Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De vordering van de officier van justitie
3.De beoordeling
- € 70.000,00 – voordeel dat is genoten in onderzoek Padua;
- € 35.700,00 – voordeel dat is genoten in onderzoek Uralrex;
- € 22.220,10 – voordeel dat is genoten in onderzoek Steranijs, bestaande uit:
€ 23.970,10.
- € 2.500,00 – contant afgegeven geld;
- € 200,00 – meegegeven telefoon;
- € 18.870,00 – meegegeven sieraden;
- € 2.400,10 – betalingen met pinpas.
kanworden gehouden met het feit dat de feiten zijn gepleegd door twee of meer daders. Bij gebreke aan een andere aannemelijke verdeling dan een hoofdelijke toewijzing van het wederrechtelijk verkregen voordeel, zal de rechtbank een hoofdelijke verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel als uitgangspunt nemen. De rechtbank overweegt dat [verdachte] zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen, geen enkel inzicht heeft gegeven in de verdeling van de buit en daarmee geen andere aannemelijke verdeling naar voren heeft gebracht. Dit had – gelet op de rol die [verdachte] heeft gehad bij de bewezenverklaarde feiten – wel op zijn weg gelegen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om van het genoemde uitgangspunt af te wijken en is van oordeel dat het wederrechtelijk verkregen voordeel voor het geheel aan [verdachte] kan worden toegerekend.
4.Het wettelijke voorschrift
5.De beslissing
- stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op
- legt [verdachte] de verplichting op tot
gijzelingdie met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op
138 dagen.