ECLI:NL:RBLIM:2026:5702
Rechtbank Limburg
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing parkeerontheffing voor inrit onvoldoende gemotiveerd, beroep gegrond verklaard
Eiser, woonachtig in Venlo en exploitant van een schildersbedrijf, vroeg opnieuw een parkeerontheffing voor het parkeerverbod ter hoogte van zijn inrit. Het college weigerde deze aanvraag op grond van een aangescherpt beleid dat een minimale inritbreedte van 6 meter vereist en het bezit van een eigen parkeergelegenheid. Eiser maakte bezwaar, maar het college handhaafde het besluit. Vervolgens stelde eiser beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het college het besluit onvoldoende had gemotiveerd. Er was geen onderzoek gedaan naar bijzondere omstandigheden die een afwijking van het beleid konden rechtvaardigen, zoals het feit dat eiser al jarenlang een ontheffing had zonder overlast te veroorzaken. Ook ontbrak een kenbare belangenafweging tussen het gemeentelijk belang en het individuele belang van eiser. Daarnaast was onduidelijk waarom strikte handhaving van het beleid bijdraagt aan de doelstellingen van de Wegenverkeerswet in deze situatie.
De voorzieningenrechter stelde vast dat eiser een spoedeisend belang had vanwege de hinder en bedrijfsbelangen. Daarom werd een voorlopige voorziening getroffen, waarbij eiser geacht wordt in het bezit te zijn van een parkeerontheffing tot twee weken na een nieuw besluit op bezwaar. Het college werd opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de parkeerontheffing wordt gegrond verklaard en het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen, met een voorlopige voorziening tot dat moment.