Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:5824

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
03.047798.25 en 03.163504.25 (ttz.gev.)
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 47 SrArt. 57 SrArt. 287 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen poging tot doodslag en mishandeling met gevangenisstraf van 5 jaar

De rechtbank Limburg heeft op 17 juni 2026 uitspraak gedaan in de strafzaak tegen verdachte, die werd verdacht van meerdere feiten waaronder poging tot doodslag en mishandeling.

De feiten betreffen een gewelddadige overval op 14 april 2024 waarbij het slachtoffer [naam 1] meerdere steekwonden opliep en in een hemorragische shock raakte. Verdachte heeft bekend het slachtoffer te hebben gestoken en werd samen met een medeverdachte veroordeeld voor medeplegen van poging tot doodslag. Daarnaast werd verdachte veroordeeld voor medeplegen van mishandeling van [naam 2] op 6 augustus 2024.

De rechtbank sprak verdachte vrij van de primair ten laste gelegde diefstal met geweld en van het feit van diefstal van een telefoon. De straf is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 jaar, lager dan de eis van 10 jaar, mede vanwege het ontbreken van eerdere veroordelingen. Tevens werden schadevergoedingen toegekend voor immateriële schade aan beide slachtoffers, met wettelijke rente en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 5 jaar gevangenisstraf voor medeplegen poging tot doodslag en medeplegen mishandeling, vrijspraak voor diefstal met geweld, en deels toegewezen schadevergoedingen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummers : 03.047798.25 en 03.163504.25 (ttz.gev.)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 17 juni 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,
thans gedetineerd in [P.I.] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. B.M.A. Jegers, advocaat te Heerlen.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 juni 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
Het slachtoffer [naam 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens de benadeelde partij is op de zitting gehoord mr. L.P.H. Hameleers, advocaat te Roermond. De benadeelde partij is niet op zitting verschenen. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.
Het slachtoffer [naam 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens de benadeelde partij is op de zitting gehoord mr. L.H.G. Plezer, advocaat te Echt. De benadeelde partij is niet op zitting verschenen. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.
Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de strafzaak tegen medeverdachte [naam 3] met het parketnummers 03.385809.24, 03.163497.25 (ttz. gev.) en 03.163514.25 (ttz. gev.).

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
Ten aanzien van parketnummer 03.047798.25
Feit 1:op 14 april 2024 in vereniging gepoogd heeft [naam 1] van het leven te beroven welke poging doodslag werd vergezeld van diefstal (primair), dan wel dat hij gepoogd heeft [naam 1] van het leven te beroven (subsidiair), dan wel dat hij [naam 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht (meer subsidiair);
Feit 2:op 14 april 2024 in vereniging een telefoon heeft gestolen, welke diefstal werd vergezeld van geweld;
Ten aanzien van parketnummer 03.163504.25
Feit 1:op 6 augustus 2024 in vereniging een geldbedrag van 1.400,- euro heeft gestolen van [naam 2] , welke diefstal werd vergezeld van geweld (primair) dan wel dat hij [naam 2] heeft mishandeld (subsidiair);

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de feiten 1 primair en 2 onder parketnummer 03.047798.25 bewezen, waarbij geldt dat er sprake is van eendaadse samenloop. Ten aanzien van het feit onder parketnummer 03.163504.25 acht de officier van justitie het primair tenlastegelegde feit bewezen.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ten aanzien van parketnummer 03.047798.25 primair bepleit dat de verdachte integraal vrijgesproken dient te worden. Subsidiair heeft de verdediging zich ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van parketnummer 03.163504.25 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken dient te worden.
3.3
Het oordeel van de rechtbank [1]
Vrijspraak
Ten aanzien van feit 1 primair onder parketnummer 03.047798.25:
Op basis van het dossier is niet vast komen te staan dat er enig goed is weggenomen van het slachtoffer. Nu diefstal niet bewezen is, zal de verdachte vrijgesproken worden van dit feit.
Ten aanzien van feit 2 onder parketnummer 03.047798.25:
Aangever [naam 1] heeft verklaard dat zijn telefoon is weggenomen door een medeverdachte, [naam 4] . Deze verklaring vindt echter onvoldoende steun in het dossier. Aan de hand van het dossier kan daarom niet worden vastgesteld dat de verdachte betrokken is geweest bij het wegnemen van de telefoon. Met de raadsman is de rechtbank daarom van oordeel dat feit 2 niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden en zal de verdachte daarvan vrijspreken.
Ten aanzien van feit 1 primair onder parketnummer 03.163504.25:
Aangever [naam 2] heeft verklaard dat hij in zijn woning werd mishandeld door twee mannen en zij een geldbedrag van 1.400,- euro van hem hebben gestolen. Medeverdachte [naam 5] is meermaals gehoord en heeft in het verhoor van 17 september 2024 verklaard dat de verdachten (
de rechtbank begrijpt: [verdachte] en [naam 3]) tegenover haar hebben toegegeven dat zij het geld op eigen initiatief gestolen hebben. Verdachte [naam 5] is echter niet consistent in haar verklaringen. Haar verklaring ten aanzien van het contact met de verdachte [verdachte] en [naam 3] na de mishandeling wisselt meermaals. Zo zegt zij dat er geen contact meer is geweest na de mishandeling, maar verklaart op een ander moment dat er telefonisch contact was nadien en in een latere verklaring zegt zij dat er een fysieke afspraak geweest zou zijn. Dit maakt dat de verklaringen van [naam 5] niet betrouwbaar zijn en dus niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden. De verklaring van aangever dat het geld gestolen is door de verdachte en medeverdachte vindt daardoor onvoldoende steun in het dossier. Nu het feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden zal de rechtbank de verdachte voor dit feit vrijspreken.
De bewijsmiddelen
Ten aanzien van feit 1 subsidiair onder parketnummer 03.047798.25:
[naam 1]deed
aangifteen verklaarde –zakelijk weergegeven– als volgt: [2]
Plaats delict betreft de [adres 1] , binnen de gemeente
Heerlen. Ik wil aangifte doen van hetgeen er gebeurd is op 14 april 2024, omstreeks 00:00
uur. [naam 6] is een vriendin van mij. Ze was al de hele dag bij mij. Ik had zaterdagavond de voordeur open laten staan en toen kwamen er opeens drie personen binnen stormen. Ik was in de woonkamer en [naam 6] was volgens mij in de keuken. Ik denk dat dit rond 23:00 uur of 00:00 uur zaterdagavond was. De eerste van de drie rende meteen op mij af en begon me te slaan op mijn gezicht. Ik wist deze man middels een heup judo worp weg te duwen. Hierdoor vielen we via de verwarming op de bank. Ik voelde een stekende pijn in mijn linker kuit. Ik zag bloed. Ik wist dat ik gestoken was. Diegene die mij in mijn kuit stak was een andere man dan die met de boksbeugel. Ik had een stekende pijn in mijn kuit en voelde angst. Het was een soort mes waarmee hij stak, het ging zo snel dat ik het mes niet goed kan omschrijven. Ook tegen mijn rechterbeen werd ik geslagen en ik ben toen nog een keer gestoken in mijn linker bovenbeen. Dit was heftig want het bloed spoot eruit. Diegene die mij in mijn kuit stak was een man met kort haar. Ik hoorde in de tussentijd [naam 6] schreeuwen. Ik wist niet wat er met haar gebeurd was. Ik zag bloed uit mijn been spuiten. Ik probeerde dat af te binden met iets. Ik ben naar het balkon gekropen. Nadat ze riepen: "geen politie, anders komen we terug", zijn ze weggegaan. Ik heb zelf mijn been afgebonden. Ik dacht: "Ik bloed leeg". [naam 6] was aan het huilen en was helemaal in paniek. Ik was op het balkon en kreeg geen lucht het was alsof ik geen adem kreeg. Ik heb hulp geroepen en op wanden geklopt en twee dagen later ben ik hier. Een van de mannen die mij mishandeld hebben is [naam 3] . [naam 3] is diegene die mij direct ging slaan met die boksbeugel. De tweede man met kort stekelig fluffie donker grijs haar, was mager, heeft een tenger postuur. Hij is in de 40. 40 a 45 jaar oud. Hij is ongeveer 180 cm. Hij stak mij in mijn been.
[naam 1]werd op 19 juni 2024 opnieuw gehoord, hij
verklaarde– zakelijk weergegeven– als volgt: [3]
Ik was in mijn woning met [naam 6] samen. Ik keek naar links en zag ineens dat [naam 3] op me af kwam lopen. Ik zag nog net in een ooghoek dat [naam 3] mij met zijn vuist sloeg. Ik voelde dat hij mij raakte op mijn linker oor en linker wang. Ik voelde echt een hele harde klap tegen de linkerkant van mijn gezicht. Direct nadat [naam 3] mij raakte voelde ik een pijn. Het was echt een harde klap Ik kon nog net overeind blijven staan. Uit reactie pakte ik [naam 3] vast en gooide hem met een soort heupworp over de bank heen en hij viel op de verwarming achter de tweezitsbank in de woonkamer. Doordat we elkaar vast hadden, viel ik bovenop [naam 3] Ik heb hierna direct van me af geslagen. Ik sloeg [naam 3] en voelde op een gegeven moment een pijnscheut in mijn linkerbeen bij mijn kuit ongeveer. Ik voelde hierna nog een keer zo’n pijnscheut, nu weer in hetzelfde been. Ik viel door de pijn hierdoor naar achteren en belandde in de tweezitsbank Ik keek toen wie er stond en zag [naam 7] en die [verdachte] staan. Ik zag dat [verdachte] een mes vast had. Ik zag dat het mes ongeveer 20 centimeter lang was zonder het handvat. mes. Ik kon het handvat niet zien omdat hij daar zijn hand omheen.
Ik hoorde dat [naam 3] als een bezetene schreeuwde en riep “sla hem.” Ik werd nog een keer of twee gestoken 1 keer in mijn arm en de andere in mijn bovenbeen. Ik zag mijn bloed als een fontein uit mijn been spuiten. Dat was het moment dat ik dacht dat ik dood zou gaan. Toen was ik klaar. Daarna hoorde ik wel die [naam 8] roepen “schatje [verdachte] ." Die [naam 8] stond eigenlijk de hele tijd in een andere ruimte geloof ik. Die [verdachte] heeft mij in mijn bovenbeen gestoken. Ze hebben me nog bedreigd en geslagen. Vooral die [verdachte] die sloeg me zo vaak.
Het
proces-verbaal van bevindingen van 14 april 2024vermeldt –zakelijk weergegeven–: [4]
Op 14 april 2024, omstreeks 00.50 uur, kreeg een politiepatrouille de opdracht om te rijden naar de [adres 2] in Hoensbroek. Daar had zojuist een steekpartij plaats gevonden. Men trof het slachtoffer liggend aan op de grond, voor huisnummer [nummer] . Dit bleek later ook het adres te zijn van het slachtoffer. Men zag dat het slachtoffer flink onder het bloed zat. Door de politiepatrouille werden direct levensverlengend handelen toegepast. Men zag dat er een diepe steekwond in het linkerbeen van het slachtoffer zat. Ik, [naam 9] , paste direct levensverlengend handelen toe. Ik zag dat er een diepe steekwond in het rechterbeen van het slachtoffer zat. Ik voorzag het rechterbeen van een tourniquet. Collega [naam 10] sloot vervolgens aan. Wij zagen dat het rechterbeen niet stopte met bloeden. Wij paste nog een tourniquet toe op het been van het slachtoffer. In de wond stopten wij propgaas en hier deden wij een drukverband omheen. Wij zagen dat er ook een steekwond in het linkerbeen zat. Hier pasten wij ook een tourniquet toe. De wond was te klein om propgaas in te doen. Wij pasten hier een drukverband toe. Wij zagen dat er ook een steekwond in de rechterpols van het slachtoffer zat. Wij pasten ook een tourniquet toe bij deze arm. In de tussentijd kwamen collega's van de ambulance.
De
geneeskundige verklaringvan 29 juli 2024 vermeldt: [5]
Diepe hemorragische shock door multipele steekverwondingen bovenbenen, rechter onderarm en gelaat. Er is sprake van ernstig uitwendig bloedverlies en shock. Op SEH geïntubeerd bij onrust en verminderd bewustzijn.
De
verdachte verklaardeter terechtzitting – zakelijk weergegeven– als volgt:
Het klopt dat ik het slachtoffer gestoken heb.
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de verdachte samen met zijn medeverdachte en twee anderen naar de woning van aangever is gegaan, die woning is binnengestormd en direct na binnenkomst in die woning fors geweld heeft gebruikt jegens het slachtoffer. Het slachtoffer werd geslagen en gestoken. De verdachte heeft bekend dat hij het slachtoffer heeft gestoken. Uit de verklaring van aangever volgt dat dit in eerste instantie gebeurde terwijl zijn medeverdachte in worsteling was met aangever. Aangever heeft verklaard dat hij zag dat verdachte een mes vast had en dat de medeverdachte ‘steek, steek’ en ook ‘sla hem’ heeft geroepen waarna aangever nog één of twee keer gestoken is. Verdachte heeft daarmee een actieve bijdrage geleverd aan het gebruikte geweld door aangever meerdere keren te steken. De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte en de medeverdachte bewust hebben samengewerkt hetgeen kan worden gekwalificeerd als medeplegen. Niet van belang daarbij is welke verdachte welke geweldshandelingen heeft verricht.
Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat het slachtoffer meerdere steekwonden had in zijn benen en pols en hij hierdoor hevig bloedde. De politie heeft acuut levensverlengend handelen moeten toepassen en was genoodzaakt om maar liefst vier tourniquets aan te brengen op het lichaam van het slachtoffer om dit hevige bloeden te stoppen Uit de medische verklaring blijkt dat het slachtoffer in diepe hemorragische shock is geraakt door zijn verwondingen en er een verminderd bewustzijn is geconstateerd. In zijn aangifte verklaarde [naam 1] dat het mes waarmee hij gestoken werd een lemmet van 20 centimeter had.
De rechtbank stelt vast dat het slachtoffer onder meer tijdens een schermutseling op zeer korte afstand meermalen in zijn been en eenmaal in zijn pols gestoken is waardoor er sprake was van veel bloedverlies, hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot de diepe hemorragische shock en verminderd bewustzijn. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte minst genomen het voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van aangever. De rechtbank overweegt daartoe dat zich in de bovenbenen en in de pols (slag)aders bevinden. Door met een dergelijk groot mes in deze lichaamsdelen van aangever te steken had aangever als gevolg van de daardoor ontstane verwondingen kunnen overlijden. Dat dit gevaar zich in deze zaak ook concreet heeft voorgedaan, blijkt wel uit de medische informatie waaruit volgt dat aangever in een hemorragische shock is geraakt. Bovendien kan geen sprake zijn van controle over bedoelde steeklocaties en perforatiedieptes door in een dergelijke, dynamische, ongecontroleerde en chaotische situatie met een mes met een lemmet van 20 cm te steken. Hierdoor is het tijdens een dergelijke schermutseling zeer wel mogelijk dat ook delen buiten het bevonden letselgebied beschadigd
zouden kunnen worden. Gelet op het voorgaande was de kans dat [naam 1] door het handelen van de verdachte en de medeverdachte zou komen te overlijden hierdoor aanmerkelijk, hetgeen temeer klemt, daar zij het slachtoffer in hulpeloze toestand hebben achtergelaten. Alleen door snel medisch ingrijpen van derden is voorkomen dat het slachtoffer daadwerkelijk overleed.
De verdachte moet zich – evenals ieder weldenkend mens – bewust zijn geweest van die aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de gedragingen– het ogenschijnlijk doelbewust met een groot en scherp mes aanvallen van het slachtoffer en hem meermalen op verschillende locaties in het lichaam te steken – naar hun aard en uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van het slachtoffer, dat het – behoudens aanwijzingen van het tegendeel – niet anders kan zijn dan dat de verdachte die kans bewust heeft aanvaard. Van dergelijke aanwijzingen van het tegendeel is de rechtbank niet gebleken.
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging doodslag in vereniging gepleegd, tenlastegelegd als feit 1 subsidiair.
Op basis van het dossier is niet vast komen te staan dat de verdachte en de medeverdachte gebruik gemaakt hebben van een boksbeugel, knuppel of enig voorwerp om aangever op zijn hoofd te slaan. De verdachte zal hiervan partieel vrijgesproken worden.
Ten aanzien van feit 2 onder parketnummer 03.163504.25:
[naam 2] deed
aangifteen verklaarde –zakelijk weergegeven– als volgt: [6]
Op 7 augustus 2024 was ik in mijn woning aan de [adres 3] te Heerlen.
Op 7 augustus 2024, omstreeks 23.00 uur, werd er hard op de deur van mijn kamer
gebonkt. Ik opende de deur en werd direct naar de grond gewerkt door een man zeker
een kop groter dan ik. Dit ging zo ontzettend snel dat ik niet had gezien wie dat was. Ik voelde direct hevige pijn. Ik werd in mijn gezicht geslagen. Ik kan u niet vertellen hoe dat dit is gegaan. Ik heb wel een bebloede lip. Ik voelde ook dat er in mijn rug werd geprikt met een scherp voorwerp.
Het
proces-verbaal van bevindingenvan 7 augustus 2024 vermeldt: [7]
Op 7 augustus 2024 omstreeks 13:15 uur, gingen wij langs de woning van slachtoffer [naam 2] , om te kijken hoe het met hem ging en om te vragen of hij nog aanvullende informatie voor het onderzoeksteam had. Wij zagen dat [naam 2] zichtbaar gespannen/angstig was op het moment dat hij sprak over zijn ex-vriendin [naam 5] . Wij zagen dat [naam 2] nog een opgezwollen lip had en enkele striemen/ rode vegen over zijn lichaam had. In de halsstreek en op zijn schouderblad had [naam 2] een puntje/verwoning, [naam 2] gaf aan dat
dit kwam door het mes welke de verdachten bij zich hadden en waar ze [naam 2] mee gedreigd
hadden. Ook lag er nog bloed op de grond in de kamer van [naam 2] .
Medeverdachte
[naam 5]werd op 22 mei 2025 gehoord en
verklaarde– zakelijk weergegeven– als volgt:
M: In jouw eerdere verklaringen zei je dat je met één persoon een afspraak had gemaakt om je ex, [naam 2] , te bedreigen en als hij zou tegenstribbelen hem dan een klap te geven. Aanleiding hiervoor was dat [naam 2] je chanteerde en jouw leven volledig wilde bepalen, terwijl jullie uit elkaar waren.
V: Als ik dit zo heel kort samenvat, heb ik dat dan correct verwoord?
A: Ja, dat klopt.
M: Jouw intentie kan wel mogelijk blijken uit het bericht: “Iemand klap verkopen dat is alles’’ Dat is echter wat wij kunnen lezen en zegt niets over wat er misschien nog in de auto is besproken of afgesproken, toen je beide mannen naar Heerlen hebt gereden, naar de woning van [naam 2]
V: Waarover is gesproken in de auto toen je beiden mannen naar Heerlen hebt gereden?
A: Letterlijk over mijn situatie thuis, dat ik getreiterd werd en dat ik helemaal op was en dat het moest stoppen.
V: Wat werd er tegen jou gezegd?
A: Dat ze hem even goed hadden aangesproken en dat [naam 2] onder de indruk was.
V: Wie zei dat?
A: Hij.
V: Wie bedoel je met hij?
A: Het is nu toch al te laat. Die [naam 11] .
M: We weten dat [naam 3] één van de daders was en dat hij nog iemand heeft meegenomen voor hulp.
V: Wat kun je over die persoon vertellen? Hoe heet hij, hoe werd hij genoemd, hoe zag hij uit?
A: Ik vond het echt als een junk uitzien. Ik kan hem ook verder niet omschrijven omdat ik hem maar 1 keer heb gezien.
De
verdachte verklaardeter terechtzitting– zakelijk weergegeven– als volgt:
Het klopt dat ik een van de mannen was die aanwezig was in de woning van aangever ten tijde van de mishandeling. Ik ging mee, omdat we niet wisten of hij alleen zou zijn.
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de verdachte en zijn medeverdachte [naam 3] op verzoek van [naam 5] naar het huis van het slachtoffer zijn gegaan, omdat [naam 5] wilde dat zij het slachtoffer een klap zouden verkopen. De verdachte heeft op zitting verklaard dat hij mee ging naar het huis van het slachtoffer, omdat niet bekend was of het slachtoffer alleen zou zijn. De verdachte was op de hoogte van het plan om geweld te gebruiken tegen het slachtoffer en diende als versterking in geval het slachtoffer bezoek zou hebben. Er was sprake van voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen beide verdachten, nu zij samen naar het huis van het slachtoffer gingen met het doel om hem te mishandelen. Niet van belang daarbij is wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. Door het slachtoffer met twee personen in zijn woning te overvallen met geweld is eveneens sprake van een materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht. De verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan het in vereniging mishandelen van het slachtoffer.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
Ten aanzien van 03.047798.25 feit 1 subsidiair:
op 14 april 2024 te Hoensbroek, gemeente Heerlen, tezamen en in vereniging met een ander,
ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om
[naam 1] opzettelijk van het leven te beroven, die [naam 1] op zijn hoofd heeft geslagen en die [naam 1] meermalen met een mes heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Ten aanzien van 03.163504.25 feit 1 subsidiair:
op 6 augustus 2024 te Heerlen tezamen en in vereniging met een ander, [naam 2] heeft mishandeld door die [naam 2] naar de grond te werken en die [naam 2] te slaan en die [naam 2] in de rug te prikken met een scherp voorwerp.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
Ten aanzien van 03.047798.25 feit 1 subsidiair:
medeplegen van poging tot doodslag
Ten aanzien van 03.163504.25 feit 1 subsidiair:
medeplegen van mishandeling
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De straf

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de straf te beperken tot de duur van het voorarrest. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om een fors deel van de straf voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van 2 jaar.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan poging tot doodslag in vereniging gepleegd doordat hij het slachtoffer [naam 1] meermaals met een mes heeft gestoken en mishandeling van slachtoffer [naam 2] , eveneens in vereniging gepleegd.
De verdachte en de medeverdachte hebben de slachtoffers, al dan niet in de nachtelijke uren, op brutale wijze overrompeld in hun huis en hebben grof geweld toegepast met gebruikmaking van een (steek)wapen. De rechtbank houdt er in strafverzwarende zin rekening mee dat de feiten gebeurd zijn in de woning van de slachtoffers en dat dat juist een plek is waar iemand zich veilig en beschut moet kunnen voelen. De verdachten hebben elkaar betrokken in geweldsdelicten waarvoor zij in het geval van slachtoffer [naam 2] werden ‘ingehuurd’. De verdachte had geen persoonlijk conflict met de slachtoffers en gaf aan dat hij hen niet eens kende. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke feiten nog lang de psychische gevolgen van hiervan ondervinden, zoals ook blijkt uit de toelichtingen op de vorderingen tot schadevergoedingen. Bovendien dragen feiten als deze sterk bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Dat [naam 1] door het door de verdachten gebezigde geweld gelukkig niet is komen te overlijden is geenszins aan de verdachte en de medeverdachte te danken. Verdachte en de medeverdachte hebben zich immers niet om het slachtoffer bekommerd en hebben hem hevig bloedend aan zijn lot overgelaten. Door hun handelen hebben zij geen enkel respect getoond voor het lijf of het leven van de slachtoffers.
Gezien de ernst van de feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Ook vanuit algemene preventie is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. De rechtbank acht een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist op zijn plaats, nu deze is gebaseerd op een anders luidende bewezenverklaring.
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van de verdachte, waaruit blijkt dat hij recent niet eerder is veroordeeld voor gelijksoortige feiten.
Alles overwegend vindt de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren passend en geboden, zodat deze straf aan de verdachte wordt opgelegd.
De verdachte verblijft tijdens de gevangenisstraf in een penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1
De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [naam 1] vordert schadevergoeding tot een bedrag van € 20.411,12 ter zake van de feiten onder parketnummer 03.047798.25. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:
  • Samsung S20: € 250,-
  • ziekenhuis daggeld: € 105,-
  • kosten opvragen medische stukken: € 56,12
  • immateriële schade: € 20.000,-
De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij [naam 2] vordert schadevergoeding tot een bedrag van € 7.400,- ter zake van het feit onder parketnummer 03.163504.25. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:
  • gestolen geldbedrag: € 1.400,-
  • immateriële schade: € 6.000,-
De benadeelden hebben verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [naam 1] en [naam 2] met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie acht de verdachte en zijn medeverdachte hoofdelijk aansprakelijk voor de kosten.
7.3
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [naam 1] stelt de verdediging zich op het standpunt dat [naam 1] ten aanzien van de vordering tot vergoeding van de materiele schadeniet-ontvankelijkheid verklaard dient te worden en heeft hij een forse matiging van de immateriële schade bepleit. De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [naam 2] primair op het standpunt gesteld dat hij – gelet op de bepleitte vrijspraak – niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering met betrekking tot het vermeend weggenomen geldbedrag van € 1.400,- nu de verdachten stellig ontkennen dit geldbedrag te hebben weggenomen. De vordering ter zake immateriële schadevergoeding zou aanzienlijk gematigd moeten worden nu de onderbouwing tekortschiet.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [naam 1] :
Nu aan de vordering van de kosten voor de Samsung S20 een feitencomplex ten grondslag ligt waarvoor verdachte niet zal worden veroordeeld, zal de rechtbank de benadeelde niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering.
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt afdoende dat verdachte en zijn mededaders het oogmerk hadden om [naam 1] lichamelijk letsel toe te brengen (artikel 6: 106 lid 1 sub a B.W.). [naam 1] heeft door de poging doodslag daadwerkelijk lichamelijk letsel opgelopen (artikel 6: 106 lid 1 sub b B.W.). Daarmee is de grondslag voor vergoeding van immateriële schade gegeven. Gelet op de aard en omvang van de schade, waaronder blijvende littekenvorming, zal de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid vaststellen op € 7.500,-. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Ten aanzien van het meer gevorderde zal de rechtbank de benadeelde niet-ontvankelijk verklaren.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [naam 2] :
Nu aan de vordering van de materiele schade een feitencomplex ten grondslag ligt waarvoor verdachte niet zal worden veroordeeld, zal de rechtbank de benadeelde niet-ontvankelijk verklaren in die vordering.
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt afdoende dat verdachte en zijn mededaders het oogmerk hadden om [naam 2] lichamelijk letsel toe te brengen (artikel 6: 106 lid 1 sub a B.W.). [naam 2] heeft door de mishandeling daadwerkelijk letsel opgelopen (artikel 6: 106 lid 1 sub b B.W.). Daarmee is de grondslag voor vergoeding van immateriële schade gegeven.
Mede omdat [naam 2] aan dit lichamelijk letsel een litteken heeft overgehouden, zal de rechtbank de omvang van deze vergoeding naar billijkheid vaststellen op € 2.500,-. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. In het meer gevorderde zal de rechtbank de benadeelde niet-ontvankelijk verklaren.
De rechtbank ziet aanleiding om ten aanzien van beide toegewezen vorderingen de schade-vergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr op te leggen. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de dag waarop de delicten zijn gepleegd. De verdachte en zijn medeverdachte zijn op grond van artikel 6:102 B.W. hoofdelijk aansprakelijk voor de schade.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 287, 300 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt de verdachte vrij van de onder parketnummers 03.047798.25 en 03.163504.25 primair ten laste gelegde feiten en feit 2 onder parketnummer 03.047798.25;
Bewezenverklaring
  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
  • verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
  • verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
  • veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 5 jaren;
  • beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [naam 1]
  • wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ten aanzien van feit 1 subsidiair onder parketnummer 03.047798.25 gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [naam 1] , van een bedrag van 7.661,12 euro, bestaande uit 161,12 euro materiële schade en 7.500,00 euro immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
  • veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
  • bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
  • legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [naam 1] , van een bedrag van 7.661,12 euro;
  • bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 63 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit 161,12 euro materiële schade en 7.500,00 euro immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
  • bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt;

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [naam 2]

  • wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ten aanzien van feit 1 subsidiair onder parketnummer 03.163504.25 gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [naam 2] , van een bedrag van 2.500,00 euro, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
  • veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
  • bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
  • legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [naam 2] , van een bedrag van 2.500,00 euro;
  • bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 25 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening:
  • bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.C.A.M. Philippart, voorzitter, mr. D.J.E. Hamers-Aerts en mr. I.P. de Groot, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Hartgerink, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 17 juni 2026.
Buiten staat
Mr. I.P. de Groot en mr. D.J.E. Hamers-Aerts zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
T.a.v. 03-047798-25 feit 1 primair:
Hij op of omstreeks 14 april 2024 in Hoensbroek, gemeente Heerlen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [naam 1] opzettelijk van het leven te beroven, die [naam 1] met een boksbeugel en/of een knuppel en/of enig voorwerp op zijn hoofd heeft geslagen en/of die [naam 1] meermalen met een mes heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
welke poging doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan door enig strafbaar feit, te weten een diefstal met geweld in vereniging, en welke poging doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;
T.a.v. 03-047798-25 feit 1 subsidiair:
hij op of omstreeks 14 april 2024 te Hoensbroek, gemeente Heerlen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om
[naam 1] opzettelijk van het leven te beroven, die [naam 1] met een boksbeugel en/of een knuppel en/of enig voorwerp op zijn hoofd heeft geslagen en/of die [naam 1] meermalen met een mes heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
T.a.v. 03-047798-25 feit 1 meer subsidiair:
hij op of omstreeks 14 april 2024 te Hoensbroek, gemeente Heerlen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [naam 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere steekwonden, heeft toegebracht, door samen met zijn mededaders die [naam 1] met een boksbeugel en/of een knuppel en/of enig voorwerp op zijn hoofd te slaan en/of die [naam 1] meermalen met een mes te steken;
T.a.v. 03-047798-25 feit 2:
hij op of omstreeks 14 april 2024 te Hoensbroek, gemeente Heerlen, in elk geval in Nederland, omstreeks 00:26 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een mobiele telefoon van het type Samsung S20, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [naam 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [naam 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door samen met zijn mededaders gewapend met een boksbeugel, mes en/of knuppel (met pinnen er op) naar de woning van die [naam 1] te gaan en/of die [naam 1] met een boksbeugel en/of een knuppel en/of enig voorwerp op zijn hoofd te slaan en/of die [naam 1] meermalen met een mes te steken;
T.a.v. 03-163504-25 feit 1 primair:
hij op of omstreeks 6 augustus 2024 te Heerlen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geldbedrag van EUR 1400, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [naam 2] naar de grond te werken en/of die [naam 2] te slaan en/of die [naam 2] in de rug te prikken met een scherp voorwerp;
T.a.v. 03-163504-25 feit 1 subsidiair:
hij op of omstreeks 6 augustus 2024 te Heerlen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [naam 2] heeft mishandeld door die [naam 2] naar de grond te werken en/of die [naam 2] te slaan en/of die [naam 2] in de rug te prikken met een scherp voorwerp;

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt ten aanzien van parketnummer 03.047798.25 gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer LB2R024034-56, gesloten op 30 juli 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 557.
2.Proces-verbaal van aangifte d.d. 14 april 2024, pagina 62 t/m 67.
3.Proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 19 juni 2024, pagina 68 t/m 71.
4.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 april 2024, pagina 29.
5.Geneeskundige verklaring d.d. 29 juli 2024, pagina 73 t/m 75.
6.Proces-verbaal van aangifte d.d. 7 augustus 2024, pagina 45.
7.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 augustus 2024, pagina 50 en 51.