ECLI:NL:RBLIM:2026:5702

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
ROE 26/986 en ROE 26/987
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:72 AwbArt. 4:84 AwbArt. 2 WvwArt. 24 RVV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing parkeerontheffing voor inrit onvoldoende gemotiveerd, beroep gegrond verklaard

Eiser, woonachtig in Venlo en exploitant van een schildersbedrijf, vroeg opnieuw een parkeerontheffing voor het parkeerverbod ter hoogte van zijn inrit. Het college weigerde deze aanvraag op grond van een aangescherpt beleid dat een minimale inritbreedte van 6 meter vereist en het bezit van een eigen parkeergelegenheid. Eiser maakte bezwaar, maar het college handhaafde het besluit. Vervolgens stelde eiser beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het college het besluit onvoldoende had gemotiveerd. Er was geen onderzoek gedaan naar bijzondere omstandigheden die een afwijking van het beleid konden rechtvaardigen, zoals het feit dat eiser al jarenlang een ontheffing had zonder overlast te veroorzaken. Ook ontbrak een kenbare belangenafweging tussen het gemeentelijk belang en het individuele belang van eiser. Daarnaast was onduidelijk waarom strikte handhaving van het beleid bijdraagt aan de doelstellingen van de Wegenverkeerswet in deze situatie.

De voorzieningenrechter stelde vast dat eiser een spoedeisend belang had vanwege de hinder en bedrijfsbelangen. Daarom werd een voorlopige voorziening getroffen, waarbij eiser geacht wordt in het bezit te zijn van een parkeerontheffing tot twee weken na een nieuw besluit op bezwaar. Het college werd opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de parkeerontheffing wordt gegrond verklaard en het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen, met een voorlopige voorziening tot dat moment.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Bestuursrecht
zaaknummers: ROE 26/986 en ROE 26/987
uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 juni 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[naam] , uit Venlo, eiser

(gemachtigde: mr. M.J.A.M. Muijres),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo, het college

(gemachtigde: mr. L.E.J.M. Vehns-Janssen ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers aanvraag voor een parkeerontheffing voor een uitrit. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat aan de afwijzing van eisers aanvraag een motiveringsgebrek kleeft, in die zin dat door het college niet is onderzocht of gemotiveerd of er bijzondere omstandigheden zijn die een afwijking van het door hem gehanteerde beleid kunnen rechtvaardigen. Ook heeft het college onvoldoende gemotiveerd welke bijdrage strikte handhaving van artikel 9 van Pro het beleid levert aan de doelstellingen van de Wvw in het geval van eiser. Verder is niet duidelijk gemaakt door het college waarom het belang van de gemeente in dit geval zwaarder weegt dan het individuele belang van eiser bij de gevraagde ontheffing. Het beroep van eiser is dan ook gegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor het ontheffen van het parkeerverbod dat ter hoogte van zijn eigen inrit geldt. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 8 december 2025 afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het besluit van 23 maart 2026 op het bezwaar van eiser (het bestreden besluit) is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser woont op het adres [adres] in Venlo in een woning, die is gelegen in de zogenaamde Blauwe zone (de parkeerschijfzone) van die gemeente. Op de begane grond van de woning bevindt zich de garage/bedrijfsruimte en eiser en zijn echtgenote wonen op de daarboven gelegen étages. Eiser exploiteert een schildersbedrijf. De garage/ bedrijfsruimte wordt door hem gebruikt voor de opslag van bedrijfsmaterialen. De echtgenote van eiser is beeldend kunstenaar en heeft de garage/bedrijfsruimte in gebruik voor kunstzinnige activiteiten op het gebied van vormgeving. Eiser heeft al meer dan 15 jaar een jaarlijkse ontheffing van het parkeerverbod ter hoogte van zijn eigen inrit van het college gekregen.
3.1.
Op 8 december 2025 heeft eiser opnieuw een aanvraag ingediend voor ontheffing van het parkeerverbod voor het jaar 2026. Met het besluit van gelijke datum heeft het college deze aanvraag geweigerd. Het college heeft daarbij verwezen naar het Uitgiftebeleid verkeersontheffingen Venlo 2025 (het beleid). In dit sinds januari 2025 aangescherpte beleid is voor een jaarontheffing parkeerverbod eigen inrit vereist dat sprake is van een minimale afmeting van 6 meter breedte van de eigen inrit. [1] Volgens het college heeft eisers inrit niet voldoende breedte om ervoor te parkeren. Eiser heeft tegen het besluit van 8 december 2025 bezwaar gemaakt.
3.2.
Met het bestreden besluit heeft het college de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. Het college heeft aangegeven dat hij nu een uniform eenduidig en stringenter beleid hanteert ten aanzien van parkeren. Het vrijhouden van inritten en het daarbij vasthouden aan de norm van 6 meter vrije ruimte draagt volgens het college bij aan dat beleid. Het college stelt in dit verband dat door de schaarse vrije ruimte zoveel als mogelijk te handhaven de bruikbaarheid van de weg voor alle weggebruikers, overeenkomstig de doelstellingen van de Wvw, wordt gewaarborgd. Het college heeft erop gewezen dat eiser bij wijze van overgangstermijn in 2025 nog een ontheffing heeft ontvangen en dat daarbij is aangekondigd dat eiser er rekening mee moet houden dat dit het laatste jaar zou zijn dat hij een parkeerontheffing zou krijgen. Het college heeft verder in het bestreden besluit aan de weigering van de parkeerontheffing ten grondslag gelegd dat niet alleen eisers inrit te smal is, maar ook de afwijzingsgrond dat hij in het bezit is van een eigen parkeergelegenheid (de garage/de bedrijfsruimte). [2]
3.3.
Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft in beroep aangevoerd dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die afwijking van het beleid rechtvaardigen. Zo maakt eiser al heel lang gebruik van een (jaarlijkse) ontheffing van het parkeerverbod om voor de inrit van zijn garage te parkeren, wordt de garage/bedrijfsruimte gebruikt voor het stallen van bedrijfsmaterialen, is eisers woning het enige pand in de straat met een garage/bedrijfsruimte op de begane grond, wordt eiser in ernstige mate gehinderd door derden die hun auto parkeren voor de inrit van zijn garage/bedrijfsruimte en veroorzaakt het parkeren voor de inrit door eiser geen verkeershinder, parkeeroverlast of een verkeersonveilige situatie. Verder heeft eiser verwezen naar het besluit op bezwaar van het college van 23 maart 2025 (verzonden 11 juni 2025) over de parkeerontheffing van 2025, waarin melding werd gemaakt van bijzondere omstandigheden die afwijking van het beleid rechtvaardigden, zoals het vele jaren ontvangen van een ontheffing zonder dat dit tot overlast heeft geleid. Verder heeft het college volgens eiser ten onrechte niet getoetst aan artikel 14 van Pro het beleid op grond waarvan bijzondere omstandigheden, die buiten de kaders van het beleid vallen, worden betrokken bij de besluitvorming. Het college heeft het bestreden besluit dan ook op een onjuiste juridische grondslag gebaseerd, aldus eiser. Ook heeft het college het bestreden besluit gebaseerd op onjuiste feiten. Eiser heeft in dit kader aangevoerd dat de breedte van de stoep met verlaagde trottoirbanden voor zijn woning (dat zich tussen twee bomen bevindt) zeven meter bedraagt. Eiser merkt nog op dat het beleid geen definitie bevat van ‘inrit’ en eiser is het niet eens dat deze gelijk zou zijn aan de breedte van de garagepoort.
Heeft eiser een spoedeisend belang?
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist.
4.1.
Het college heeft het spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening betwist, omdat eiser pas op 30 april 2026 een voorziening heeft aangevraagd. Voor de eerste vier maanden van het jaar 2026 was het blijkbaar geen probleem voor eiser om geen ontheffing te hebben, aldus het college.
4.2.
Eiser heeft aangevoerd dat hij (en zijn echtgenote) ernstig worden beperkt en gehinderd door het niet hebben van de ontheffing van het parkeerverbod ter hoogte van zijn inrit. Volgens eiser is er sprake van beperkte parkeermogelijkheden in de buurt. Bij het ontbreken van een ontheffing kan eiser geen gebruik maken van parkeergelegenheid ter hoogte van zijn eigen inrit. Daarnaast wordt de bereikbaarheid van de garage met de bedrijfsbus regelmatig belemmerd doordat derden parkeren vóór de garage, waardoor het laden en lossen van schildersmaterialen, waaronder ladders en steigers, ernstig wordt beperkt. Eiser heeft verder aangevoerd dat de helft van het jaar 2026 al is verstreken, dat de behandeling van het beroep nog lang op zich laat wachten en dat hij tot die tijd zonder ontheffing geconfronteerd wordt met het hierboven aangegeven ernstig nadeel.
4.3.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in dit geval het spoedeisend geval erin gelegen dat de gevraagde parkeerontheffing voor een bepaalde duur wordt verleend. Naarmate het beroep voortduurt, verliest de ontheffing haar feitelijke betekenis. Indien verzoeker de uitkomst van de bodemprocedure moet afwachten, wordt hem gedurende deze (relevante) periode het genot van de gevraagde ontheffing onthouden, terwijl dit nadeel achteraf niet meer ongedaan kan worden gemaakt. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter, gelet ook op de gestelde hinder en de bedrijfsbelangen van eiser, van oordeel dat sprake is van onverwijlde spoed als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.
4.4.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiser daartegen. [3]
Wat is de relevante wet- en regelgeving?
5. Voor de toepasselijke regelgeving verwijst de voorzieningenrechter naar de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Kan de weigering van de parkeerontheffing standhouden?
6. Niet in geschil is dat het parkeren voor de garage van eiser alleen is toegestaan wanneer het college daarvoor een ontheffing heeft verleend op grond van artikel 87 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (het RVV).
6.1.
Het college beschikt bij de beslissing op een ontheffingsaanvraag over beleidsruimte, omdat artikel 87 van Pro het RVV geen nadere voorwaarden bevat. De rechtbank toetst de uitoefening daarvan terughoudend en acht het beleid slechts onrechtmatig bij strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
6.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bestreden besluit door het college onvoldoende zorgvuldig is gemotiveerd en een belangenafweging mist. Zij overweegt daartoe als volgt.
6.3.
Het college heeft (kort gezegd) overeenkomstig zijn beleid [4] de jaarontheffing parkeerverbod eigen inrit geweigerd, omdat de eigen inrit niet voldoet aan de vereiste minimale afmeting van 6 meter breedte en er sprake is van een eigen parkeergelegenheid. Daarnaast heeft het college betoogd dat het zo veel mogelijk in stand houden van de schaarse ruimte de bruikbaarheid van de weg voor alle weggebruikers waarborgt, conform de doelstellingen van de Wegenverkeerswet. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college met deze motivering onvoldoende rekening gehouden met eisers omstandigheden.
6.4.
Eiser heeft terecht gesteld dat door het college niet is onderzocht of gemotiveerd of er bijzondere omstandigheden zijn die een afwijking van het beleid kunnen rechtvaardigen op grond van artikel 14 van Pro het beleid of artikel 4:84 van Pro de Awb. Daarbij valt te denken aan het feit dat eiser jarenlang een parkeerontheffing heeft gehad zonder dat dit tot overlast heeft geleid in de buurt of dat bij het bepalen van de breedte van de inrit in dit specifieke geval niet ook gekeken had moeten worden naar de situatie ter plaatse, waarbij de trottoirbanden zijn verlaagd over bijna de volle breedte van de woning en meer dan zes meter bedraagt, terwijl deze parkeerruimte bovendien is afgebakend tussen twee bomen. Op zitting heeft de gemachtigde van het college hierover al verklaard dat afwijking van deze afwijzingsgrond in het beleid wellicht gerechtvaardigd is, gezien de feitelijke omstandigheden op de locatie. Voor zover het college heeft gemeend dat eiser een eigen parkeergelegenheid heeft in zijn garage/bedrijfsruimte, overweegt de voorzieningenrechter dat deze ruimte destijds als bedrijfsruimte is verkocht aan eiser door de gemeente en al die tijd ook als bedrijfsruimte in gebruik is geweest. Eiser heeft om zijn standpunt te onderbouwen foto’s overgelegd op zitting, waarop te zien is dat de begane grond van de woning ook bedrijfsmatig is ingericht met een inpandig kantoor, werkplaats met materiaal opslag en een atelier. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan het college dan ook niet zo maar zeggen dat het een eigen parkeergelegenheid betreft. De voorzieningenrechter plaatst hier dan ook vraagtekens bij. Ook heeft het college naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet duidelijk gemaakt wat de strikte handhaving van de naleving van de voorwaarden in artikel 9 van Pro het beleid bijdraagt aan de doelstelling van de Wvw dat de bruikbaarheid van de weg voor alle weggebruikers op die manier wordt gewaarborgd. Het college heeft deze doelstelling in de Wvw onvoldoende vertaalt naar eisers situatie.
6.5.
Verder heeft het college in het bestreden besluit nagelaten een kenbare en draagkrachtige belangenafweging te maken. Het college had de door eiser aangevoerde belangen expliciet bij de beoordeling moeten betrekken en moeten motiveren waarom het gestelde belang van de gemeente zwaarder weegt dan eisers persoonlijk belang bij het verkrijgen van de parkeerontheffing. Omdat een dergelijke afweging en motivering ontbreken, is het besluit ook op dit punt onvoldoende zorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. De voorzieningenrechter merkt in dit verband nog op dat het belang van het college kennelijk ook beperkt is. Op zitting is immers gebleken dat eiser zijn bedrijfsbus gedurende het afgelopen half jaar (de eerste helft van 2026) nog steeds voor zijn inrit parkeert, terwijl het college daartegen geen actie onderneemt en hier niet handhavend tegen optreedt.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Het besluit kan daarom niet in stand blijven. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit. De voorzieningenrechter ziet geen reden om de rechtsgevolgen van besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de parkeerontheffing te nemen. Dit omdat het aan het college is om nader onderzoek te doen en een belangenafweging in het besluit te motiveren. Ook draagt de voorzieningenrechter niet aan het college op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de voorzieningenrechter geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen, nu onduidelijk is hoeveel tijd de besluitvorming van het college in beslag neemt.
7.1.
De voorzieningenrechter bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. In afwachting daarvan is er aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Deze houdt in dat eiser geacht wordt in het bezit te zijn van een parkeerontheffing voor zijn inrit, tot twee weken nadat een nieuw besluit op zijn bezwaar is genomen.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden, zowel in beroep als in het verzoek om voorlopige voorziening, en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend, een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe, in die zin dat eiser geacht wordt in het bezit te zijn van een parkeerontheffing voor zijn inrit, tot twee weken nadat een nieuw besluit op zijn bezwaar is genomen;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 400,- (2 x € 200,-) aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.H.J. Laeven, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 15 juni 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wegenverkeerswet 1994
Artikel 2, eerste lid
De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen strekken tot:
a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;
b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;
c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;
d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.
Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b
De bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren voor een inrit of een uitrit.
Artikel 87
Door het bevoegd gezag kan ontheffing worden verleend van de artikelen (...) 24 (…).
Uitgiftebeleid Verkeersontheffingen Venlo 2026
Artikel 9
Een jaarontheffing parkeerverbod eigen inrit:
a. Geldt voor alle gebieden behalve Q4, Wilhelminapark en Centrum Gesloten;
b. Ontheffing kan worden verleend aan bewoners die ingeschreven staan op een woonadres in de betreffende zone;
c. Voertuig dient op naam te staan van de bewoner of bewoner dient de formele bijrijder te zijn;
d. er is geen sprake van een eigen parkeergelegenheid;
e. indien sprake is van openbare parkeerplaatsen in de rijrichting dan geldt een minimale afmeting van 6 meter breedte van de eigen inrit;
f. Indien sprake is van openbare parkeerplaatsen haaks op de rijrichting dan geldt een minimale afmeting van 2,5 meter breedte van de eigen inrit. De gestelde afmetingen garanderen voldoende en veilige ruimte om te manoeuvreren, ook voor medeweggebruikers;
g. Mag niet belemmerend zijn voor maatgevende voertuig (o.a. hulpdiensten en afvalinzameling);
h. Kan binnen het gereguleerd parkeergebied enkel aangevraagd worden indien men beschikt over een geldige parkeervergunning (voor het betaald parkeergebied) of een geldige jaarontheffing Blauwe zone.
Artikel 14
Het college van burgemeester en wethouders beslist over verstrekking van ontheffingen omtrent bijzondere gevallen die buiten de kaders van dit beleid vallen.

Voetnoten

1.Zie artikel 9, aanhef en onder e, van het beleid.
2.Zie artikel 9, aanhef en onder d, van het beleid.
3.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
4.Zie noot 1 en 2.