Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:5707

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
03/260501-23 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6:6:25 SvArt. 6:6:26 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na medeplegen afpersing en afdreiging

De rechtbank Limburg heeft op 15 juni 2026 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen verdachte, die tevens veroordeeld is voor medeplegen van afpersing en afdreiging in de periode mei tot oktober 2023. De ontnemingsvordering is gelijktijdig behandeld met de strafzaak.

De officier van justitie vorderde aanvankelijk €90.000, later bijgesteld naar €80.000, als bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank heeft het voordeel vastgesteld op €44.800, opgebouwd uit contant geld en de opbrengst van een gouden ketting die verdachte had ingeleverd.

Hoewel verdachte verklaringen gaf over de verdeling van de buit, vond de rechtbank deze niet aannemelijk, mede omdat medeverdachten zijn vrijgesproken. Daarom werd het gehele voordeel aan verdachte toegerekend. De rechtbank legde aan verdachte de verplichting op tot betaling van dit bedrag aan de Staat, met een gijzelingstermijn van 207 dagen als dwangmiddel.

De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, waarbij rekening is gehouden met de hoofdelijke aansprakelijkheid en de niet-voldane schadevergoedingsvorderingen. De uitspraak werd gewezen door een meervoudige kamer in Roermond.

Uitkomst: Verdachte is verplicht tot betaling van €44.800 aan de Staat wegens wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer: 03/260501-23 (ontneming)
Tegenspraak
Uitspraak van de meervoudige kamer van 15 juni 2026 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 2004,
wonende te [adres] ,
gedetineerd in de [P.I.] ,
hierna te noemen [verdachte] .
[verdachte] wordt bijgestaan door mr. B.G. Janssen en mr. J.H.S. Klinkenberg, advocaten kantoorhoudende te Maastricht.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 en 13 mei 2026. [verdachte] en zijn raadslieden zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Op 1 juni 2026 is het onderzoek ter terechtzitting formeel gesloten en bepaald dat op 15 juni 2026 vonnis wordt gewezen.
De behandeling van de ontnemingsvordering heeft gelijktijdig plaatsgehad met de behandeling van de strafzaak met parketnummer 03/260501-23 (onderzoek Padua). Op 15 juni 2026 heeft de rechtbank eerst vonnis gewezen in de strafzaak. Vervolgens is de onderhavige uitspraak gewezen.

2.De vordering van de officier van justitie

De vordering van de officier van justitie strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [verdachte] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel. De officier van justitie heeft dit bedrag geschat op € 90.000,00.
Volgens de officier van justitie zou [verdachte] dit voordeel hebben verkregen door middel van of uit de baten van de feiten waarvoor [verdachte] volgens hem moet worden veroordeeld.
Op de terechtzitting van 8 mei 2026 heeft de officier van justitie de vordering gewijzigd in die zin dat hij de vordering heeft bijgesteld naar een bedrag van € 80.000,00.

3.De beoordeling

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat – gelet op de door [verdachte] gepleegde feiten – een bedrag van € 80.000,00 kan worden ontnomen. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:
  • € 70.000,00 – contant geld afpersing (op 6 oktober 2023);
  • € 10.000,00 – contant geld afdreiging (vóór 6 oktober 2023).
De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat – gelet op het feit dat het in deze zaken gaat om medeplegen en door [verdachte] geen aannemelijk inzicht is gegeven in de verdeling van de gelden – hij uitgaat van een hoofdelijke toewijzing van het voordeel.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de ontnemingsvordering.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1
Inleiding
Bij voormeld vonnis van 15 juni 2026 is [verdachte] veroordeeld wegens het medeplegen van afpersing gepleegd in de periode van 28 september 2023 tot en met 6 oktober 2023 en het medeplegen van afdreiging gepleegd in de periode van 1 mei 2023 tot en met 27 september 2023.
De officier van justitie heeft de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig gemaakt binnen de daarvoor gestelde termijn.
Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, [verdachte] voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de feiten waarvoor de veroordeling heeft plaatsgevonden.
3.3.2
Het bewijs
De rechtbank verwijst voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel redengevende feiten en omstandigheden naar de bewijsmiddelen zoals opgenomen in het vonnis van deze rechtbank van 15 juni 2026 in de onderliggende strafzaak.
In de ontnemingszaak verbindt de rechtbank op grond van dezelfde overwegingen dezelfde gevolgtrekkingen aan die bewijsmiddelen als in de strafzaak, te weten dat [verdachte] in de periode van 28 september 2023 tot en met 6 oktober 2023 met zijn mededader slachtoffer [slachtoffer] – onder bedreiging van een vuurwapen – heeft gedwongen tot afgifte van € 40.000,00, welk geld toebehoorde aan [bedrijf] Daarnaast heeft [verdachte] in de periode van 1 mei 2023 tot en met 27 september 2023 met zijn mededader slachtoffer [slachtoffer] – onder bedreiging van het onthullen van geheimen – gedwongen tot het afgeven van geld, horloges en sieraden. Gedurende die afdreiging heeft [verdachte] een bedrag van € 4.000,00 aan contant geld en een gouden ketting van het slachtoffer gekregen. Die gouden ketting heeft [verdachte] ingeleverd bij een goudwisselkantoor en daar heeft hij € 800,00 voor gekregen.
Op grond van vorenstaande bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] door middel van of uit de baten van voormelde feiten voordeel heeft gekregen.
De rechtbank heeft in het vonnis [verdachte] en zijn mededader hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de geleden schade van de benadeelde partijen [slachtoffer] en [bedrijf]
3.3.3
De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank zal het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vaststellen op
€ 44.800,00.
Dit bedrag is opgebouwd uit:
  • € 40.000,00 – contant afgegeven geld uit de kluis van [bedrijf] ;
  • € 4.000,00 – contant afgegeven geld;
  • € 800,00 – ontvangen geld van het goudwisselkantoor voor het inleveren van de gouden ketting.
De rechtbank heeft acht geslagen op het bepaalde in artikel 36e, zevende lid, van het Wetboek van Strafrecht waarin – samengevat weergegeven – is bepaald dat bij het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel rekening
kanworden gehouden met het feit dat de feiten zijn gepleegd door twee of meer daders. Bij gebreke aan een andere aannemelijke verdeling dan een hoofdelijke toewijzing van het wederrechtelijk verkregen voordeel, zal de rechtbank een hoofdelijke verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel als uitgangspunt nemen. De rechtbank overweegt dat – hoewel [verdachte] verklaringen heeft afgelegd over hoe de buit van de afpersing is verdeeld – deze verklaringen zo van elkaar wisselen, dat de rechtbank deze niet aannemelijk vindt. Te meer, nu de rechtbank de medeverdachten – die volgens [verdachte] het grootste deel van de buit zouden hebben gekregen – heeft vrijgesproken. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om van het genoemde uitgangspunt af te wijken en is van oordeel dat het wederrechtelijk verkregen voordeel voor het geheel aan [verdachte] kan worden toegerekend.
De rechtbank is – alles afwegende – van oordeel dat [verdachte] wederrechtelijk voordeel, geschat op een bedrag van € 44.800,00, heeft verkregen door middel van of uit de baten van de strafbare feiten waarvoor hij bij vonnis van 15 juni 2026 is veroordeeld.
De rechtbank merkt op dat op grond van artikel 36e lid 9 van het Wetboek van Strafrecht de aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering worden gebracht op de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat en op de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag, maar slechts voor zover die zijn voldaan. Nu van dat laatste nog geen sprake is – het ontnemingsvonnis wordt immers gelijktijdig gewezen met het vonnis in de strafzaak – zal dit pas aan de orde komen in de executiefase en zal de rechtbank niet reeds nu al de toegekende bedragen aan schadevergoeding in mindering brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel en het door veroordeelde te betalen bedrag aan de Staat. Indien op een later moment de schadevergoedingsvordering is voldaan, dan staat de weg van artikel 6:6:26 van Pro het Wetboek van Strafvordering open.
3.3.4
De op te leggen betalingsverplichting
De rechtbank zal aan [verdachte] de verplichting opleggen tot betaling van
€ 44.800,00aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

4.Het wettelijke voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

5.De beslissing

De rechtbank:
  • stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op
  • legt [verdachte] de verplichting op tot
- bepaalt de duur van de
gijzelingdie met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op
207 dagen.
Deze uitspraak is gewezen door mr. H.E.G. Peters, voorzitter, mr. S.A.M.C. van de Winkel en mr. I.T.H.L. van de Bergh, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.F. Stuurman, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 15 juni 2026.