ECLI:NL:RBLIM:2026:5755

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
03.055108.23
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 289 SrArt. 293 SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot 4,5 jaar gevangenisstraf voor moord op moeder door toediening insuline

De rechtbank Limburg heeft op 16 juni 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, die werd verdacht van moord op haar moeder door het toedienen van een te hoge dosis insuline. De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was voor levensbeëindiging op verzoek, zoals bedoeld in artikel 293 Sr Pro, en verklaarde de verdachte schuldig aan moord met voorbedachte raad.

De rechtbank baseerde haar oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van de verdachte, getuigenverklaringen, medische dossiers en digitale sporen van internetbezoeken over moord en zelfdoding. De verdachte had de daad zorgvuldig voorbereid en had zich beraden, wat de voorbedachte raad bevestigde.

De verdediging voerde psychische overmacht aan vanwege een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis, depressie en een symbiotische moeder-dochterrelatie, maar de rechtbank verwierp dit verweer omdat de verdachte haar strafbaarheid slechts in sterk verminderde mate toerekenbaar was, niet geheel ontlastend.

De rechtbank hield rekening met de bijzondere omstandigheden en de overschrijding van de redelijke termijn, waardoor de straf werd vastgesteld op 4 jaar en 6 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest. De verdachte blijft strafrechtelijk verantwoordelijk en zal de straf in een penitentiaire inrichting uitzitten.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 4 jaar en 6 maanden gevangenisstraf voor moord op haar moeder met sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer : 03.055108.23
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 16 juni 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 1970,
wonende te [adres 1] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. C.B. Stenger, advocaat kantoorhoudende te Schiphol.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 2 juni 2026. De verdachte en haar raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte haar moeder heeft vermoord dan wel dat zij opzettelijk het leven van haar moeder op uitdrukkelijk en ernstig verlangen van haar moeder heeft beëindigd.

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit. De verdachte heeft haar moeder gedood en er is geen sprake van euthanasie als bedoeld in artikel 293 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr), zoals de verdachte subsidiair wordt verweten. De verklaring van de verdachte dat haar moeder een doodswens had, wordt namelijk - ondanks uitvoerig onderzoek - op geen enkele wijze bevestigd. De verdachte heeft de dood van haar moeder zorgvuldig voorbereid en er de tijd voor genomen, zodat sprake is van voorbedachte raad.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging voert aan dat in lijn met de bedoeling van de wetgever eerst beoordeeld dient te worden of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de gedraging als bedoeld in artikel 293 Sr Pro. En dat is het geval. Bij de moeder van de verdachte was sprake van een serieuze en weloverwogen doodswens, die zij ondubbelzinnig kenbaar heeft gemaakt. Zij was voldoende bekwaam om haar wil te bepalen. De verdachte heeft haar moeder om het leven gebracht op haar uitdrukkelijk en ernstig verzoek, zodat de verdachte moet worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde moord.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1
Grondslag van de tenlastelegging
Vanaf het moment van aanhouding van de verdachte staat de vraag centraal of al dan niet sprake is van levensbeëindiging op verzoek van haar moeder als bedoeld in artikel 293 Sr Pro. De rechtbank zal – in afwijking van de volgorde van de tenlastelegging (een primair/ subsidiaire tenlastelegging en geen alternatieve variant), maar in lijn met het betoog van de verdediging en de bedoeling van de wetgever om een bijzondere, privilegiërende strafbepaling voorrang te geven boven een algemene strafbepaling – eerst beoordelen of sprake is van bewijs voor de subsidiair aan de verdachte ten laste gelegde gedraging. Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord, zal de rechtbank beoordelen of sprake is van bewijs voor de primair ten laste gelegde moord.
3.3.2
Levensbeëindiging op verzoek
Onder “uitdrukkelijk en ernstig verlangen” in de zin van artikel 293 Sr Pro moet worden verstaan het ondubbelzinnig kenbaar maken van een serieuze, weloverwogen en duurzame wil, verbaal of non-verbaal, door iemand die geestelijk niet in de war is. Een eenmalig geuit verlangen is daartoe niet toereikend. De verdachte heeft verklaard dat haar moeder in de avond van 21 februari 2023 tegen haar heeft gezegd dat zij niet meer kon en wilde en dat zij niet naar het zorgcentrum wilde, waarnaartoe zij de volgende dag zou verhuizen. De verdachte heeft ook verklaard dat haar moeder al eerder vaker de wens had geuit niet meer te willen leven. Naar het oordeel van de rechtbank biedt het strafdossier echter onvoldoende steun voor de verklaring van de verdachte omtrent de doodswens van haar moeder. De rechtbank overweegt in dat verband het volgende.
In het door de huisarts bijgehouden patiëntdossier van de moeder van de verdachte (hierna: moeder) heeft de rechtbank geen indicatie voor een doodswens van moeder aangetroffen. Sterker nog, daarin is vermeld dat moeder op 19 mei 2022 kenbaar heeft gemaakt dat zij ondanks alles nog zin heeft in het leven en dat zij nog kan genieten van de kleine dingen. De diverse medische klachten van moeder, het levenstestament dat zij in 2018 heeft laten opstellen en een begin 2022 telefonisch aan de huisarts doorgegeven niet-reanimeer-verklaring kunnen als zodanig ook niet worden aangemerkt als (concrete indicaties voor) het kenbaar maken van een doodswens.
Er zijn ook geen aanwijzingen van een doodswens in de verklaringen van de getuigen die moeder op 21 februari 2023 - de dag voor de voorgenomen verhuizing naar het zorgcentrum - hebben gesproken. Zowel [naam 1] , die ’s middags op bezoek is geweest, als [naam 2] , die moeder ’s avonds heeft verzorgd, beschrijven paniek en verdriet over de aanstaande verhuizing en bezorgdheid over de huisvesting van de verdachte, maar tegen geen van de getuigen heeft moeder op die dag of op een eerder moment gezegd dat zij niet meer wilde leven.
De verdediging heeft er terecht op gewezen dat thuiszorgmedewerkster [naam 3] aan een verbalisant heeft verklaard dat moeder tegen [naam 3] heeft gezegd dat haar dochter ervoor zou zorgen dat ze voor beiden er een einde aan zou gaan maken. Maar die opmerking van moeder geeft naar het oordeel van de rechtbank niet, althans niet zonder meer en ondubbelzinnig blijk van het bestaan van een doodswens bij moeder. De opmerking kan immers ook duiden op het bij moeder bestaan van een verwachting of vrees dat de verdachte hun beider leven zou beëindigen. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat [naam 3] als getuige heeft verklaard dat moeder tegenover haar nooit heeft gezegd niet meer te willen leven en dat zij ook niet bekend is met dergelijke uitlatingen van moeder tegenover anderen.
De slotsom is dat verklaring van de verdachte, dat moeder (al langer) een duidelijke doodswens had, op zichzelf blijft staan. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet kan worden bewezen dat bij moeder sprake is geweest van een ondubbelzinnig kenbaar gemaakte serieuze, weloverwogen en duurzame wil om te overlijden. Van levensbeëindiging op verzoek, zoals subsidiair aan de verdachte is ten laste gelegd, is dan ook geen sprake. De rechtbank komt daarom toe aan de beoordeling van de primair aan de verdachte ten laste gelegde moord.
3.3.3
Moord
Bewijsmiddelen
Ter bevordering van de leesbaarheid van dit vonnis, heeft de rechtbank de bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in bijlage II.
De overwegingen van de rechtbank
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat. Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van die bewijsmiddelen voldoende komen vast te staan dat de verdachte opzettelijk en doelbewust, na kalm beraad en rustig overleg, heeft gehandeld, zodat sprake is van de voor moord vereiste opzet en voorbedachte raad. De rechtbank overweegt daartoe in het bijzonder als volgt.
Uit de eigen verklaring van de verdachte volgt dat zij het opzet had om haar moeder om het leven te brengen en dat zij dit ook daadwerkelijk heeft gedaan door het toedienen van (een te hoge dosis) insuline. Dat de verdachte al enige tijd bezig was met dood door insuline volgt uit het bezoeken van diverse websites over dat thema in de dagen voorafgaand aan 21 februari 2023 - en ook nog diezelfde avond, voorafgaand aan het toedienen van de insuline. Die websites zien niet alleen op suïcide, maar ook op moord. Zelfs al zou die interesse voor dood door insuline alleen betrekking hebben op zichzelf, zoals de verdachte heeft verklaard, neemt dat niet weg dat de verdachte zich schuldig gemaakt heeft aan moord.
De in de woning aangetroffen situatie duidt immers op een planmatig en voorbereid handelen. In de woonkamer hing een kleerhanger met nette kleding van moeder in een kledingzak, voorzien van haar naam en geboortedatum gereed en op de tafel in de woonkamer/keuken lagen mappen van Monuta Uitvaartwens met wensen voor de uitvaart en een envelop met geld voor een boomschijf als gedenkteken voor de natuurbegraafplaats. Verder lag er op de stoel bij de tafel een map waarin gegevens van leveranciers van gehuurde spullen zaten, met daarboven een blaadje met de geschreven tekst ‘deze spullen retour leveranciers’. Deze voorbereidingen, die verband houden met het overlijden van moeder, moeten door de verdachte vóór het toedienen van de insuline bij moeder zijn getroffen, nu de verdachte heeft verklaard dat zij direct na het toedienen van de insuline bij moeder zichzelf insuline heeft toegediend, teneinde ook een einde aan haar eigen leven te maken, en vervolgens is weggezakt.
De rechtbank concludeert op grond van deze feiten en omstandigheden dat de verdachte voorafgaand aan haar handelen voldoende tijd heeft gehad zich te beraden op het genomen of het te nemen besluit, zodat zij gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Daarmee staat voor de rechtbank vast dat het handelen van de verdachte niet het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.
De rechtbank acht voorts geen contra-indicaties aannemelijk geworden die aan het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en acht moord bewezen.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat zij in de periode van 21 februari 2023 tot en met 2 maart 2023 in de gemeenten Sittard-Geleen en Heerlen [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door [slachtoffer] door middel van spuiten een (te) hoge dosis insuline toe te dienen.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op: moord.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

5.1
Het standpunt van de verdediging
De verdediging voert aan dat bij de verdachte sprake was van psychische overmacht, waardoor zij zou moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De psychiatrisch en psychologisch deskundigen hebben vastgesteld dat de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde leed aan een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis, een ernstige depressieve stoornis en een symbiotische moeder-dochterrelatie (collusie). Er was sprake van druk van buitenaf, bestaande uit jarenlange structurele overbelasting als mantelzorger, onvoldoende ondersteuning door hulpverlenende instanties, het concreet dreigende woningverlies én het verlies van haar moeder op dezelfde dag. De moeder van de verdachte vroeg op de avond van 21 februari 2023 om hulp bij levensbeëindiging. In het kader van de collusie was de verdachte niet in staat zich hieraan te onttrekken, haar sturingsvermogen was slechts in geringe mate aanwezig.
5.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie is van oordeel dat geen sprake is van psychische overmacht. Zij voert daartoe aan dat de uitdrukkelijke doodswens van de moeder van de verdachte niet vast is komen te staan, zodat er geen druk van buitenaf kan worden vastgesteld.
5.3
Het oordeel van de rechtbank
De verdediging heeft het beroep op psychische overmacht met name geplaatst in het kader van de subsidiair ten laste gelegde levensbeëindiging op verzoek. De rechtbank zal het beroep op psychische overmacht beoordelen in het kader van de bewezenverklaarde moord.
De rechtbank acht niet aannemelijk geworden dat moeder een doodswens had en zij de verdachte in de avond van 21 februari 2023 om hulp bij levensbeëindiging heeft gevraagd; de rechtbank verwijst in dit verband naar hetgeen hiervoor onder 3.3.2 is overwogen. Van een situatie waarin de verdachte geen weerstand kon bieden tegen haar moeders wil om dood te gaan, is dus geen sprake, zodat het beroep op psychische overmacht wordt verworpen.
Voor zover de verdachte door andere omstandigheden zodanig onder druk zou zijn komen te staan dat zij haar moeder insuline heeft toegediend, is het volgende van belang. De psychiater en de psycholoog hebben op respectievelijk 28 augustus 2023 en 29 augustus 2023 rapportages uitgebracht over de geestesvermogens van de verdachte. De rechtbank komt op basis van de in die rapporten vervatte bevindingen en de daarin vervatte adviezen – die de rechtbank overneemt – niet tot de conclusie dat bij de verdachte sprake is van een omstandigheid die haar strafbaarheid geheel uitsluit. De rechtbank overweegt hierbij dat de psycholoog heeft geconcludeerd dat de verdachte wist dat haar handelen niet geoorloofd was en dat zij vaker en opnieuw aan de bel had kunnen trekken bij hulpverleners. Haar waarnemingsvermogen en haar sturingsvermogen waren volgens de psycholoog niet volledig aangetast.
De verdachte is derhalve strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6.De straf

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 3 jaren, waarvan 383 dagen onvoorwaardelijk en het overige gedeelte voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals geformuleerd door de reclassering en met aftrek van het voorarrest.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd zich te kunnen vinden in de strafeis van de officier van justitie, indien de rechtbank de door haar gevoerde verweren niet volgt.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de moord op haar 78-jarige moeder. Daarmee heeft de verdachte haar moeder haar recht op leven ontnomen en heeft zij zich schuldig gemaakt aan een van de meest ernstige misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. Moord is naar zijn aard een misdrijf dat in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeer lange duur rechtvaardigt.
De rechtbank heeft evenwel ook oog voor de zeer bijzondere situatie die tot deze moord heeft geleid. Bij de verdachte, die haar hele leven bij haar ouders heeft gewoond en die al geruime tijd mantelzorger was van moeder, was ten tijde van de moord– zo blijkt uit het rapport van de psychiater - sprake van een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis, een depressieve stoornis en een ouder-kindrelatieprobleem, zich uitende in een symbiotische relatie met haar moeder. Als gevolg hiervan was de verdachte nog slechts in geringe mate in staat adequaat sturing te geven aan haar denken, voelen en handelen. Dat constateert ook de psycholoog: de verdachte voelde zich oververantwoordelijk voor haar moeder, zag en voelde haar eigen grenzen niet en ervaarde de buitenwereld als bedreigend. Zij zag en ervaarde zichzelf en haar moeder als een twee-eenheid. Het sturingsvermogen was daarbovenop aangetast. De verdachte was uitgeput, zij kon haar situatie niet meer aan, waarbij tekort-schietende copingmogelijkheden een belangrijke aanjagende rol speelden.
De rechtbank ziet hetgeen de deskundigen hebben gerapporteerd ook terug in het dossier, waaronder de aantekeningen van de huisarts van de verdachte. De rechtbank kan en zal zich daarom verenigen met het advies van de deskundigen, inhoudende dat de verdachte haar handelen slechts in sterk verminderde mate wordt toegerekend.
De rechtbank houdt er ook rekening mee dat de verdachte verder zal moeten leven zonder haar moeder en met de wetenschap dat zij degene is die verantwoordelijk is voor haar dood, ook al is zij ervan overtuigd dat moeder nu op een betere plek is. Tot slot is van belang bij de bepaling van de strafmaat dat de verdachte zich sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis – op 11 maart 2024 – aan bijzondere voorwaarden heeft moeten houden en een beperkte bewegingsvrijheid heeft gehad.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat in onderhavig geval een aanmerkelijk lagere gevangenisstraf passend en geboden is dan doorgaans voor moord pleegt te worden opgelegd. Maar vanuit het perspectief van generale preventie en normbevestiging kan niet worden volstaan met de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf. De rechtbank zal daarom, alles afwegende, als uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren opleggen.
Het in het rapport van [naam 4] , reclasseringswerker, gedateerd 26 maart 2026, opgenomen advies om aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan verbonden bijzondere voorwaarden, neemt de rechtbank niet over. Allereerst geldt dat het Wetboek van Strafrecht aan een voorwaardelijk deel in de weg staat, gelet op de door de rechtbank op te leggen gevangenisstraf. Maar – ten overvloede – overweegt de rechtbank dat het recidiverisico laag is, aldus de psychiater, de psycholoog en de reclasseringswerker. Het uitgangspunt van een behandeling in een strafrechtelijk kader is het voorkomen van recidive door behandeling van het gedrag dat daaraan ten grondslag heeft gelegen. Dat is hier echter niet aan de orde en daarmee is een (deels) voorwaardelijke straf evenmin aan de orde. Een passende woonsituatie en begeleiding voor de verdachte behoeft ook niet binnen het strafrechtelijk kader te worden gevonden. De duur van de aan de verdachte op te leggen vrijheidsbenemende straf stelt de verdachte in de gelegenheid een en ander in gang te zetten, al dan niet ondersteund door de reclassering in het kader van voorwaarden verbonden aan een mogelijke voorwaardelijke invrijheidstelling.
De rechtbank houdt er rekening mee dat in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. In dit geval is de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn aangevangen op 24 februari 2023, de datum waarop de verdachte in verzekering is gesteld. Dit betekent dat de redelijke termijn van twee jaren met bijna 16 maanden overschreden. Van bijzondere omstandigheden die deze termijnoverschrijding kunnen rechtvaardigen, is niet gebleken. Daarom zal de rechtbank de op te leggen gevangenisstraf met 6 maanden verminderen en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar en 6 maanden opleggen met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten.
De verdachte verblijft tijdens de gevangenisstraf in een penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 289 van Pro het Wetboek van Strafrecht.

8.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
  • verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
  • verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
  • veroordeelt de verdachte tot
  • beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.J. Quaedvlieg, voorzitter, mr. B. de Groot en mr. M. el Jerrari, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.A.H. Bohnen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 16 juni 2026.
Buiten staat
Mr. De Groot is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
ten aanzien van feit 1 primair:
zij, in of omstreeks de periode van 21 februari 2023 tot en met 2 maart 2023 in de gemeente(n) Sittard-Geleen en/of Heerlen [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] door middel van een (of meer) spuit(en) een (te) hoge dosis insuline toe te dienen;
ten aanzien van feit 1 subsidiair:zij, in of omstreeks de periode van 21 februari 2023 tot en met 2 maart 2023 in de gemeente(n) Sittard-Geleen en/of Heerlen opzettelijk het leven van [slachtoffer] op haar uitdrukkelijk en ernstig verlangen heeft beëindigd, door die [slachtoffer] door middel van een (of meer) spuit(en) een (te) hoge dosis insuline toe te dienen.
BIJLAGE II: De bewijsmiddelen [1]
De
verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 2 juni 2026, voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik op 21 februari 2023 insuline heb toegediend aan mijn moeder in onze toenmalige woning te Sittard. [naam 2] is die avond gekomen. Nadat hij is vertrokken ben ik spuiten voor haar gaan pakken en ik heb die klaar gemaakt. Ik heb de spuit gezet.
Het proces-verbaal van verhoor van 24 februari 2023 [2] , voor zover inhoudende als
verklaring van de verdachte:
Ik hield haar vast toen ik haar de eerste spuit gaf. Ik zette haar verschillende spuiten. Ze zei iets tegen me en toen heb ik mezelf verschillende spuiten gezet.
Het proces-verbaal van verhoor van 22 mei 2023 [3] voor zover inhoudende als
verklaring van de verdachte:
Toen ben ik gaan zitten en heb ik mezelf de spuiten toegediend. Ik ben langzaam weggezakt.P. Wat gebeurde er toen, toen je dat deed?V: Ik ben langzaam weggezakt.
Het
proces-verbaal van bevindingenvan 22 februari 2023 [4] , voor zover inhoudende:
Op 22 februari 2023 werden wij gestuurd naar de [adres 2] in Sittard. In de woonkamer/keuken stond een tafel. Op deze tafel zag ik dat er twee mappen van Monuta uitvaartswens lagen. Beide mappen waren van [slachtoffer] en [verdachte] en waren volledig ingevuld c.q. aangevuld met hun gegevens. Verder zag ik dat er een map op een stoel bij de tafel lag, alwaar gegevens/leveranciers van het gehuurde ziekenhuis bed etc inzat. Daar bovenop lag een blaadje met de geschreven tekst ‘Deze spullen retour leveranciers’. Verder zag ik dat er twee kleerhangers met nette kleren, alwaar plastic overheen zat ophingen in de woonkamer. Aan elke klerenhanger hing een blaadje met naam en geboortedatum van [slachtoffer] en [verdachte] .
De
kennisgeving van inbeslagnamevan 22 februari 2023 [5] , voor zover inhoudende:
Beslagene: [verdachte] , goednummer: PL2300-2023028633-1585166
Bijzonderheden: Monuta klapper
Het
proces-verbaal van bevindingenvan 22 februari 2023 [6] , voor zover inhoudende:
Ik was doende met het onderzoek aan de in beslag genomen documenten met betrekking tot de uitvaartverzekering en uitvaartwens van overledene [slachtoffer] en verdachte [verdachte] . De mappen werden aangetroffen in de woning van [slachtoffer] en [verdachte] te Sittard. Ik zag dat de map met betrekking tot [slachtoffer] bestond uit een brochure genaamd Monuta Uitvaartwens waar de wensen met betrekking tot de uitvaart ingevuld kunnen worden. Ik zag dat in deze brochure de NAW-gegevens van [slachtoffer] waren ingevuld. Ik zag dat ze als gedenkteken een boomschijf wilde voor de natuurbegraafplaats met daarop haar naam, geboortedatum en sterfdatum. Onder het kopje 'Aanvullende wensen’ zag ik dat de volgende wensen stonden: Met bijzetting bij mijn man in het bestaande graf, op de begraafplaats “Lahrhof’ Natuur-Sittard. Ik zag dat er een envelop met het opschrift ‘Voor Boomschijf’ bij de documenten zat. Ik zag dat er in de envelop een bedrag van 125,- euro aan briefgeld zat.
De
kennisgeving van inbeslagnamevan 22 februari 2023 [7] , voor zover inhoudende:
Beslagene: [verdachte] ; goednummer: PL2300-2023028633-1584300, Object: Communicatieap (Telefoon), Merk/type: Samsung
Het
proces-verbaal van bevindingenvan 26 februari 2023 [8] , voor zover inhoudende:
Ik heb de gegevens uit een telefoon en simkaart veiliggesteld. Ik zag dat de simkaart was geplaatst in het toestel met onderstaande geregistreerde gegevens:
Beslagene: [verdachte] ; beslagnummer: 1584300
Het
proces-verbaal van bevindingenvan 26 februari 2023 [9] , voor zover inhoudende:
Op 23 februari 2023 werd de mobiele telefoon in beslag genomen van [verdachte] . Ik bekeek de extractiegegevens van deze mobiele telefoon. Dit betrof goednummer 1584300.
Op 13 februari 2023 wordt voor het eerst een website bezocht gerelateerd aan zelfdoding. Enkele minuten later wordt een website bezocht met betrekking tot dood door insuline. Op 14 februari 2023 worden websites bezocht, gerelateerd aan zelfdoding en insuline. Te zien is dat op 14 februari 2023 de website werd bezocht “Hoe zou jij de perfecte moord plegen?", vanaf de website [naam website] . Ik heb deze website bekeken en zag dat door anonieme accounts diverse manieren werden besproken voor het plegen van een moord, evenals euthanasie en hulp bij zelfdoding. Op 15 februari 2023 worden websites bezocht, gerelateerd aan het overlijden door insuline en de gevolgen van een overdosis insuline. “De grootste moordzaken met een Engel des Doods”, “Poging tot doodslag met insuline, Nieuwsbericht Openbaar Ministerie”. Op 20 februari 2023 worden diverse websites bezocht gerelateerd aan huurwoningen in Limburg, zelfdoding en euthanasie bij dementie en worden diverse websites bezocht, gerelateerd aan dood door insuline en wordt meermaals de website van Monuta uitvaartverzorging bezocht. “Ovj: 42 maanden cel voor poging tot doodslag met insuline, Leeuwarder Courant”. Op 21 februari 2023, tussen 21.50 en 22.01 uur worden diverse websites bezocht gerelateerd aan het overlijden door insuline en zelfdoding. “Insuline geliefd moordwapen/moord in verpleeghuis”, “Poging tot doodslag met insuline".
Het
proces-verbaal van bevindingenvan 2 maart 2023 [10] , voor zover inhoudende:
Op 2 maart 2023 kreeg ik het verzoek te gaan naar het Zuyderland Ziekenhuis te Heerlen. Aldaar hoorde ik van de dienstdoende verpleegkundige dat [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1945 te Hulsberg op 2 maart 2023 te 12:02 uur was overleden.
Het
definitief sectierapport van Eurofins TMFIvan 31 oktober 2023 [11] , voor zover inhoudende:
Naam overledene: [slachtoffer] ., [geboortedatum] -1945.
Op grond van de bevindingen bij gerechtelijke sectie en bestudering van het uitgebreid voorhanden medisch dossier, valt het volgende goed te herleiden: het intreden van de dood van [slachtoffer] , oud 78 jaren, wordt verklaard als gevolg van verhaalde inname of toediening van hoge dosis insuline.

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2023028633, gesloten op 11 januari 2024, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 468.
2.pagina 438.
3.pagina 453.
4.pagina’s 116-118.
5.pagina 17.
6.pagina’s 158-165.
7.pagina 13.
8.pagina’s 389-391.
9.pagina’s 392-404.
10.pagina 151.
11.pagina’s 166-172.