Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
primair) dan wel om hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (
subsidiair) door met een auto op hem in te rijden;
3.De beoordeling van het bewijs
feit 1) en afdreiging (
feit 2) van [slachtoffer 1] .
De eerste periode loopt van 1 mei 2023 tot 28 september 2023. In deze periode is [slachtoffer 1] door de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 3] afgedreigd. Aanleiding hiervoor was dat de verdachte in de problemen was gekomen, nadat [slachtoffer 1] rond was gaan vragen of het geld van de overval op [naam 6] bij de verdachte lag. De verdachte wist dat [slachtoffer 1] geld stal van het bedrijf van zijn vader en opa, dat hij met dat geld scooters had gekocht, dat hij kinderen op school bang maakte en dat hij had gespijbeld. De verdachte gebruikte deze geheimen – samen met medeverdachte [medeverdachte 3] – om [slachtoffer 1] te dwingen tot het afgeven van geld, horloges en sieraden. Er werd gedreigd dat, indien [slachtoffer 1] niet zou meewerken, deze geheimen zouden worden geopenbaard aan de vader en zus van [slachtoffer 1] .
- de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 8 mei 2026;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3]
- de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 8 mei 2026;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] .
medeplegeris, overweegt de rechtbank als volgt.
- de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 8 mei 2026;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5]
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De straf en de maatregel
7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
benadeelde partij [slachtoffer 1]heeft een schadevergoeding gevorderd van € 12.250,00. Deze vordering bestaat voor € 11.000,00 aan materiële schade en is opgebouwd uit de posten:
benadeelde partij [slachtoffer 2]heeft een schadevergoeding gevorderd van € 90.000,00. Deze vordering bestaat uit materiële schade en is opgebouwd uit de posten:
benadeelde partij [slachtoffer 3]heeft een schadevergoeding gevorderd van € 31.628,82. Deze vordering bestaat uit materiële schade en is opgebouwd uit de posten:
benadeelde partij [slachtoffer 4]heeft een schadevergoeding gevorderd van € 10.744,34. Deze vordering bestaat voor € 744,34 aan materiële schade en is opgebouwd uit de posten:
benadeelde partij [slachtoffer 1]op het standpunt gesteld dat deze deels kan worden toegewezen. Ten aanzien van de materiële schade kan post a. – de geleende € 1.000,00 – worden toegewezen. Het gevorderde bedrag onder post b. – de sieraden – moet worden gematigd en kan worden toegewezen tot € 800,00, omdat dit het bedrag is dat de verdachte van het goudwisselkantoor voor de ketting heeft ontvangen. De gevorderde immateriële schade kan gelet op de onderbouwing volledig worden toegewezen.
benadeelde partij [slachtoffer 2]op het standpunt gesteld dat – omdat er veel onduidelijk is over het daadwerkelijke afgegeven geldbedrag – gebruik moet worden gemaakt van de schattingsbevoegdheid en dat in ieder geval een bedrag van € 70.000,00 kan worden vastgesteld en kan worden toegewezen. De vordering dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard. Daarnaast kunnen ook de gevorderde advocaatkosten van € 500,00 worden toegewezen.
benadeelde partij [slachtoffer 3]op het standpunt gesteld dat deze voldoende is onderbouwd en volledig kan worden toegewezen.
benadeelde partij [slachtoffer 4]op het standpunt gesteld dat deze deels kan worden toegewezen. De gevorderde materiële schade kan volledig worden toegewezen. De gevorderde immateriële schade moet worden gematigd tot een bedrag van € 8.000,00.
benadeelde partij [slachtoffer 1]op het standpunt gesteld dat deze deels kan worden toegewezen. Ten aanzien van de materiële schade moet het gevorderde bedrag onder post b. – de sieraden – worden gematigd en kan een bedrag van € 800,00 worden toegewezen. De gevorderde € 1.000,00 onder post a. – het geleende geld – moet worden afgewezen. De gevorderde immateriële schade kan geheel worden toegewezen.
benadeelde partij [slachtoffer 2]primair op het standpunt gesteld dat deze niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de behandeling van deze vordering – gezien de complexiteit en het ontbreken van een directe en eenvoudige mogelijkheid tot vaststelling van de schade – een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering slechts ontvankelijk kan worden verklaard tot een bedrag van € 40.000,00.
benadeelde partij [slachtoffer 3].
benadeelde partij [slachtoffer 4]primair op het standpunt gesteld dat deze niet-ontvankelijk moet worden verklaard gelet op de door de verdediging bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de immateriële schade moet worden afgewezen, omdat de verdediging betwist dat daadwerkelijk sprake is van een whiplash en dat deze het gevolg zou zijn van het incident. Meer subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de behandeling een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Meest subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de gevorderde materiële schade post a. – het eigen risico – moet worden afgewezen, omdat deze onvoldoende specifiek is onderbouwd en ook lijkt te zijn opgegaan aan uitgaven die losstaan van deze strafzaak.
€ 2.250,00, bestaande uit materiële schade en immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2023.
€ 40.000,00, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 oktober 2023.
€ 31.628,82, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 september 2023.
€ 1.432,61, bestaande uit materiële en immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 maart 2025.
8.De vordering tenuitvoerlegging 03/071711-23
9.Het beslag
Parketnummer 03/086324-25 (onderzoek Yalumba)
10.De wettelijke voorschriften
11.De beslissing
spreektde verdachte
vrijvan feit 3 in de zaak met parketnummer
03/260501-23en het primair ten laste gelegde onder feit 1 in de zaak met
parketnummer 03/086324-25;
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte voor de feiten 1 en 2 in de zaak met
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
ontzegtde verdachte de
bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigenvoor
12 maanden;
- gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld met voorwaarden;
- De rechtbank stelt ter bescherming van de veiligheid van anderen de volgende voorwaarden:
Meewerken aan reclasseringstoezicht
2.Meewerken aan time-out
3.Niet naar het buitenland
4.Opname in een zorginstelling
5.Ambulante behandeling
6.Begeleid wonen of maatschappelijke omvang
7.Drugsverbod
8.Alcoholverbod
9.Contactverbod
10.Locatieverbod (met elektronische monitoring)
11.Dagbesteding
12.Meewerken aan schuldhulpverlening
- wijst de vordering van de
- veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;
- legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] , van een bedrag van € 2.250,00, bestaande uit materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over de periode van 1 mei 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
- bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 22 dagen, met dien verstande dat deze gijzeling de verplichting tot betaling niet opheft;
- bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt;
- wijst de vordering van de
- veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 500,00 en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;
- legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2] , van een bedrag van € 40.000,00, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over de periode van 6 oktober 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
- bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 191 dagen, met dien verstande dat deze gijzeling de verplichting tot betaling niet opheft;
- bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt;
- wijst de vordering van de
- veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 3] , van een bedrag van € 31.628,82, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over de periode van 26 september 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
- bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 163 dagen, met dien verstande dat deze gijzeling de verplichting tot betaling niet opheft;
- bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt;
- wijst de vordering van de
- veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;
- legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 4] van een bedrag van € 1.432,61, bestaande uit materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over de periode van 17 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
- bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 14 dagen, met dien verstande dat deze gijzeling de verplichting tot betaling niet opheft;
- bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt;
wijst afde vordering tot tenuitvoerlegging;
verklaart verbeurdde volgende in beslag genomen voorwerpen:
- 1 STK personenauto (G1650072)
- 1 STK kussensloop (G1644472)
gelast de teruggavevan het volgende in beslag genomen voorwerp aan de verdachte: