Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
primair) dan wel dat hij hierbij opzettelijk behulpzaam is geweest (
subsidiair) dan wel dat hij € 80.000,00 heeft witgewassen (
meer subsidiair);
primair) dan wel dat hij hierbij opzettelijk behulpzaam is geweest (
subsidiair);
primair) dan wel dat hij hierbij opzettelijk behulpzaam is geweest (
subsidiair);
primair) dan wel dat hij hierbij opzettelijk behulpzaam is geweest (
subsidiair);
primair) dan wel dat hij bij deze poging behulpzaam is geweest (
subsidiair);
primair) dan wel dat hij hierbij opzettelijk behulpzaam is geweest (
subsidiair).
3.De beoordeling van het bewijs
medeplegenvan diefstal met een valse sleutel niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.
medeplegenvan diefstal met een valse sleutel. De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het primair tenlastegelegde feit 4.
medeplichtigheidaan diefstal met een valse sleutel gelet op:
- de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 8 mei 2026;
- het proces-verbaal van aangifte
medeplegenvan oplichting niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.
medeplegenvan oplichting. De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het primair tenlastegelegde feit 5.
medeplichtigheidaan oplichting gelet op:
- de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 8 mei 2026;
- het proces-verbaal van aangifte
medeplegenvan poging tot diefstal met een valse sleutel niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.
medeplichtigheidaan poging tot diefstal met een valse sleutel gelet op:
- de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 8 mei 2026;
- het proces-verbaal van aangifte
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De straf
7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
benadeelde partij [slachtoffer 1]heeft ten aanzien van feit 1 een schadevergoeding gevorderd van € 12.250,00. Deze vordering bestaat voor € 11.000,00 aan materiële schade en is opgebouwd uit de posten:
benadeelde partij [benadeelde]heeft ten aanzien van feit 1 een schadevergoeding gevorderd van € 90.000,00. Deze vordering bestaat uit materiële schade en is opgebouwd uit de posten:
benadeelde partij [slachtoffer 2]heeft ten aanzien van feit 2 en 3 een schadevergoeding gevorderd van € 31.628,82. Deze vordering bestaat uit materiële schade en is opgebouwd uit de posten:
benadeelde partij [slachtoffer 3]heeft ten aanzien van de feiten 4, 5 en 6 een schadevergoeding gevorderd van € 19.204,00. Deze vordering bestaat uit materiële schade en is opgebouwd uit de posten:
benadeelde partij [slachtoffer 1]op het standpunt gesteld dat – omdat de verdachte niet betrokken is geweest bij de afpersing en afdreiging vóór 6 oktober 2023 – enkel de gevorderde immateriële schade, gelet op de onderbouwing, kan worden toegewezen. De vordering dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard.
benadeelde partij [benadeelde]op het standpunt gesteld dat – omdat er veel onduidelijk is over het daadwerkelijke afgegeven geldbedrag – gebruik moet worden gemaakt van de schattingsbevoegdheid en dat in ieder geval een bedrag van € 70.000,00 kan worden vastgesteld en kan worden toegewezen. De vordering dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard. Daarnaast kunnen ook de gevorderde advocaatkosten van € 500,00 worden toegewezen.
benadeelde partij [slachtoffer 2]op het standpunt gesteld dat deze voldoende is onderbouwd en volledig kan worden toegewezen.
benadeelde partij [slachtoffer 1]primair op het standpunt gesteld dat deze niet-ontvankelijk moet worden verklaard gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade moet worden afgewezen, omdat deze ziet op afgifte van geld en goederen vóór de pleegdatum van 6 oktober 2023. Meer subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat – mocht de rechtbank de verdachte voor medeplichtigheid veroordelen – de immateriële schade moet worden vastgesteld op nihil.
benadeelde partij [benadeelde]primair op het standpunt gesteld dat deze niet-ontvankelijk moet worden verklaard gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat – indien de rechtbank de verdachte voor medeplegen zal veroordelen – de materiële schade moet worden gematigd en enkel een bedrag van € 40.000,00 kan worden toegewezen en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Meer subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat – mocht de rechtbank de verdachte voor medeplichtigheid veroordelen – de materiële schade nog meer moet worden gematigd.
benadeelde partij [slachtoffer 2]op het standpunt gesteld dat deze niet-ontvankelijk moet worden verklaard gelet op de bepleite vrijspraak.
benadeelde partij [slachtoffer 3]primair op het standpunt gesteld dat deze voor wat betreft de materiële schade niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat deze onvoldoende is onderbouwd. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om – bij toewijzing van dit deel van de vordering – aansluiting te zoeken bij de uitspraak van medeverdachte [naam 3] waarin een bedrag van € 6.684,00 is toegekend. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat deze moet worden gematigd gelet op de beperkte rol die de verdachte bij de strafbare feiten heeft gespeeld.
€ 19.204,00bestaande uit € 16.704,00 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 juni 2023.
8.Het beslag
9.De wettelijke voorschriften
10.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte voor het subsidiair ten laste gelegde onder feiten 4, 5 en 6 tot een
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- veroordeelt de verdachte tot een
- beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 dagen;
- verklaart de
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil;
- verklaart de
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil;
- verklaart de
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil;
- wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot
- veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op € 812,00 en in de proceskoten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 3] , van een bedrag van € 19.204,00, bestaande uit materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over de periode van 14 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
- bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 121 dagen, met dien verstande dat deze gijzeling de verplichting tot betaling niet opheft;
- bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededaders aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt;
heft ophet geschorste bevel tot
voorlopige hechtenismet ingang van heden.