Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De vordering van de officier van justitie
3.De beoordeling
- € 70.000,00 – contant geld afpersing (op 6 oktober 2023);
- € 10.000,00 – contant geld afdreiging (vóór 6 oktober 2023).
€ 44.800,00.
- € 40.000,00 – contant afgegeven geld uit de kluis van [bedrijf] ;
- € 4.000,00 – contant afgegeven geld;
- € 800,00 – ontvangen geld van het goudwisselkantoor voor het inleveren van de gouden ketting.
kanworden gehouden met het feit dat de feiten zijn gepleegd door twee of meer daders. Bij gebreke aan een andere aannemelijke verdeling dan een hoofdelijke toewijzing van het wederrechtelijk verkregen voordeel, zal de rechtbank een hoofdelijke verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel als uitgangspunt nemen. De rechtbank overweegt dat – hoewel [verdachte] verklaringen heeft afgelegd over hoe de buit van de afpersing is verdeeld – deze verklaringen zo van elkaar wisselen, dat de rechtbank deze niet aannemelijk vindt. Te meer, nu de rechtbank de medeverdachten – die volgens [verdachte] het grootste deel van de buit zouden hebben gekregen – heeft vrijgesproken. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om van het genoemde uitgangspunt af te wijken en is van oordeel dat het wederrechtelijk verkregen voordeel voor het geheel aan [verdachte] kan worden toegerekend.
€ 44.800,00aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
4.Het wettelijke voorschrift
5.De beslissing
- stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op
- legt [verdachte] de verplichting op tot
gijzelingdie met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op
207 dagen.