lag op de stoep en had veel pijn aan mijn benen. Ik zag dat dezelfde jongen die ruzie had met de dames uit de grijze Ford Fiësta stapte. Ik zag dat hij op mij afkwam lopen. Ik zag dat hij van zijn rechterhand een vuist maakte. Ik zag dat hij een krachtige slag naar voren maakte met zijn rechtervuist. Ik voelde dat hij hard op mijn gezicht sloeg. Door deze klap voelde ik pijn aan mijn gezicht. Ik probeerde weer zo snel mogelijk op te staan maar mijn hele lichaam deed pijn van de aanrijding. [19]
Hij kwam echt zonder te remmen de stoep op gereden en keek mij aan. [20]
Getuige [naam 8] [21] verklaarde – zakelijk weergegeven – als volgt:
Op 17 maart 2025 stond ik met [slachtoffer 5] op het balkon van mijn woning aan de [adres 3] in Venlo toen ik een grijze auto de straat in zag komen rijden. Ik zag dat het voertuig ter hoogte van mijn balkon stopte. Ik zag dat [verdachte] samen met zijn zusje uit de auto stapte. Ik hoorde dat [verdachte] en zijn zusje naar mij en [slachtoffer 5] begonnen te schreeuwen. Ik zag dat [verdachte] in het grijze voertuig stapte aan de bestuurderskant. Ik zag [verdachte] als bestuurder, samen met zijn zusje op de bijrijdersstoel, in het grijze voertuig wegreden. Ik zag en hoorde dat de buurman op dat moment iets aan [slachtoffer 5] vroeg. Ik zag dat het grijze voertuig van [verdachte] stopte en ik hoorde dat [verdachte] naar de buurman riep: “Wat moet je nou?”. Ik zag hierna dat het grijze voertuig in de achteruit ging. Ik zag dat het grijze voertuig ter hoogte van de [adres 3] [nummer 5] in Venlo de stoep op reed, de buurman hierbij geschept werd en op de motorkap belandde, en het voertuig hierna de [adres 4] in Venlo overgestoken is met de buurman op de motorkap. Ik zag dat het voertuig ter hoogte van het eethuis, wat gelegen ligt op de [adres 3] 144, tot stilstand kwam. Ik zag dat mijn buurman hierna van de motorkap afviel. Hierna ben ik vanuit mijn woning naar beneden gerend en ben ik op de [adres 3] gaan staan om te kunnen [slachtoffer 5] wat er hierna gebeurde. Ik zag dat [verdachte] mijn buurman begon te slaan. Ik zag dat dit met vuisten gebeurde. Ik zag dat [verdachte] met beide handen mijn buurman meerdere malen in zijn gezicht sloeg.
Verbalisant [naam 9] van de afdeling Forensische Opsporing Verkeer [22] relateerde – zakelijk weergegeven – als volgt:
Op 18 maart 2025 heb ik een onderzoek ingesteld aan de betrokken personenauto – een grijze Ford Fiësta – en op de plaats incident. Ik zag dat op de motorkap en op de onderzijde van de voorruit verstoringen in de aanwezige vuilafzetting waren. Gezien de vormen van de verstoringen was het zeer waarschijnlijk dat deze veroorzaakt waren door een persoon die op de motorkap terecht was gekomen. Op de motorkap en voorruit zijn door mij geen sporen aangetroffen die erop wijzen dat een persoon met meer dan geringe kracht op de voorruit dan wel motorkap terecht is gekomen. Gezien het sporenbeeld was niet vast te stellen of het voertuig bewoog of dat de persoon op het voertuig was gesprongen. Indien tactisch is vastgesteld dat het voertuig in beweging was dan werd het slachtoffer met een geringe snelheid aangereden.
De verdachteverklaarde ter terechtzitting van 8 mei 2026 – zakelijk weergegeven – als volgt:
Het klopt dat ik op 17 maart 2025 de bestuurder was van de grijze Ford Fiësta. Ik heb aangever [slachtoffer 4] aangereden. Hij is inderdaad omhoog gesprongen, op de motorkap beland en nog enkele meters meegesleurd.
Overwegingen rechtbank
De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat de primair tenlastegelegde poging doodslag niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte opzet had op de dood van [slachtoffer 4] . De rechtbank spreekt de verdachte hiervan vrij.
De rechtbank is op basis van bovenstaande bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – van oordeel dat wel wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte heeft geprobeerd om aan [slachtoffer 4] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat bij het inrijden op een persoon met een personenauto – ook bij een geringe snelheid – in zijn algemeenheid sprake is van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. De handelingen van de verdachte, namelijk het gericht met een auto de stoep oprijden waar [slachtoffer 4] staat, het vervolgens niet remmen en – nadat hij [slachtoffer 4] heeft geschept – nog enkele meters door te rijden met [slachtoffer 4] op zijn motorkap, zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op het bewerkstelligen van zwaar lichamelijk letsel, dat hieruit volgt dat de verdachte die aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte – dat hij [slachtoffer 4] enkel wilde bedreigen en bang maken – gelet op het voorgaande, te weten het niet remmen en het meesleuren van [slachtoffer 4] ongeloofwaardig.
Daarnaast acht de rechtbank op basis van bovenstaande bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte aangever [slachtoffer 4] heeft mishandeld door hem meerdere malen met gebalde vuisten te slaan.
De bewijsmiddelen – feit 3
De rechtbank acht, evenals de officier van justitie, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer 5] meerdere malen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht gelet op:
  • de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 8 mei 2026;
  • het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5]
- het proces-verbaal van bevindingen. [24]
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
Parketnummer 03/260501-23 (onderzoek Padua)
1
in de periode van 28 september 2023 tot en met 6 oktober 2023 te Tegelen, gemeente Venlo, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van enig geldbedrag, dat aan [slachtoffer 2] en een derde toebehoorde door - voornoemde [slachtoffer 1] te bedreigen met een vuurwapen en hem daarbij dreigend de woorden toe te voegen dat er geschoten zou worden op de vriendin en het broertje van die [slachtoffer 1] als hij niet mee zou werken;
2
op tijdstippen in de periode van 1 mei 2023 tot en met 27 september 2023 te Tegelen, gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met openbaring van een geheim [slachtoffer 1] hebben gedwongen tot afgifte van enig goed, te weten een geldbedrag en horloges en sieraden, die aan die [slachtoffer 1] en/of aan een derde toebehoorde, en tot het aangaan van een schuld, te weten een schuld van 1000 euro, door tegen die [slachtoffer 1] te zeggen dat verdachten geheimen zou openbaren tegen de vader van die [slachtoffer 1] waaronder:
- dat [slachtoffer 1] eerder geld had gestolen van zijn opa en/of het bedrijf van zijn opa/vader en/of
- dat [slachtoffer 1] scooters had gekocht
- dat [slachtoffer 1] kinderen op school bang maakte en/of spijbelde;
Parketnummer 03/201431-24 (onderzoek Uralrex)
1
op 26 september 2023 te Maastricht, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 3] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het ter beschikking stellen van gegevens, te weten de afgifte van een of meerdere bankpassen, cash geld, (pin)codes en meerdere telefoons, door:
- die [slachtoffer 3] een bericht te sturen uit naam van F. van Lanschotbank en
- die [slachtoffer 3] opdracht te geven contact op te nemen met het nummer in voornoemd bericht en
- zich tijdens dit gesprek voor te doen als een medewerker van een bank en FIOD en
- te vragen om de pincode(s) en
- aan te geven dat de bankpassen, telefoons en cash geld opgehaald zouden worden door een koerier en
- naar het adres van die [slachtoffer 3] te gaan en zich voor te doen als koerier en voornoemde goederen op te halen;
2
op 26 september 2023 te Maastricht tezamen en in vereniging met anderen, een geldbedrag, dat geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededaders toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders dat weg te nemen geldbedrag onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel door onbevoegd gebruik te maken van een of meer bankpassen en (bijbehorende) pincodes;
Parketnummer 03/086324-25 (onderzoek Yalumba)
1. subsidiair
op 17 maart 2025 te Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 4] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een personenauto met enige snelheid en zonder te remmen op die voornoemde [slachtoffer 4] is ingereden, waardoor voornoemde [slachtoffer 4] bovenop de motorkap terecht is gekomen en meerdere meters is meegesleurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
op 17 maart 2025 te Venlo [slachtoffer 4] heeft mishandeld door die [slachtoffer 4] , meermalen tegen/in het gezicht te slaan/stompen;
3
op 17 maart 2025 te Venlo [slachtoffer 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 5] dreigend de woorden toe te voegen:
- “ als ik je te pakken krijg dan kun je al je eigen organen van de straat af gaan rapen” en
- “ Ik maak je hele buurt kapot” en
- “ Zodra de enkelband af is, kom ik je halen en maak ik je kapot” en
- “ Ik wil je spreken, ik had de auto ook in de R kunnen zetten en jou ook om kunnen rijden”.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
Parketnummer 03/260501-23 (onderzoek Padua)
feit 1
afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen;
feit 2
medeplegen van afdreiging;
Parketnummer 03/201431-24 (onderzoek Uralrex)
feit 1
medeplegen van oplichting;
feit 2
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige GEV;
Parketnummer 03/086324-25 (onderzoek Yalumba)
feit 1 subsidiair
poging tot zware mishandeling;
feit 2
mishandeling;
feit 3
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

Psychiater [naam 10] en psycholoog [naam 11] hebben over de geestvermogens van de verdachte rapporten [25] uitgebracht. Uit de rapporten blijkt dat bij de verdachte sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken en van een stoornis in cannabisgebruik, thans in vroege remissie in een gereguleerde omgeving, matig van ernst. Beide deskundigen rapporteren dat het aannemelijk is dat de persoonlijkheidsproblematiek van invloed is geweest op het delictgedrag. De psychiater adviseert om – enkel in onderzoek Yalumba – het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen. In de zaken Padua en Uralrex wordt hiervoor geen reden gezien. De psycholoog rapporteert dat de verdachte ten aanzien van het agressie delict (Yalumba) vermoedelijk sterk impulsief en overmatig agressief heeft gehandeld en heeft gereageerd vanuit zijn persoonlijkheidsproblematiek. Bij de andere feiten stond niet zozeer de impulsiviteit op de voorgrond, maar ging het vooral om weloverwogen, berekenend gedrag. De psycholoog adviseert om de tenlastegelegde feiten in een (enigszins) verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
De rechtbank neemt deze adviezen over en is – gelet op voornoemde rapporten – van oordeel dat de verdachte enkel ten aanzien van de in onderzoek Yalumba gepleegde feiten verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht, nu beide deskundigen aangeven dat enkel in die zaak de persoonlijkheidsproblematiek een rol heeft gespeeld. De rechtbank is, mede op grond van voornoemd rapporten, van oordeel dat bij de verdachte geen sprake is van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit.
De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid geheel uitsluiten.

6.De straf en de maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek van het voorarrest. Daarnaast dient aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden te worden opgelegd. Ook de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht) dient – gelet op de problematiek van de verdachte – te worden opgelegd. Tot slot dient aan de verdachte een rijontzegging voor de duur van 24 maanden te worden opgelegd, nu bij de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 4] een auto is gebruikt.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de verdachte een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest moet worden opgelegd. De raadsman heeft aangevoerd dat – hoewel de verdediging zich niet verzet tegen de gevorderde tbs met voorwaarden – de verdediging zich nadrukkelijk verzet tegen oplegging van de gevorderde gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel, omdat dit – gelet op de jonge leeftijd van verdachte – te veel van het goede is.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich over een periode van 5 maanden schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten. De verdachte heeft samen met anderen gedurende een aantal maanden een 15-jarige jongen afgedreigd en afgeperst. Uit angst dat zijn geheimen zouden worden onthuld heeft het slachtoffer de verdachte en diens mededader(s) op meerdere momenten geld, horloges en sieraden gegeven. Op enig moment sloeg de afdreiging om in een afpersing en heeft het slachtoffer – onder dreiging van een vuurwapen – een geldbedrag van ten minste € 40.000,00 uit de kluis van het bedrijf van zijn vader en opa gehaald en dit afgegeven. De verdachte en zijn medeverdachte hebben het slachtoffer doelbewust angst aangejaagd om hem kostbare spullen en een grote som geld afhandig te maken. Het slachtoffer heeft als gevolg hiervan, zoals blijkt uit de toelichting op het verzoek tot schadevergoeding, psychische schade opgelopen en heeft EMDR-therapie moeten volgen.
In diezelfde periode heeft de verdachte zich – ook weer samen met anderen – schuldig gemaakt aan bankhelpdeskfraude. Daarbij hebben de verdachte en zijn mededaders doelbewust een echtpaar op leeftijd – en daarmee kwetsbare slachtoffers – uitgezocht. Op slinkse en geraffineerde wijze hebben zij het echtpaar gemanipuleerd om hun bankpassen, pincodes, telefoons en € 30.000,00 aan contant geld af te geven aan de verdachte, die zich voordeed als bankmedewerker. Vervolgens heeft de verdachte met die pinpassen € 4.900,00 gepind. Dit soort feiten treft de slachtoffers niet alleen in financiële zin, maar ook in hun gevoel van veiligheid en vertrouwen in de medemens dat ernstig wordt aangetast.
Nadat de voorlopige hechtenis van de verdachte was geschorst in de zaak van de afdreiging en afpersing, is de verdachte opnieuw de fout in gegaan. Hij heeft geprobeerd om de buurman van zijn ex-vriendin zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met een auto op hem in te rijden. Vervolgens heeft hij de man mishandeld door hem meerdere malen met gebalde vuisten te slaan. Dat het slachtoffer vreesde voor zijn leven blijkt uit de aangifte. Uit de toelichting bij het schadevergoedingsverzoek blijkt verder dat – hoewel het letsel in eerste instantie mee leek te vallen – het slachtoffer nog bijna dagelijks flashbacks van het incident heeft en dat hij fysieke, whiplashachtige klachten aan de aanrijding heeft overgehouden. Tot slot heeft de verdachte zijn ex-vriendin meerdere malen met de dood bedreigd.
De straf
Gelet op de ernst van de feiten acht de rechtbank in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend.
Blijkens zijn uittreksel justitiële documentatie van 2026 is de verdachte eerder veroordeeld voor vermogensdelicten.
Alles afwegende zal de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 781 dagen – gelijk aan de duur van het voorarrest – met aftrek van het voorarrest opleggen. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte ten aanzien van de gepleegde feiten in onderzoek Yalumba en hetgeen hierna over de persoon van de verdachte wordt overwogen.
Daarnaast zal de rechtbank aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden opleggen, omdat de verdachte deze bevoegdheid heeft ingezet bij het plegen van een ernstig strafbaar feit.
De tbs-maatregel
De psychiater en de psycholoog hebben in hun hiervoor besproken rapporten geconcludeerd dat de feiten in onderzoek Yalumba in verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend. Daarnaast hebben zij geconcludeerd dat het recidiverisico hoog is en dat – om het recidivegevaar afdoende te kunnen beperken – behandeling gericht op de bewerking van de uit de persoonlijkheid voortvloeiende beperkingen noodzakelijk is. Dat houdt in behandeling van de agressieregulatieproblematiek, impulsiviteit, krenkbaarheid, beperkte frustratietolerantie, ontbrekende zelfreflectie, gebrekkige affectieve empathie en antisociaal gekleurde opvattingen. De deskundigen concluderen dat deze behandeling het beste kan worden vormgegeven in het kader van een tbs met voorwaarden. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij bereid is om de voorwaarden die zijn opgenomen in het reclasseringsadvies van 1 december 2023 na te leven.
De rechtbank overweegt dat uit de deskundigenrapportages blijkt dat verdachte al vanaf jonge kinderleeftijd ernstige gedragsproblemen laat zien. Hij kwam al op jonge leeftijd in aanraking met justitie en meerdere trajecten werden ingezet; onder andere via jeugdzorg. Uiteindelijk zijn alle trajecten voortijdig afgebroken vanwege zijn negatieve gedrag. De verdachte lijkt op geen enkele manier onder de indruk van autoriteit te zijn. Hij hield zich niet aan de voorwaarden voor een jeugdreclasseringstraject en hij werkte onvoldoende mee met taakstraffen en gedragsmatige interventies. Een (deels) voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden is daarom naar het oordeel van de rechtbank een gepasseerd station.
Alles overwegende vindt de rechtbank de oplegging van de tbs-maatregel met voorwaarden dan ook passend en noodzakelijk. De rechtbank zal de maatregel met de daarbij in de beslissing vermelde voorwaarden opleggen. De rechtbank is van oordeel dat dit niet alleen nodig is, maar ook de meest passende oplossing is voor de verdachte om de juiste hulp en begeleiding te krijgen.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De rechtbank zal vanwege het geconstateerde hoge recidivegevaar bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Dat betekent dat voor de verdachte de voorwaarden gelden, ook als de zaak nog niet onherroepelijk zou worden als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld.
Niet gemaximeerd
De maatregel wordt opgelegd wegens een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer anderen, zodat de maatregel niet gemaximeerd zal zijn als de tbs met voorwaarden wordt omgezet in een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.
Geen gedragsbeïnvloedende vrijheidsbeperkende maatregel
De rechtbank zal, anders dan de officier van justitie heeft geëist, geen gedragsbeïnvloedende vrijheidsbeperkende maatregel opleggen. De rechtbank is van oordeel dat – hoewel het risico op recidive hoog is – oplegging van een dergelijke maatregel op dit moment niet opportuun en disproportioneel is, gelet op de nog jeugdige leeftijd van de verdachte en het feit dat nog niet eerder een behandeling in een klinische setting is geprobeerd. De rechtbank weegt hierbij mee dat de verdachte ter terechtzitting zich uitdrukkelijk bereid heeft verklaard met hulp/begeleiding van de reclassering aan zijn toekomst te willen werken. Hoewel uit de diverse rapportages blijkt dat de verdachte in staat is tot het laten zien van sociaal wenselijk gedrag, geeft de rechtbank de verdachte wat dat betreft het voordeel van de twijfel.

7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1
De vordering van de benadeelde partij
Parketnummer 03/260501-23 (onderzoek Padua)
De
benadeelde partij [slachtoffer 1]heeft een schadevergoeding gevorderd van € 12.250,00. Deze vordering bestaat voor € 11.000,00 aan materiële schade en is opgebouwd uit de posten:
€ 1.000,00 geleend;
€ 10.000,00 sieraden.
De vordering bestaat daarnaast voor € 1.250,00 aan immateriële schade.
De
benadeelde partij [slachtoffer 2]heeft een schadevergoeding gevorderd van € 90.000,00. Deze vordering bestaat uit materiële schade en is opgebouwd uit de posten:
€ 80.000,00 contant geld (op 6 oktober 2023);
€ 1.000,00 contant geld (vóór 6 oktober 2023).
Daarnaast heeft de benadeelde partij vergoeding van de advocaatkosten (het eigen risico van de rechtsbijstandsverzekering) ter hoogte van € 500,00 gevorderd.
Parketnummer 03/201431-24 (onderzoek Uralrex)
De
benadeelde partij [slachtoffer 3]heeft een schadevergoeding gevorderd van € 31.628,82. Deze vordering bestaat uit materiële schade en is opgebouwd uit de posten:
€ 800 gepind bedrag ICS;
€ 828,82 kosten nieuwe telefoons;
€ 30.000,00 contant geld.
Parketnummer 03/086324-25 (onderzoek Yalumba)
De
benadeelde partij [slachtoffer 4]heeft een schadevergoeding gevorderd van € 10.744,34. Deze vordering bestaat voor € 744,34 aan materiële schade en is opgebouwd uit de posten:
€ 267,58 eigen risico
€ 330,75 fysiotherapiebehandelingen
€ 146,01 reiskosten
De vordering bestaat daarnaast voor € 10.000,00 aan immateriële schade.
De benadeelde partijen hebben verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
Parketnummer 03/260501-23 (onderzoek Padua)
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de vordering van de
benadeelde partij [slachtoffer 1]op het standpunt gesteld dat deze deels kan worden toegewezen. Ten aanzien van de materiële schade kan post a. – de geleende € 1.000,00 – worden toegewezen. Het gevorderde bedrag onder post b. – de sieraden – moet worden gematigd en kan worden toegewezen tot € 800,00, omdat dit het bedrag is dat de verdachte van het goudwisselkantoor voor de ketting heeft ontvangen. De gevorderde immateriële schade kan gelet op de onderbouwing volledig worden toegewezen.
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de vordering van de
benadeelde partij [slachtoffer 2]op het standpunt gesteld dat – omdat er veel onduidelijk is over het daadwerkelijke afgegeven geldbedrag – gebruik moet worden gemaakt van de schattingsbevoegdheid en dat in ieder geval een bedrag van € 70.000,00 kan worden vastgesteld en kan worden toegewezen. De vordering dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard. Daarnaast kunnen ook de gevorderde advocaatkosten van € 500,00 worden toegewezen.
Parketnummer 03/201431-24 (onderzoek Uralrex)
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de vordering van de
benadeelde partij [slachtoffer 3]op het standpunt gesteld dat deze voldoende is onderbouwd en volledig kan worden toegewezen.
Parketnummer 03/086324-25 (onderzoek Yalumba)
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de vordering van de
benadeelde partij [slachtoffer 4]op het standpunt gesteld dat deze deels kan worden toegewezen. De gevorderde materiële schade kan volledig worden toegewezen. De gevorderde immateriële schade moet worden gematigd tot een bedrag van € 8.000,00.
De officier van justitie heeft verzocht om vermeerdering van de toe te wijzen bedragen met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarnaast heeft de officier van justitie verzocht om – ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] – deze hoofdelijk op te leggen.
7.3
Het standpunt van de verdediging
Parketnummer 03/260501-23 (onderzoek Padua)
De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering van de
benadeelde partij [slachtoffer 1]op het standpunt gesteld dat deze deels kan worden toegewezen. Ten aanzien van de materiële schade moet het gevorderde bedrag onder post b. – de sieraden – worden gematigd en kan een bedrag van € 800,00 worden toegewezen. De gevorderde € 1.000,00 onder post a. – het geleende geld – moet worden afgewezen. De gevorderde immateriële schade kan geheel worden toegewezen.
De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering van de
benadeelde partij [slachtoffer 2]primair op het standpunt gesteld dat deze niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de behandeling van deze vordering – gezien de complexiteit en het ontbreken van een directe en eenvoudige mogelijkheid tot vaststelling van de schade – een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering slechts ontvankelijk kan worden verklaard tot een bedrag van € 40.000,00.
Parketnummer 03/201431-24 (onderzoek Uralrex)
De verdediging heeft zich niet uitgelaten ten aanzien van de vordering van de
benadeelde partij [slachtoffer 3].
Parketnummer 03/086324-25 (onderzoek Yalumba)
De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering van de
benadeelde partij [slachtoffer 4]primair op het standpunt gesteld dat deze niet-ontvankelijk moet worden verklaard gelet op de door de verdediging bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de immateriële schade moet worden afgewezen, omdat de verdediging betwist dat daadwerkelijk sprake is van een whiplash en dat deze het gevolg zou zijn van het incident. Meer subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de behandeling een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Meest subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de gevorderde materiële schade post a. – het eigen risico – moet worden afgewezen, omdat deze onvoldoende specifiek is onderbouwd en ook lijkt te zijn opgegaan aan uitgaven die losstaan van deze strafzaak.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
Parketnummer 03/260501-23 (onderzoek Padua)
Benadeelde partij [slachtoffer 1]
De rechtbank is voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten rechtstreeks schade heeft geleden.
Op grond van de onderbouwing van schadepost a. – het geleende geld – in de toelichting bij het voegingsformulier en hetgeen ter terechtzitting namens de benadeelde partij naar voren is gebracht acht de rechtbank die schade aannemelijk. De rechtbank wijst een bedrag van € 1.000,00 toe. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij ten aanzien van schadepost b. – de sieraden – niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat niet hij maar zijn oma, van wie de sieraden zijn, degene is geweest die financiële schade heeft geleden.
De benadeelde partij [slachtoffer 1] maakt tevens aanspraak op vergoeding van immateriële schade. Artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) geeft een limitatieve opsomming van de gevallen waarin de wet recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Hieruit blijkt dat de wet onder andere recht geeft op vergoeding van immateriële schade van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. [slachtoffer 1] is slachtoffer van een afdreiging en een afpersing, bij welke afpersing hij bedreigd werd met een vuurwapen. Als gevolg hiervan is de benadeelde partij door zijn huisarts naar een psycholoog verwezen in verband met een vermoeden van PTSS. De behandeling door de psycholoog heeft o.a. bestaan uit een EMDR-sessie. Uit het schadeonderbouwingsformulier blijkt dat [slachtoffer 1] nog altijd kampt met angst- en paniekaanvallen. Gelet op de aard en de ernst van de normschending en de nadelige gevolgen die deze heeft gehad voor de benadeelde partij is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een aantasting van de persoon op andere wijze. De verdediging heeft het verzoek tot immateriële schade ook niet weersproken. De rechtbank zal het verzochte bedrag aan immateriële schade van € 1.250,00 geheel toewijzen.
De rechtbank komt aldus tot toewijzing van de schadevergoedingsvordering van [slachtoffer 1] tot een bedrag van
€ 2.250,00, bestaande uit materiële schade en immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2023.
De verdachte is naar burgerlijk recht samen met zijn mededader aansprakelijk voor deze schade.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal ter zake de toegewezen schadeposten de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.
Hoofdelijke aansprakelijkheid
De rechtbank acht in deze zaak het medeplegen wettig en overtuigend bewezen. Dit maakt dat niet alleen de verdachte een schadevergoedingsplicht heeft jegens het slachtoffer, maar ook zijn mededader. Dit maakt dat de rechtbank uitgaat van een hoofdelijke aansprakelijkheid.
Benadeelde partij [slachtoffer 2]
De rechtbank is voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] als gevolg van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten rechtstreeks schade heeft geleden.
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 90.000,00 gevorderd en heeft ter onderbouwing een uitdraai van het kasboek en een verklaring van de boekhouder overgelegd. Uit het kasboek blijkt dat een bedrag van € 140.412,31 ontbreekt. Het is echter onduidelijk welk deel vóór 6 oktober 2023 – de dag van de afpersing – uit de kluis is gehaald en welk deel op de dag zelf. De rechtbank is van oordeel dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in ieder geval kan worden vastgesteld dat sprake is van een schadebedrag van € 40.000,00. De rechtbank wijst dit bedrag dan ook toe. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat een bedrag hoger dan € 40.000,00 niet of niet voldoende is onderbouwd. De behandeling van dit deel van de vordering zou van nadere bewijsstukken moeten worden voorzien, wat een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank verklaart de benadeelde partij op dit punt niet-ontvankelijk.
De rechtbank komt aldus tot toewijzing van de schadevergoedingsvordering van [slachtoffer 2] tot een bedrag van
€ 40.000,00, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 oktober 2023.
De verdachte is naar burgerlijk recht samen met zijn mededader aansprakelijk voor deze schade.
Proceskosten
Omdat de vordering gedeeltelijk zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij ter zake van de vordering heeft gemaakt, begroot op € 500,00.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal ter zake de toegewezen schadeposten de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.
Hoofdelijke aansprakelijkheid
De rechtbank acht in deze zaak het medeplegen wettig en overtuigend bewezen. Dit maakt dat niet alleen de verdachte een schadevergoedingsplicht heeft jegens het slachtoffer, maar ook zijn mededader. Dit maakt dat de rechtbank uitgaat van een hoofdelijke aansprakelijkheid.
Parketnummer 03/201431-24 (onderzoek Uralrex)
Benadeelde partij [slachtoffer 3]
De rechtbank is voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 3] als gevolg van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten rechtstreeks schade heeft geleden.
De vordering is door de verdediging niet weersproken. De vordering komt de rechtbank ook anderszins niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze als onbetwist zal worden toegewezen.
De rechtbank komt aldus tot toewijzing van de schadevergoedingsvordering van [slachtoffer 3] tot een bedrag van
€ 31.628,82, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 september 2023.
De verdachte is naar burgerlijk recht samen met zijn mededader aansprakelijk voor deze schade.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal ter zake de toegewezen schadeposten de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.
Hoofdelijke aansprakelijkheid
De rechtbank acht in deze zaak het medeplegen wettig en overtuigend bewezen. Dit maakt dat niet alleen de verdachte een schadevergoedingsplicht heeft jegens het slachtoffer, maar ook zijn mededaders. Dit maakt dat de rechtbank uitgaat van een hoofdelijke aansprakelijkheid.
Parketnummer 03/086324-25 (onderzoek Yalumba)
Benadeelde partij [slachtoffer 4]
De rechtbank is voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 4] als gevolg van de onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde feiten rechtstreeks schade heeft geleden.
Op grond van de onderbouwing van de schadeposten a., b. en c. in (de bijlagen bij) het voegingsformulier en hetgeen ter terechtzitting door de benadeelde partij naar voren is gebracht acht de rechtbank die schade aannemelijk. De rechtbank is, met de raadsman van oordeel, dat een deel van de kosten van het eigen risico onder schadepost a. zien op kosten die geen relatie hebben tot het gepleegde feit. De rechtbank trekt die kosten van het toe te wijzen bedrag af. De rechtbank wijst een bedrag van € 682,61 (post a.: € 205,85 + post b.: € 330,75 + post c.: € 146,01) toe.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin recht bestaat op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Dit is onder meer het geval indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen.
De rechtbank begroot de immateriële schade, op grond van het onderzoek in de onderhavige strafrechtelijke procedure, naar redelijkheid en billijkheid op een bedrag van € 750,00. Naar het oordeel van de rechtbank levert de vordering ten aanzien van de overige immateriële schade een onevenredige belasting van het strafgeding op dat leidt tot niet-ontvankelijkheid. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering daarom slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank komt aldus tot toewijzing van de schadevergoedingsvordering van [slachtoffer 4] tot een bedrag van
€ 1.432,61, bestaande uit materiële en immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 maart 2025.
De verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal ter zake de toegewezen schadeposten de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

8.De vordering tenuitvoerlegging 03/071711-23

Bij vonnis van 7 juli 2023 van de politierechter in deze rechtbank is de verdachte in de zaak met parketnummer 03/071711-23 veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 20 uur met een proeftijd van twee jaar.
8.1
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is, evenals de officier van justitie, van oordeel dat – gelet op het feit dat de rechtbank aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden zal opleggen – het niet opportuun is om de vordering tot tenuitvoerlegging (taakstraf 20 uren) toe te wijzen. De rechtbank wijst de vordering tenuitvoerlegging dan ook af.

9.Het beslag

De rechtbank verklaart de volgende voorwerpen verbeurd:
Parketnummer 03/260501-23 (onderzoek Padua)
1 STK kussensloop (G1644472).

Parketnummer 03/086324-25 (onderzoek Yalumba)

1 STK personenauto (G1650072);
Genoemde voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, aangezien met betrekking tot die voorwerpen het feit is begaan.
De rechtbank gelast teruggave van het volgende voorwerp aan de verdachte:
Parketnummer 03/260501-23 (onderzoek Padua)
1 STK telefoontoestel (G1788453).

10.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36f, 38, 38a, 45, 47, 57, 63, 285, 300, 302, 311, 317, 318, 326 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 179a van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11.De beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
-
spreektde verdachte
vrijvan feit 3 in de zaak met parketnummer
03/260501-23en het primair ten laste gelegde onder feit 1 in de zaak met
parketnummer 03/086324-25;
Bewezenverklaring
  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
  • verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
  • verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
  • veroordeelt de verdachte voor de feiten 1 en 2 in de zaak met
  • beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
Ontzegging van de rijbevoegdheid
-
ontzegtde verdachte de
bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigenvoor
12 maanden;
Maatregel
  • gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld met voorwaarden;
  • De rechtbank stelt ter bescherming van de veiligheid van anderen de volgende voorwaarden:
1.
Meewerken aan reclasseringstoezicht
De ter beschikking gestelde zal meewerken aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:
- De ter beschikking gestelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.
- De ter beschikking gestelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van betrokkene vast te stellen.
- De ter beschikking gestelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van
het toezicht of om de ter beschikking gestelde te helpen bij het naleven van de
voorwaarden.
- De ter beschikking gestelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde
afwezigheid.
- De ter beschikking gestelde werkt mee aan huisbezoeken.
- De ter beschikking gestelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners.
- De ter beschikking gestelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.
- De ter beschikking gestelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met betrokkene, als dat van belang is voor het toezicht.

2.Meewerken aan time-out

Als de reclassering dat nodig vindt en de ter beschikking gestelde daarmee instemt, kan de ter beschikking gestelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out
duurt totdat de reclassering of ter beschikking gestelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.

3.Niet naar het buitenland

De ter beschikking gestelde gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.

4.Opname in een zorginstelling

De ter beschikking gestelde laat zich opnemen in een klinische zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start aansluitend aan de detentieperiode en duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De ter beschikking gestelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de
zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt de ter beschikking gestelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.

5.Ambulante behandeling

De ter beschikking gestelde laat zich, indien geïndiceerd, behandelen door een instelling voor ambulante behandeling te bepalen door de reclassering. De behandeling start aansluitend aan de klinische opname of zo spoedig mogelijk. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De ter beschikking gestelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.

6.Begeleid wonen of maatschappelijke omvang

De ter beschikking gestelde verblijft, indien geïndiceerd, in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering.
Het verblijf start aansluitend aan de klinische opname. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De ter beschikking gestelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.

7.Drugsverbod

De ter beschikking gestelde gebruikt geen drugs en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak de ter beschikking gesteld wordt gecontroleerd.

8.Alcoholverbod

De ter beschikking gestelde gebruikt geen alcohol, en werkt mee aan urine onderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak de ter beschikking gestelde wordt gecontroleerd.

9.Contactverbod

De ter beschikking gestelde heeft of zoekt op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met [slachtoffer 4] ( [geboortedatum 1] ) en [slachtoffer 5] ( [geboortedatum 2] ), zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.

10.Locatieverbod (met elektronische monitoring)

De ter beschikking gestelde bevindt zich niet in de stad Venlo. De ter beschikking gestelde werkt, vanaf de start van de verloven vanuit zijn klinische opname, mee aan elektronische monitoring op dit locatieverbod. De ter beschikking gestelde gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de
elektronische monitoring nodig is dat betrokkene in Nederland blijft. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering dit locatieverbod (deels) laten vervallen.

11.Dagbesteding

De ter beschikking gestelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.

12.Meewerken aan schuldhulpverlening

De ter beschikking gestelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De ter beschikking gestelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
Toezicht
- verleent aan de reclassering, voornoemd, de opdracht als bedoeld in artikel 38 van Pro het Wetboek van Strafrecht;
Dadelijke uitvoerbaarheid
- beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden, alsmede het door de reclassering uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar is;
Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen
  • wijst de vordering van de
  • veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
  • bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;
  • legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] , van een bedrag van € 2.250,00, bestaande uit materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over de periode van 1 mei 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
  • bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 22 dagen, met dien verstande dat deze gijzeling de verplichting tot betaling niet opheft;
  • bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt;
  • wijst de vordering van de
  • veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 500,00 en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
  • bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;
  • legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2] , van een bedrag van € 40.000,00, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over de periode van 6 oktober 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
  • bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 191 dagen, met dien verstande dat deze gijzeling de verplichting tot betaling niet opheft;
  • bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt;
  • wijst de vordering van de
  • veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
  • legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 3] , van een bedrag van € 31.628,82, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over de periode van 26 september 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
  • bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 163 dagen, met dien verstande dat deze gijzeling de verplichting tot betaling niet opheft;
  • bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt;
  • wijst de vordering van de
  • veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
  • bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;
  • legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 4] van een bedrag van € 1.432,61, bestaande uit materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over de periode van 17 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
  • bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 14 dagen, met dien verstande dat deze gijzeling de verplichting tot betaling niet opheft;
  • bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt;
Vordering tenuitvoerlegging 03/071711-23
-
wijst afde vordering tot tenuitvoerlegging;
Beslag
-
verklaart verbeurdde volgende in beslag genomen voorwerpen:
  • 1 STK personenauto (G1650072)
  • 1 STK kussensloop (G1644472)
-
gelast de teruggavevan het volgende in beslag genomen voorwerp aan de verdachte:
1 STK telefoontoestel (G1788453).
Dit vonnis is gewezen door mr. H.E.G. Peters, voorzitter, mr. S.A.M.C. van de Winkel en mr. I.T.H.L. van de Bergh, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.F. Stuurman, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 15 juni 2026.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging – ten laste gelegd dat
Parketnummer 03/260501-23 (onderzoek Padua)
1
hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2023 tot en met 6 oktober 2023 te Tegelen, gemeente Venlo, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van ongeveer 90.000 euro en/of een of meer horloge(s) en/of siera(a)d(en), althans enig
geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of en/of een derde toebehoorde(n) door - voornoemde [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal te bedreigen met een vuurwapen en/of hem daarbij dreigend de woorden toe te voegen dat er geschoten zou worden op de vriendin en/of het broertje
van die [slachtoffer 1] als hij niet mee zou werken en/of tegen die [slachtoffer 1] te zeggen dat hij hem iedere dag kapot zou slaan totdat [slachtoffer 1] geld zou betalen;
2
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2023 tot en met 6 oktober 2023 te Tegelen, gemeente Venlo, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te
bevoordelen door bedreiging met smaad, smaadschrift en/of openbaring van een geheim [slachtoffer 1] heeft/hebben gedwongen tot afgifte van enig goed, te weten 90.000 euro en/of een of meer horloge(s) en/of siera(a)d(en), dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 1] en/of aan een derde toebehoorde, en/of tot het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een schuld van 1000 euro, door tegen die [slachtoffer 1] te zeggen dat verdachte(n) geheimen zou openbaren tegen de vader van die [slachtoffer 1] waaronder:
- dat [slachtoffer 1] eerder geld had gestolen van zijn opa en/of het bedrijf van zijn opa/vader en/of
- dat [slachtoffer 1] scooters had gekocht
- dat [slachtoffer 1] kinderen op school bang maakte en/of spijbelde;
3
hij op of omstreeks 6 oktober 2023 te Tegelen, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geldbedrag van ongeveer 80.000 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)
toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Parketnummer 03/201431-24 (onderzoek Uralrex)
1
hij op of omstreeks 26 september 2023 te Maastricht, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 3] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van een of meerdere bankpassen/digipassen, cash geld, (pin)codes en/of een of meerdere telefoons, door:
- die [slachtoffer 3] een bericht te sturen uit naam van F van Lanschotbank en/of
- die [slachtoffer 3] opdracht te geven contact op te nemen met het nummer in voornoemd bericht en/of
- zich tijdens dit gesprek voor te doen als een medewerker van een bank en/of FIOD en/of
- te vragen om de pincode(s) en/of
- aan te geven dat de bankpassen, telefoons en/of cash geld opgehaald zouden worden door een koerier en/of
- naar het adres van die [slachtoffer 3] te gaan en/of zich voor te doen als koerier en/of voornoemde goederen op te halen;
2
hij op of omstreeks 26 september 2023 te Maastricht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde (n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen geldbedrag onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel door onbevoegd gebruik te maken van een of meer bankpassen en/of (bijbehorende) pincodes;
Parketnummer 03/086324-25 (onderzoek Yalumba)
1
hij op of omstreeks 17 maart 2025 te Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 4] opzettelijk van het leven te beroven, met een personenauto met hoge snelheid, althans met enige snelheid en/of met hoge toeren en/of zonder te remmen op die voornoemde [slachtoffer 4] is ingereden, waardoor voornoemde [slachtoffer 4] bovenop de motorkap terecht is gekomen en/of een of meerdere meters is meegesleurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 17 maart 2025 te Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 4] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een personenauto met hoge snelheid, althans met enige snelheid en/of met
hoge toeren en/of zonder te remmen op die voornoemde [slachtoffer 4] is ingereden, waardoor voornoemde [slachtoffer 4] bovenop de motorkap terecht is gekomen en/of een of meerdere meters is meegesleurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op of omstreeks 17 maart 2025 te Venlo [slachtoffer 4] heeft mishandeld door die [slachtoffer 4] , meermalen, althans eenmaal tegen/in het gezicht te slaan/stompen;
3
hij op of omstreeks 17 maart 2025 te Venlo [slachtoffer 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 5] dreigend de woorden toe te voegen:
- " als ik je te pakken krijg dan kun je al je eigen organen van de straat af gaan rapen" en/of
- Ik maak je hele buurt kapot" en/of
- " Zodra de enkelband af is, kom ik je halen en maak ik je kapot" en/of
- " Ik wil je spreken, ik had de auto ook in de R kunnen zetten en jou ook om kunnen rijden", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, district Noord- en Midden-Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2023158696, gesloten d.d. 2 april 2024, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 563.
2.Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] d.d. 6 oktober 2023 p. 33-40.
3.Proces-verbaal verhoor aangever [slachtoffer 1] d.d. 9 oktober 2023 p. 41-49.
4.Proces-verbaal van aangifte [aangever] d.d. 6 oktober 2023 p. 29-31.
5.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 oktober 2023 p. 230-261.
6.Proces-verbaal van bevindingen (gebruikersgegevens telefoonnummers Padua) d.d. p. 346-350.
7.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 oktober 2023 p. 171-179.
8.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 oktober 2023 p. 227-228.
9.Proces-verbaal verhoor minderjarige verdachte [medeverdachte 3] d.d. 6 oktober 2023 p. 538-544.
10.Proces-verbaal verhoor aangever [slachtoffer 1] d.d. 13 oktober 2023 p. 50-52.
11.Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] d.d. 6 oktober 2023 p. 33-40.
12.Proces-verbaal verhoor aangever [slachtoffer 1] d.d. 9 oktober 2023 p. 41-49.
13.Proces-verbaal verhoor minderjarige verdachte [medeverdachte 3] d.d. 8 oktober 2023 p. 545-555.
14.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, district Noord- en Midden-Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2023156474 gesloten d.d. 25 mei 2024, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 289.
15.Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 3] met bijlagen d.d. 2 oktober 2023 p. 13-29.
16.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 maart 2024 p. 32.
17.Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 3] met bijlagen d.d. 2 oktober 2023 p. 13-29.
18.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, district Noord- en Midden-Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2025043091, gesloten d.d. 9 mei 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 124.
19.Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 4] d.d. 17 maart 2025 p. 17-20.
20.Proces-verbaal aanvullend verhoor [slachtoffer 4] d.d. 20 maart 2025 p. 22-25.
21.Proces-verbaal verhoor getuige [naam 8] d.d. 17 maart 2025 p. 31-33.
22.Proces-verbaal onderzoek plaats delict d.d. 27 maart 2026 p. 53-65.
23.Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 5] d.d. 17 maart 2025 p. 81-85.
24.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 maart 2025 p. 88-90.
25.NIFP-rapportage psychiatrisch onderzoek van 12 september 2025 opgemaakt door [naam 10] en NIFP-rapportage psychologisch onderzoek van 29 augustus 2025 opgemaakt door [naam 11] .