02.40.43 : “Ik ben helemaal trillen”
Verbalisant [naam 2]relateerde – zakelijk weergegeven – als volgt:
Ten behoeve van de telecomanalyse in onderzoek Padua is er onderzoek gedaan naar welke telefoonnummers bij welke verdachte horen en welke nummers op 6 oktober 2023 daadwerkelijk door deze verdachten kunnen zijn gebruikt. Uit de analyse van de printlijsten is gebleken dat op 5 en 6 oktober 2023 ook een nummer is gebruikt waarvan het toestel niet in beslag is genomen:
Nummer
IMEI
Toestel
[nummer 1]
[nummer 3]
Samsung Galaxy A04e
In de telefoon van [slachtoffer 1] staat dit nummer in de contacten aangemerkt als ‘ [Letter] ’.
Verbalisant [naam 12]relateerde – zakelijk weergegeven – als volgt:
In de iPhone 12 Pro, die in gebruik is geweest bij verdachte [verdachte] , werden chats aangetroffen. Op 29 september 2023 werd een WhatsApp conversatie gestart tussen de telefoon van [verdachte] en iemand die gebruik maakt van het telefoonnummer [nummer 4] en de naam ‘ [Letter] ’. ‘ [Letter] ' schreef op 5 oktober 2023, dat hij [verdachte] en ‘die kanker junk’ gaat verbouwen als ‘het’ vandaag niet doorgaat. [verdachte] schreef dat ‘ [Letter] ’ niet het leven van een derde persoon moet verzieken, omdat deze voor alles opdraait. ‘ [Letter] ’ schreef dat [verdachte] ‘hem’ moet sturen en [verdachte] vroeg of ‘ [Letter] ’ die gun daar laat waar hij vertelde.
Verbalisant [naam 1]relateerde – zakelijk weergegeven – als volgt:
Door aangever [slachtoffer 1] werd de chat getoond welke hij had gehad met zijn zus op 6 oktober 2023. Ik zag dat haar contactnaam [naam 3] was. Ik zag dat de chat startte om 03:56 uur. Ik las de volgende chat, waarbij 1 de aangever betreft en 2 [naam 3] . De teksten zijn letterlijk overgenomen uit de chat.
1: Ik heb echt domme dinge gedaan [naam 3]
1: Ik vewoon dat iedereen veilig was
1: Ik was bang
2: Wat heb je gedaan [slachtoffer 1] ?
2: Zeg eerlijk
1: Ik werd bedreigd
1: Dooie [medeverdachte 3]
1: Met een wapen
1: Hij zei
1: Je gaat geld geven uit die kluis
1: Anders gaan dingen gebeuren
1: Ik heb hem geld uit de kluis van oma gegeven
1: Hij deed mij elke dag bedreigen
(..)
1: Ik was ecjt bang
1: Dat hij [naam 4] en [naam 5] iets zou doen
2: Hso bel je mij niet op
2: Voor je weer wat doet wat heb ik jou gezegd
1: Hij zei elke keer als je praat is klaar
De verdachteverklaarde ter terechtzitting van 8 mei 2026 – zakelijk weergegeven – als volgt:
Zowel [medeverdachte 3] als ik hebben een rol gespeeld. Wij hadden een manier bedacht om aan geld te komen. Het appgesprek op mijn telefoon van 5 oktober 2023 met ene ‘ [Letter] ’ met telefoonnummer [nummer 4] op pagina 172 van het dossier is gevoerd met [medeverdachte 3] . Dat telefoonnummer was van niemand. Het was gewoon een opzetje dat gebruikt werd om geld van [slachtoffer 1] te krijgen. [medeverdachte 3] en ik zaten naast elkaar toen die berichten werden verstuurd. De Samsung Galaxy A04e werd gebruikt door mij, mijn moeder en [medeverdachte 3] . Met die telefoon en het telefoonnummer [nummer 1] werden de appjes in de nacht van 5 op 6 oktober 2023 naar [slachtoffer 1] gestuurd. In de nacht van 5 op 6 oktober 2023 zat ik in de rode Seat Ibiza. Toen is besproken dat het moest gaan gebeuren die avond. We zijn toen inderdaad naar een bos gereden, we moesten een stukje joggen en door een opengeknipt hekwerk heen. [medeverdachte 3] heeft de kussensloop gepakt en deze vervolgens aan mij gegeven. In de kussensloop zat ongeveer € 40.000,00. Een deel van dat geld heb ik gekregen.
Medeverdachte [medeverdachte 3]verklaarde – zakelijk weergegeven – als volgt:
De jongen die geld heeft klaargelegd heet [slachtoffer 1] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ) [slachtoffer 1] . [verdachte] vertelde dat ik geld moest ophalen. Ik zat 5 oktober 2023 bij hen in de auto, een rode Seat Ibiza. We waren toen met zijn vieren. Ik, [bijnaam] , [medeverdachte 2] en [verdachte] . We reden vervolgens naar mijn huis. Ik moest thuis wachten op een bericht van hen. Toen kreeg ik een bericht via Snap van [verdachte] dat ze eraan kwamen. Ze zeiden dat ze naar [friture] zouden komen in Blerick. Ik ben daar dus naartoe gelopen en vervolgens kwam de rode Seat weer aan en zaten dezelfde personen in de auto. Ik heb eerder een foto gezien op de telefoon van [verdachte] waarop ik een stapel groene briefjes zag. Het was een grote stapel groene briefjes van 100 euro en een kleine stapel. [verdachte] zei dat ik dit op moest halen en dat die jongen dit klaar zou leggen voor mij. Vervolgens gingen we naar een raar bos, we moesten een stukje joggen. Het was er heel donker. We moesten door een geknipt hek. Onderweg zag ik wel dat we over de snelweg kwamen over een brug. We zijn te voet de snelweg overgestoken. Vanuit de snelweg moesten we nog een stukje lopen totdat we aan een bedrijventerrein kwamen. Ik ben door het hek gegaan en ik zag in het gras een kussensloop liggen. [verdachte] had het al over een kussensloop gehad. Ook vertelde [verdachte] dat deze dicht zou zijn. Ik heb het gepakt en ik zag dat de kussensloop dicht was. Ik ben met de kussensloop weer naar het hek gelopen en [verdachte] pakte de kussensloop van me af en rende weg. Ik liep terug. Ze renden weer via dezelfde weg terug en ik liep dus terug. Weer de snelweg over en door het geknipte hek. [verdachte] was in contact met [slachtoffer 1] via de telefoon toen we er waren. [verdachte] zei nog dat ik naar [naam speeltuin] moest komen. Hiermee bedoelde hij een speeltuin in Hagerwijk in Venlo Zuid. Ik ben daar naartoe gelopen, een beetje rennend. Bij de speeltuin zag ik iets branden. [verdachte] gooide geld naar mij en zei dat dit mijn bonus was. [verdachte] heeft iets bij [slachtoffer 1] gedaan zodat hij geld klaar zou leggen. Hij heeft hem gemanipuleerd.
De bewijsmiddelen – feit 2
Aangever [slachtoffer 1]verklaarde – zakelijk weergegeven – als volgt:
Het afpersen door [verdachte] loopt al vanaf mei dit jaar. Ik zag dat [verdachte] een wond aan zijn hoofd had, hij had daar een pleister op geplakt. [verdachte] vertelde mij dat zijn broer hem geslagen had met een knuppel of een stuk hout. [verdachte] zei dat het mijn schuld was dat zijn broer hem geslagen had, omdat ik mensen gevraagd had of het geld van die overval bij [verdachte] lag. [verdachte] zei mij: “Ik ben door mijn broer kapotgeslagen en dat komt door jouw woorden”. [verdachte] had mij per app laten weten dat ik hem € 2.100,00 moest betalen. Hij vertelde mij dat zijn destijds vriendin dat geld zou ophalen. Ik heb één keer geld aan haar overgedragen. [verdachte] appte mij gewoon. Hij was in Marokko. Hij wilde geld hebben als hij terugkwam uit Marokko. Toen hij terug was, volgens mij de dag erna, heb ik hem dat geld gegeven. Ik weet niet meer hoeveel ik toen gegeven heb. Dat zal rond de € 2.000,00 - € 3.000,00 euro geweest zijn.
[medeverdachte 3] dreigde dat hij allemaal dingen zou gaan vertellen aan mijn ouders die ik gedaan had op school. Ik werd steeds geappt door [verdachte] en die vertelde wat [medeverdachte 3] allemaal wilde. Ik heb van een vriend spaargeld geleend. Na 24 september 2023 had ik € 1.000,00 van mijn vriend gegeven.
[medeverdachte 3] zette mij onder druk, dat als ik dat niet zou doen, dat hij dingen tegen mijn vader zou vertellen, die ik toentertijd deed op school en die ik in het verleden heb gedaan. Ik was een vervelend kind op school. Ik spijbelde. Ik maakte kinderen bang. Ik had vroeger ook een keer geld gestolen van mijn opa (van de zaak). Ik had ook meerdere scooters gekocht. Mijn vader wist van een scooter wel af, omdat ik toen naar het ziekenhuis moest, maar ik wist niet of mijn vader de rest ook wist. Ik wilde niet dat mijn vader wist dat ik dat geld had. Want ik kon niet verklaren hoe ik aan dat geld kwam. Ik had dat van het bedrijf gepakt. Ik wilde niet dat mijn vader wist, waarvan ik die scooters gekocht had. Ik wilde dat niet zeggen. Op 24 september 2023 heb ik mijn Rado-horloge, armbanden en ketting afgegeven. Op 25 september 2023 heb ik het geld moeten afgeven, dat ik geleend had. Dat was € 1.000,00 en mijn A P-horloge. Deze spullen heb ik overgedragen aan [verdachte] . In de nacht van 25 op 26 september belde [verdachte] dat [medeverdachte 3] een dag later mensen zou sturen of zelf zou snitchen. [medeverdachte 3] zou snitchen bij mijn vader of mijn zus. En hij probeerde ook achter het nummer van mijn zus te komen. De ketting die ik heb afgestaan aan [verdachte] was van mijn oma. Het was iets van goud. Volgens mij kwam die uit de la, bij oma op de slaapkamer.
De verdachteverklaarde ter terechtzitting van 8 mei 2026 – zakelijk weergegeven – als volgt:
[slachtoffer 1] praatte over de overval op [naam 6] . Ik heb tegen [slachtoffer 1] gezegd: “Je steelt van je vader”. Dat had ik gehoord van degene die betrokken was bij de overval. Toen is [slachtoffer 1] mij geld gaan geven om te voorkomen dat ik dat tegen zijn zus zou zeggen. Toen ik op vakantie was in Marokko nam [medeverdachte 3] het een soort van over. Dat had hij bij mij afgekeken en dat was heel makkelijk, want [slachtoffer 1] strooide met geld. [slachtoffer 1] stal zelf geld van zijn vader. In die hele periode heeft [slachtoffer 1] geld afgegeven aan mij en aan [medeverdachte 3] . Ik heb inderdaad horloges gekregen van [slachtoffer 1] en ook een ketting. Die ketting heb ik verkocht aan een goudwisselkantoor en daar heb ik € 800,00 voor gekregen.
Medeverdachte [medeverdachte 3]verklaarde – zakelijk weergegeven – als volgt:
[slachtoffer 1] die steelt van zijn vader. Ik weet dat. [slachtoffer 1] gaf eerder € 4.000,00 aan [verdachte] . [slachtoffer 1] heeft toen tegen [verdachte] gezegd: “Als ik gepakt word dat ik steel uit de kluis en portemonnee, dan word ik door mijn vader naar Frankrijk gestuurd”. [slachtoffer 1] moest geld aan [verdachte] geven.
Op basis van bovenstaande bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan afpersing (
feit 1) en afdreiging (
feit 2) van [slachtoffer 1] .
De rechtbank overweegt als volgt.
Op basis van de vele verklaringen in het dossier onderscheidt de rechtbank twee periodes.
De eerste periode loopt van 1 mei 2023 tot 28 september 2023. In deze periode is [slachtoffer 1] door de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 3] afgedreigd. Aanleiding hiervoor was dat de verdachte in de problemen was gekomen, nadat [slachtoffer 1] rond was gaan vragen of het geld van de overval op [naam 6] bij de verdachte lag. De verdachte wist dat [slachtoffer 1] geld stal van het bedrijf van zijn vader en opa, dat hij met dat geld scooters had gekocht, dat hij kinderen op school bang maakte en dat hij had gespijbeld. De verdachte gebruikte deze geheimen – samen met medeverdachte [medeverdachte 3] – om [slachtoffer 1] te dwingen tot het afgeven van geld, horloges en sieraden. Er werd gedreigd dat, indien [slachtoffer 1] niet zou meewerken, deze geheimen zouden worden geopenbaard aan de vader en zus van [slachtoffer 1] .
De tweede periode loopt van 28 september 2023 tot en met 6 oktober 2023. Vanaf 28 september 2023 gaat de afdreiging over in afpersing. De verdachte en medeverdachte dreigden niet langer geheimen van [slachtoffer 1] te onthullen om hem geld af te laten geven, maar ze bedreigden [slachtoffer 1] met een vuurwapen. Op 1 oktober 2023 heeft de verdachte tegen [slachtoffer 1] gezegd dat medeverdachte [medeverdachte 3] een wapen had gekocht en dat hij de vriendin en het broertje van [slachtoffer 1] zou beschieten. De verdachte wist aan [slachtoffer 1] te vertellen waar zijn vriendin en broertje altijd waren en die dag kreeg [slachtoffer 1] via de telefoon de opdracht om een foto te sturen van de inhoud van de kluis van het bedrijf van zijn vader en opa. Op 4 oktober 2023 moest [slachtoffer 1] opnieuw een foto van de inhoud van de kluis sturen en op 5 oktober 2023 heeft de verdachte tegen [slachtoffer 1] gezegd dat medeverdachte [medeverdachte 3] het vandaag wilde doen en dat de verdachte het daarmee eens was. In de nacht van 5 op 6 oktober 2023 kreeg [slachtoffer 1] – via de telefoon van de verdachte – een bericht uit naam van medeverdachte [medeverdachte 3] : “Zeg dat hij alles klaar heeft liggen”. Nadat [slachtoffer 1] terug appte met: “Niet schieten”, werd uit naam van medeverdachte [medeverdachte 3] aan [slachtoffer 1] gestuurd: “Doe je werk goed. Je weet wat ik heb”. [slachtoffer 1] heeft vervolgens (ten minste) € 40.000,00 uit de kluis van het familiebedrijf [slachtoffer 2] gehaald, dit in een kussensloop gedaan en de kussensloop uit het raam gegooid. Deze kussensloop is opgeraapt door [medeverdachte 3] , waarna de buit is verdeeld. De verdachte heeft een deel van het geld ontvangen.
De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat – hoewel er geen vuurwapen is aangetroffen bij de verdachte of de medeverdachte – uit het dossier voldoende blijkt dat [slachtoffer 1] onder dreiging van een vuurwapen geld heeft afgestaan. In verschillende chat- en WhatsApp-gesprekken wordt gesproken over een vuurwapen en wordt in ieder geval de suggestie van het bestaan van een vuurwapen gebruikt om [slachtoffer 1] bang te maken. Zo schreef de verdachte op 5 oktober 2023 in een chatgesprek met medeverdachte [medeverdachte 3] of ‘ [Letter] ’ die gun daar laat waar hij vertelde. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat dit gesprek een opzetje was dat werd gebruikt om [slachtoffer 1] te laten betalen. De rechtbank begrijpt: een nepgesprek om [slachtoffer 1] te doen laten geloven dat medeverdachte [medeverdachte 3] een vuuwapen had. Dat [slachtoffer 1] ook daadwerkelijk dacht dat medeverdachte [medeverdachte 3] een vuurwapen had blijkt wel uit het bericht dat [slachtoffer 1] hem op 6 oktober 2023 stuurde: “Niet schieten”. Waarop uit naam van medeverdachte [medeverdachte 3] werd gestuurd: “Doe je werk goed. Je weet wat ik heb”. Vlak nadat [slachtoffer 1] het geld in de kussensloop naar buiten heeft gegooid, stuurt hij berichten aan zijn zus waarin hij zegt dat hij iets stoms heeft gedaan en dat hij gewoon wilde dat iedereen veilig was. Hij stuurt dat hij met een vuurwapen werd bedreigd door [medeverdachte 3] en dat hij echt bang was dat [medeverdachte 3] ‘ [naam 4] en [naam 5] ’ (de rechtbank begrijpt: zijn broertje en vriendin) iets aan zou doen.
Parketnummer 03/201431-24 (onderzoek Uralrex)
De bewijsmiddelen – feit 1
De rechtbank acht, evenals de officier van justitie, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met anderen [slachtoffer 3] heeft opgelicht gelet op:
- de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 8 mei 2026;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3]
- het proces-verbaal van bevindingen.
De bewijsmiddelen – feit 2
De rechtbank acht, evenals de officier van justitie, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met anderen een geldbedrag heeft gestolen van [slachtoffer 3] en een ander door onbevoegd gebruik te maken van bankpassen en bijbehorende pincodes gelet op:
- de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 8 mei 2026;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] .
Overwegingen rechtbank
Voor zover de raadsman heeft willen aanvoeren dat de verdachte ten aanzien van de tenlastegelegde feiten 1 en 2 geen
medeplegeris, overweegt de rechtbank als volgt.
De verdachte is samen met anderen in een auto naar Maastricht gereden. In de auto is de rol van de verdachte besproken en welke handelingen hij moest uitvoeren. Terwijl de aangever telefonisch werd beziggehouden door twee medeverdachten – die zich voordeden als een medewerker van de Van Lanschot bank en een medewerker van de FIOD – heeft de verdachte zich omgekleed en is hij vervolgens bij de aangever en zijn vrouw aan de deur geweest, waarbij hij zich voordeed als ‘ [naam 7] ’, bankmedewerker bij de Van Lanschot bank. De verdachte heeft de telefoons en pinpassen van de aangever en zijn vrouw meegenomen en is daarna nog een tweede keer bij hen aan de deur geweest om € 30.000,00 aan contant geld mee te nemen. Vervolgens is de verdachte – met de pincodes die hij had doorgekregen – geld gaan pinnen van de rekeningen van de aangever en zijn vrouw.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan. Door als ‘koerier’ de pinpassen, telefoons en het contante geld bij de slachtoffers op te halen en door vervolgens met deze pinpassen te gaan pinnen, heeft de verdachte een materiële bijdrage van voldoende gewicht geleverd.
Parketnummer 03/086324-25 (onderzoek Yalumba)
De bewijsmiddelen – feiten 1 en 2
Aangever [slachtoffer 4]verklaarde – zakelijk weergegeven – als volgt:
Op maandag 17 maart 2025, omstreeks 17.25 uur, liep ik naar buiten. Ik ben woonachtig op de [adres 2] in Venlo. Ik zag toen ik buiten stond drie dames staan. Ik zag dat deze aan het schreeuwen waren tegen een jongen die in een auto zat. De auto waar hij in zat betrof een grijze Ford Fiësta. Deze stond geparkeerd aan de rechterzijde van de weg tegen de stoep. Ik vroeg aan de dames of alles goed ging. Ik hoorde hierop dat de jongen tegen mij begon te schelden. Gezien ik hier niks mee te maken wilde hebben ben ik weggelopen richting de hoek van de [adres 3] met de [adres 4] . Ik hoorde, toen ik wegliep, dat een auto gestart werd. Ik draaide mij precies op de hoek om in de richting van het voertuig. Ik zag dat dit weer de grijze Ford Fiësta betrof. Ik zag dat deze wegreed vanuit zijn plek. Ik zag dat hij in mijn richting kwamen rijden. Ik zag dat hij de stoep op reed. Ik zag dat hij recht op mij afkwam. Ik schrok hier enorm van en vreesde voor mijn leven. Ik zag geen andere optie meer dan omhoog te springen zodat ik niet onder de auto terecht zou komen. Ik voelde een harde klap tegen mijn benen. Ik belandde op de motorkap. Ik werd een aantal meters meegesleurd tot aan de overkant van de [adres 4] . Hier remde hij hard waardoor ik op de grond viel. Ik lag op de stoep en had veel pijn aan mijn benen. Ik zag dat dezelfde jongen die ruzie had met de dames uit de grijze Ford Fiësta stapte. Ik zag dat hij op mij afkwam lopen. Ik zag dat hij van zijn rechterhand een vuist maakte. Ik zag dat hij een krachtige slag naar voren maakte met zijn rechtervuist. Ik voelde dat hij hard op mijn gezicht sloeg. Door deze klap voelde ik pijn aan mijn gezicht. Ik probeerde weer zo snel mogelijk op te staan maar mijn hele lichaam deed pijn van de aanrijding.
Hij kwam echt zonder te remmen de stoep op gereden en keek mij aan.
Getuige [naam 8]verklaarde – zakelijk weergegeven – als volgt:
Op 17 maart 2025 stond ik met [slachtoffer 5] op het balkon van mijn woning aan de [adres 3] in Venlo toen ik een grijze auto de straat in zag komen rijden. Ik zag dat het voertuig ter hoogte van mijn balkon stopte. Ik zag dat [verdachte] samen met zijn zusje uit de auto stapte. Ik hoorde dat [verdachte] en zijn zusje naar mij en [slachtoffer 5] begonnen te schreeuwen. Ik zag dat [verdachte] in het grijze voertuig stapte aan de bestuurderskant. Ik zag [verdachte] als bestuurder, samen met zijn zusje op de bijrijdersstoel, in het grijze voertuig wegreden. Ik zag en hoorde dat de buurman op dat moment iets aan [slachtoffer 5] vroeg. Ik zag dat het grijze voertuig van [verdachte] stopte en ik hoorde dat [verdachte] naar de buurman riep: “Wat moet je nou?”. Ik zag hierna dat het grijze voertuig in de achteruit ging. Ik zag dat het grijze voertuig ter hoogte van de [adres 3] [nummer 5] in Venlo de stoep op reed, de buurman hierbij geschept werd en op de motorkap belandde, en het voertuig hierna de [adres 4] in Venlo overgestoken is met de buurman op de motorkap. Ik zag dat het voertuig ter hoogte van het eethuis, wat gelegen ligt op de [adres 3] 144, tot stilstand kwam. Ik zag dat mijn buurman hierna van de motorkap afviel. Hierna ben ik vanuit mijn woning naar beneden gerend en ben ik op de [adres 3] gaan staan om te kunnen [slachtoffer 5] wat er hierna gebeurde. Ik zag dat [verdachte] mijn buurman begon te slaan. Ik zag dat dit met vuisten gebeurde. Ik zag dat [verdachte] met beide handen mijn buurman meerdere malen in zijn gezicht sloeg.
Verbalisant [naam 9] van de afdeling Forensische Opsporing Verkeerrelateerde – zakelijk weergegeven – als volgt:
Op 18 maart 2025 heb ik een onderzoek ingesteld aan de betrokken personenauto – een grijze Ford Fiësta – en op de plaats incident. Ik zag dat op de motorkap en op de onderzijde van de voorruit verstoringen in de aanwezige vuilafzetting waren. Gezien de vormen van de verstoringen was het zeer waarschijnlijk dat deze veroorzaakt waren door een persoon die op de motorkap terecht was gekomen. Op de motorkap en voorruit zijn door mij geen sporen aangetroffen die erop wijzen dat een persoon met meer dan geringe kracht op de voorruit dan wel motorkap terecht is gekomen. Gezien het sporenbeeld was niet vast te stellen of het voertuig bewoog of dat de persoon op het voertuig was gesprongen. Indien tactisch is vastgesteld dat het voertuig in beweging was dan werd het slachtoffer met een geringe snelheid aangereden.
De verdachteverklaarde ter terechtzitting van 8 mei 2026 – zakelijk weergegeven – als volgt:
Het klopt dat ik op 17 maart 2025 de bestuurder was van de grijze Ford Fiësta. Ik heb aangever [slachtoffer 4] aangereden. Hij is inderdaad omhoog gesprongen, op de motorkap beland en nog enkele meters meegesleurd.
Overwegingen rechtbank
De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat de primair tenlastegelegde poging doodslag niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte opzet had op de dood van [slachtoffer 4] . De rechtbank spreekt de verdachte hiervan vrij.
De rechtbank is op basis van bovenstaande bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – van oordeel dat wel wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte heeft geprobeerd om aan [slachtoffer 4] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat bij het inrijden op een persoon met een personenauto – ook bij een geringe snelheid – in zijn algemeenheid sprake is van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. De handelingen van de verdachte, namelijk het gericht met een auto de stoep oprijden waar [slachtoffer 4] staat, het vervolgens niet remmen en – nadat hij [slachtoffer 4] heeft geschept – nog enkele meters door te rijden met [slachtoffer 4] op zijn motorkap, zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op het bewerkstelligen van zwaar lichamelijk letsel, dat hieruit volgt dat de verdachte die aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte – dat hij [slachtoffer 4] enkel wilde bedreigen en bang maken – gelet op het voorgaande, te weten het niet remmen en het meesleuren van [slachtoffer 4] ongeloofwaardig.
Daarnaast acht de rechtbank op basis van bovenstaande bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte aangever [slachtoffer 4] heeft mishandeld door hem meerdere malen met gebalde vuisten te slaan.
De bewijsmiddelen – feit 3
De rechtbank acht, evenals de officier van justitie, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer 5] meerdere malen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht gelet op:
- de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 8 mei 2026;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5]
- het proces-verbaal van bevindingen.