ECLI:NL:RBLIM:2026:5833

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
11972395 CV EXPL 25-4758
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Quaedackers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst wegens ernstige vervuiling en overlast in woonruimte

De huurovereenkomst tussen verhuurder en huurder, aangegaan in 2012, betrof een benedenwoning die door de huurder ernstig vervuild werd, met overlast voor omwonenden en gevaarlijke situaties tot gevolg. Vanaf 2017 was sprake van ernstige vervuiling en overlast, die in de loop der jaren toenam, vooral sinds 2020/2021. Diverse instanties, waaronder de gemeente en een professioneel bedrijf, meldden de onhygiënische en onveilige staat van de woning.

De verhuurder vorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming wegens tekortkomingen van de huurder, waaronder vervuiling, overlast en vermeende huurachterstand. De huurder ontkende een huurachterstand en voerde verweer tegen de vorderingen. De kantonrechter oordeelde dat de huurder niet als goed huurder had gehandeld, de vervuiling ernstig en langdurig was, en dat de huurder ondanks hulpverlening niet in staat was de situatie te verbeteren.

De huurachterstand werd afgewezen omdat het indexeringsbeding onredelijk was en de huurder de overeengekomen huurprijs had voldaan. De ontbinding werd toegewezen op grond van niet-nakoming van de verplichtingen als huurder. De huurder werd veroordeeld het gehuurde binnen vier weken te ontruimen. De proceskosten werden gecompenseerd en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en de huurder wordt veroordeeld tot ontruiming binnen vier weken.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11972395 CV EXPL 25-4758
Vonnis van 1 juli 2026
in de zaak van
[verhuurder],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [verhuurder] ,
gemachtigde: mr. I.M.C.R.B. Bongers,
tegen
[huurder],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [huurder] ,
gemachtigde: mr. K. Hoeveler.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- het bericht van [verhuurder] met producties
- de akte overlegging producties van [huurder]
- de mondelinge behandeling van 30 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Partijen hebben spreekaantekeningen ingebracht.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[verhuurder] verhuurt met ingang van 23 oktober 2012 aan [huurder] de woning op de benedenverdieping aan het adres [adres] in [woonplaats] (hierna: het gehuurde).
Boven het gehuurde zijn nog twee appartementen gelegen.
2.2.
De aanvangshuur bedraagt € 700,00 en is bij vooruitbetaling verschuldigd.
2.3.
[huurder] heeft beperkingen. [huurder] wordt begeleid door Radar, in de persoon van mevrouw [begeleidster] .
2.4.
[huurder] is op enig moment begonnen met het verzamelen van spullen.
2.5.
In januari 2025 is [huurder] aangemeld bij het zorg- en veiligheidsoverleg van de [gemeente] wegens een ernstig vervuilde woonsituatie. Bij dit overleg waren handhaving, de politie, de woningstichting en maatschappelijk werk aanwezig. Handhaving heeft hierop [verhuurder] ingelicht over de situatie in het gehuurde.
2.6.
Op 28 maart 2025 heeft [verhuurder] met [huurder] gesproken over de staat van het gehuurde. Hierbij waren ook mevrouw [begeleidster] en de advocaat van [verhuurder] aanwezig.
2.7.
Op 9 april 2025 heeft nogmaals een gesprek plaatsgehad, ditmaal naar aanleiding van een door [verhuurder] ontvangen mail van [bedrijf] , voor zover van belang luidende:
“Omdat u de woningeigenaar bent, bent u voor ons het aanspreekpunt m.b.t. de aangetroffen onhygiënische situatie in deze woning. De woning is zeer smerig, door deze onhygiënische situatie in de woning kunnen onze monteurs hier niet op een verantwoorde wijze werkzaamheden uitvoeren (…). Concreet betekent dit, dat zolang de onhygiënische situatie aanwezig is, een monteur mag weigeren om geen periodiek onderhoud en/of herstelwerkzaamheden bij optredende storingen uit te voeren.”
2.8.
In mei 2025 heeft [begeleidster] een container voor [huurder] geregeld.
2.9.
In juli 2025 ontving [verhuurder] een waarschuwing van de [gemeente] wegens strijdigheid met het Besluit bouwwerken leefomgeving, voor zover van belang luidende:
“Op grond van (…) heeft een ruimte waardoor een vluchtroute voert een vrije doorgang met de ten minste (…) aangegeven breedte en hoogte.
In casu kan hier niet aan voldaan worden doordat de doorgang wordt versperd door de overmatige opslag. Om veilig te kunnen vluchten moet de doorgang vrij worden gemaakt. Ook moet de achtertuin vrij gemaakt worden om veilig te kunnen vluchten (…)
In de woning bevindt zich overmatige opslag aan spullen zodat er geen goed toezicht kan worden gehouden op de algehele staat van het appartement waaronder het gebruik van elektriciteit, kookfaciliteiten en andere voorzieningen. Als er brand uitbreekt kan deze opslag brand zelf bevorderen.
De woning bevindt zich op de begane grond. De bewoners van de bovengelegen appartementen dienen via het (enige) trappenhuis langs de desbetreffende woning te vluchten. (…)”
2.10.
Bij brief van 8 september 2025 heeft [verhuurder] [huurder] gesommeerd binnen twee weken het gehuurde op te ruimen en uit de vervuilde staat te brengen.
2.11.
De boven het gehuurde gelegen appartementen worden niet langer verhuurd en zijn ook anderszins niet langer bewoond. Een van de appartementen staat te koop. [verhuurder] is eigenaar en verhuurder van het pand.

3.Het geschil

3.1.
[verhuurder] vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde met nevenvorderingen.
3.2.
[verhuurder] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [huurder] is in zijn verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door het gehuurde ernstig te vervuilen en (als gevolg daarvan) al jarenlang overlast voor omwonenden te veroorzaken alsmede door een huurachterstand (wegens het niet betalen van de indexering) te laten ontstaan. Deze tekortkomingen rechtvaardigen elk op zich volgens [verhuurder] de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.
3.3.
[huurder] voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Geen eis in reconventie
4.1.
Op de mondelinge behandeling heeft [huurder] desgevraagd verklaart dat het petitum onder II van de conclusie van antwoord niet moet worden gelezen als een vordering in reconventie (hetgeen de kantonrechter ook niet heeft gedaan; [verhuurder] is ook niet in de gelegenheid gesteld hierop te antwoorden). Er ligt kortom geen eis in reconventie voor.
Toetsingskader
4.2.
Het uitgangspunt is dat [huurder] zich als goed huurder moet gedragen. Dit betekent dat [huurder] zich moet houden aan zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst, de algemene voorwaarden en de wet. Indien [huurder] deze verplichtingen niet nakomt, kan dit reden zijn om de huurovereenkomst te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. [1]
4.3.
De kantonrechter is met [verhuurder] van oordeel dat [huurder] zich niet heeft gedragen als goed huurder. De door [verhuurder] gestelde structurele en ernstige vervuiling en overlast is voldoende komen vast te staan. Hiertoe is het volgende redengevend.
Situatie van 2017 tot 2022
4.4.
[huurder] stelt dat het verzamelen van spullen eerst een aanvang heeft genomen sinds corona, toen hulpverlening wegviel, maar hij betwist niet (gemotiveerd) dat al in 2017 sprake was van een ernstig vervuilde staat, met (klachten inzake) overlast (in de vorm van stank en ongedierte) voor omwonenden tot gevolg. Ter onderbouwing heeft [verhuurder] emailberichten van de voormalige bovenburen van [huurder] ingebracht. Die verklaringen zijn niet dan wel onvoldoende weersproken, waarmee de kantonrechter aanneemt dat de bovenburen in ieder geval stankoverlast ervoeren van huisdieren van [huurder] (hond, konijnen). Daarnaast zijn in die periode al ratten in de tuin en berging waargenomen.
4.5.
Daarmee wordt als vaststaand aangenomen dat de woning in 2017 (zeer) ernstig was vervuild, met overlast tot gevolg. [verhuurder] is al in 2017 hierover diverse gesprekken met [huurder] aangegaan, waarbij [huurder] erop is gewezen dat de situatie diende te veranderen.
4.6.
In de jaren daarna is niet meer geklaagd of anderszins. De kantonrechter begrijpt hieruit dat de situatie (redelijk) onder controle was, tot aan corona (2020/2021). In die periode is [huurder] naar eigen zeggen begonnen met het verzamelen van spullen.
Situatie van 2022 tot oktober 2025
4.7.
[huurder] heeft niet betwist dat hem in 2022 is aangezegd de tuin en het terras op te ruimen, omdat het voor [verhuurder] te onhygiënisch was om daar werkzaamheden te verrichten. In 2022 was kortom in ieder geval de tuin en het terras ernstig vervuild.
4.8.
Uit de aanmelding bij het zorg- en veiligheidsoverleg alleen al blijkt genoegzaam dat het gehuurde in januari 2025 zeer ernstig was vervuild. [begeleidster] heeft op de mondelinge behandeling hieromtrent nog verklaard dat de handhavers met de brandweer in het gehuurde zijn geweest en in de woning een pad hebben vrijgemaakt. De kantonrechter begrijpt dat die vervuiling niet van de een op de andere dag is ontstaan en dat hieraan dus een langere periode vooraf moet zijn gegaan.
4.9.
[huurder] betwist ook niet dat vervolgens in maart 2025 tussen partijen een gesprek heeft plaatsgevonden over de ernstig vervuilde staat en overlast. [verhuurder] heeft foto’s ingebracht van het terras en tuin (toen hij de trap heeft gerealiseerd) van april 2025. Ook op die foto’s is zeer duidelijk een ernstig vervuilde staat van de tuin en terras zichtbaar.
4.10.
[bedrijf] spreekt in april 2025 van een zeer smerige, onhygiënische staat in het gehuurde. Anders dan [huurder] , kan de kantonrechter hier niets anders van maken.
[verhuurder] heeft een verklaring ingebracht van een de bewoners van de bovengelegen appartementen van 9 april 2025, waaruit is op te maken dat al vaker is geklaagd over een onhygiënische staat, dat de stank inmiddels ondraaglijk is en dat de situatie ernstig is verergerd. Die verklaring vindt aldus overwegend steun in de verklaring van [bedrijf] uit dezelfde periode en de stukken van de gemeente. De kantonrechter heeft daarmee geen aanleiding om aan die verklaring voorbij te gaan. Uit die verklaring is ook op te maken dat de vervuiling zich al over een langere tijd voordoet.
4.11.
Gelet op het waarschuwingsbesluit in juli 2025, is de situatie een half jaar nadien nog steeds zorgelijk. [huurder] brengt hiertegen in dat de vluchtroute niet tot het gehuurde behoort, maar betwist niet gemotiveerd dat het zijn spullen zijn die (zelfs ook) in de gemeenschappelijke gang staan, zodat dit wel wordt aangenomen. Dit ondanks dat in de periode ervoor een grote hoeveelheid rommel en vuilnis in één keer middels een voor het gehuurde geplaatste container is, of kon worden, afgevoerd en hij daarnaast hulp had van [begeleidster] om wekelijks vuilniszakken af te voeren. [begeleidster] heeft op de mondelinge behandeling, aldus een jaar nadien, hieromtrent nog verklaard dat nu (pas) de helft is opgeruimd. Dit impliceert dat het gehuurde thans nog altijd te veel rommel bevat.
4.12.
[verhuurder] heeft onderbouwd dat de voormalig huurder boven het gehuurde op 31 juli 2025 heeft aangegeven dat rattensporen zijn aangetroffen. Verder is een verklaring van september 2025 ingebracht van de buurvrouw dat er een dode rat ligt en dat er veel spullen tegen de schutting zijn geplaatst. De kantonrechter heeft geen aanknopingspunt om die verklaringen niet in verband te brengen met de staat van het gehuurde.
4.12.1.
[verhuurder] heeft daarnaast ook een verklaring van 27 oktober 2025 van de bewoonster van het appartement boven het gehuurde ingebracht, die aangeeft dat sprake is geweest van overlast over de afgelopen jaren en vooral de afgelopen maanden. [verhuurder] heeft verder een verklaring ingebracht van kort daarvoor, 16 oktober 2025, waarin is aangegeven dat de stank- en rattenoverlast reeds meerdere jaren, en nog altijd, aanwezig is en dat het gehuurde, zowel binnen als buiten, een broeinest is van ongedierte. Er worden ook honden en vogels gehouden die geen daglicht zien, aldus die verklaring. Deze persoon heeft verder aangegeven uit angst voor repercussies van [huurder] anoniem te verklaren - maar [verhuurder] heeft evenwel aangeboden deze persoon zo nodig als getuige te doen oproepen. De kantonrechter heeft geen aanleiding om die verklaring terzijde te stellen, nu de inhoud past in het geheel van feiten en omstandigheden. [huurder] brengt hier uitsluitend tegen in dat hij niemand bedreigt.
4.13.
[verhuurder] heeft ook onderbouwd dat in 2024 en in 2025 bij de gemeente meldingen zijn gedaan van overlast. [huurder] brengt hier slechts tegen in dat uit de emailberichten van de gemeente hierover niet blijkt niet om welke vorm van overlast het zou gaan. [huurder] betwist hiermee evenwel niet dát er over hem is geklaagd en, gezien het geheel, acht de kantonrechter het toch ten zeerste aannemelijk dat die klachten samenhangen met de vervuiling in de woning en/of tuin.
4.14.
De kantonrechter kan hieruit niet anders opmaken dan dat, anders dan [huurder] stelt, de vervuiling niet iets was van slechts een korte periode. Al in 2017 was ervan sprake. Vanaf 2020/2021 is de vervuiling (al dan niet langzaam) toegenomen. Vanaf (minimaal) eind 2024 is de (verzamelwoede en daarmee) vervuiling over een langere periode zeer ernstig te noemen. Omwonenden hebben over een langere periode ernstige overlast ondervonden. Er is ook een professioneel bedrijf ingeschakeld om de geur tegen te gaan, hetgeen de ernst van de stank alleen maar bevestigt.
4.15.
Niet alleen de voormalige huurder van de woning boven de woning klaagt over rattensporen in het gehuurde, ook de buurvrouw klaagt over ratten. Dat de ratten afkomstig zouden zijn van de riolering, zoals [huurder] heeft gesteld, blijkt nergens uit. Zo is al vanaf 2017 geklaagd over ongedierte en blijkt nergens uit dat [huurder] of een andere bewoner (bij [verhuurder] of anderszins) heeft geklaagd over de riolering. Gelet op de verklaringen wordt de link telkens uitsluitend gelegd met het gehuurde. Hiermee is, naast overlast, sprake van gevaar voor ziektes.
4.15.1.
[verhuurder] stelt dat ook sprake was van een onveilige situatie voor [huurder] en omwonenden en verwijst hiervoor naar een mail van [bedrijf] van 2 oktober 2025, waaruit is op te maken dat [bedrijf] geen contact krijgt met [huurder] om onderhoudswerkzaamheden aan de CV-ketel te verrichten. Ook de gemeente wijst op het niet goed toezicht kunnen houden van de algehele staat waaronder het gebruik van elektriciteit, kookfaciliteiten en andere voorzieningen en dat, bij brand, de opslag de brand kan bevorderen, met gevaar ook voor de bewoners van de bovengelegen appartementen. Daarmee wordt aangenomen dat sprake is van een door [huurder] gecreëerde onveilige situatie.
4.15.2.
Verder is ten zeerste aannemelijk dat de ernstige vervuiling tot schade heeft geleid aan het gehuurde. Dat er geen schadevordering voorligt (al dan niet omdat de schade thans nog niet is te begroten), maakt dit niet anders.
4.16.
Naar het oordeel van de kantonrechter is de ernstige structurele verwaarlozing van het gehuurde, met als gevolg overlast, gevaarzetting voor omwonenden en al dan niet nog eventuele schade, in beginsel voldoende grond voor toewijzing van de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst. De tekortkoming in het verleden kan niet ongedaan worden gemaakt. Nu [verhuurder] genoegzaam heeft gesteld en met meerdere, ook objectieve, stukken heeft onderbouwd dat het gehuurde - zowel binnen als buiten - ernstig was vervuild, had het hier op de weg van [huurder] gelegen om te onderbouwen dat die situatie zich niet (langer) voordoet. Een deugdelijke onderbouwing daarvan is, ook na de dagvaarding, uitgebleven.
4.16.1.
Zo heeft [huurder] bij antwoord weliswaar twee foto’s ingebracht van het terras en tuin begin 2026, maar deze maken nog alleszins geen verzorgde indruk. Zo zijn meerdere winkelkarren en andere stapels rommel zichtbaar, waarvan [huurder] kennelijk geen afscheid kan nemen. [verhuurder] heeft op zijn beurt een foto van maart 2026 ingebracht, kennelijk genomen door de buur. Hierop is een deel van het terras te zien dat grenst aan de tuindeur. Er staat een bankje met bovenop en rondom meerdere, niet schoongemaakte lege vogelkooien. Op de tegels liggen overal broednetjes voor vogels en andere rommel. De tegels bij de achterdeur zijn smerig. Ook in maart 2026 heeft de gemeente nog een overlastmelding ontvangen. [verhuurder] heeft verder een bericht van 16 april 2026 ingebracht van de makelaar. De makelaar geeft aan dat er genoeg interesse is voor het appartement boven het gehuurde, maar dat er na bezichtiging geen terugkoppeling meer komt anders dan dat ze melding maken van de indringende geur in de centrale entreehal en de rommelige achtertuin. [huurder] brengt hiertegen in dat het de taak van [verhuurder] is om de algemene ruimten beter schoon te maken, maar betwist hiermee niet dat die geur in de centrale entreehal aanwezig is en vanuit het gehuurde komt. Dit wijst er veeleer op dat het binnen in het gehuurde nog altijd sterk vervuild is.
4.16.2.
[huurder] heeft verder een foto ingebracht van de staat van het terras op 21 april 2026. Er is niet meer veel rommel te zien, maar het terras geeft alleszins nog altijd blijk van een mate van vervuiling. Daarbij wordt slechts een klein hoekje van het terras in beeld gebracht, hetgeen de vraag oproept of de rommel/vervuiling niet is verplaatst naar de tuin en hoe de rest er dan bij ligt omdat hier geen foto’s van zijn ingebracht.
4.16.3.
Daarbij is het juist voor [huurder] makkelijk om de staat van het gehuurde te onderbouwen met bijvoorbeeld foto’s. [huurder] heeft geen enkele verklaring gegeven waarom er geen foto’s van in het gehuurde (binnen) zijn ingebracht. De foto’s die wél zijn ingebracht, wekken aldus al niet de indruk dat de boel op orde is. Het inbrengen van foto’s of ander bewijs van binnen in het gehuurde kon hier wel degelijk van [huurder] worden verlangd. Het feit dat er juist geen foto’s zijn ingebracht, en op de mondelinge behandeling ook geen directe medewerking is verleend aan het voorstel om het gehuurde te bekijken (waarbij ook de door hem gestelde gebreken bekeken konden worden), overtuigt geenszins dat het gehuurde op orde is, anders dan wellicht de ruimte waar [begeleidster] tweewekelijks komt. De kantonrechter begrijpt dat [begeleidster] maar een klein gedeelte van het gehuurde ziet. De foto’s van het terras en tuin die wel zijn ingebracht zijn immers niet te rijmen met haar verklaring dat het er wel opgeruimd is. Daarbij betwist [huurder] aldus niet dat in de gang nog altijd een indringende geur hangt. [huurder] heeft overigens ook niet gesteld dat hij inmiddels zijn honden en of andere huisdieren heeft weggedaan en hij betwist ook niet dat, zoals uit een van de verklaringen blijkt, die dieren volledig binnen worden gehouden.
4.17.
De kantonrechter stelt vast dat [huurder] , zelfs met hulp, niet in staat is om het gehuurde uit de vervuilde staat te brengen en houden. Hij ontvangt naar eigen zeggen al langdurig hulp van Radar en vanuit de Wmo. Dit alles heeft niet ertoe geleid dat er geen sprake meer is van vervuiling en overlast of tot een concrete gedragsverandering. [huurder] is over de jaren heen meermaals gewaarschuwd. [huurder] geeft met name ook geen enkele blijk van erkenning van de ernst van de staat van de woning. Hij wentelt de schuld voor de geur in de gang op [verhuurder] af en voelt zich niet verantwoordelijk voor de rommel in de tuin (omdat die formeel niet tot het gehuurde zou behoren), maar gaat daarmee voorbij aan het feit dat die overlast door zijn onaangepaste gedrag komt. [huurder] bagatelliseert de ernst en lijkt zich niets van de gevolgen voor omwonenden aan te trekken. Het woongenot van omwonenden wordt geschaad en de veiligheid is in geding. Voor de kantonrechter is ook in het ongewisse of [huurder] in de toekomst hulp zal blijven aanvaarden. Verdere vormen van hulpverlening zijn eerst laat, vanaf september 2025 in gang gezet (toen de procedure in het verschiet lag).
4.18.
[verhuurder] wist bij aanvang dat [huurder] geen doorsnee huurder was. [huurder] heeft van [verhuurder] veel kansen gekregen en [verhuurder] heeft meer dan het nodige geduld getoond. De kantonrechter begrijpt dat bij [verhuurder] het begrip op is. Naar het oordeel van de kantonrechter kan in dit geval van een kleine particuliere verhuurder niet meer worden verlangd. De gemeente heeft aan [verhuurder] net nog geen boete opgelegd en omwonenden blijven klagen. [verhuurder] was genoodzaakt om bij geen verbetering een procedure te starten. Het is overigens duidelijk dat er niet alleen sprake is van schade in het gehuurde, maar ook de woning erboven wordt moeilijk verkocht en [verhuurder] heeft verklaard dat hij het andere appartement niet meer kan verhuren vanwege de overlast. [verhuurder] heeft erop gewezen dat de schade wellicht niet op [verhuurder] kan worden verhaald en dat hoe langer de situatie voortduurt de groter de schadepost is. Van [verhuurder] kan al met al niet worden verlangd dat hij de huurrelatie nog langer voortzet. Alles afwegende, is de kantonrechter van oordeel dat de belangen van [verhuurder] hier beduidend zwaarder wegen dan de belangen van [huurder] .
4.19.
De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst zal op grond van het voorgaande worden toegewezen. [huurder] zal worden veroordeeld het gehuurde te ontruimen op een termijn van vier weken na betekening van het vonnis. De kantonrechter is van oordeel dat dit een redelijke termijn is om aan de veroordeling te voldoen.
4.20.
Gezien het vorenstaande komt de kantonrechter niet toe aan het bewijsaanbod om omwonenden te doen horen.
4.21.
De stelling van [huurder] dat er gebreken zouden zijn aan het gehuurde, maakt het vorenstaande niet anders. Die gestelde gebreken houden geen verband met de vervuiling en overlast. Die beweerde gebreken hoeven hier geen beoordeling. Er ligt ook geen vordering in reconventie voor en [huurder] dient het gehuurde te verlaten.
4.22.
Er bestaat geen aanleiding om, zoals verzocht, [huurder] nog een laatste kans te geven. Daarvoor is de tekortkoming, die ook niet ongedaan kan worden gemaakt, te ernstig.
Geen huurachterstand
4.23.
[verhuurder] heeft daarnaast betaling van een huurachterstand gevorderd.
4.24.
De huurovereenkomst is gesloten met een consument ( [huurder] ). Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13/EEG (de Richtlijn oneerlijke bedingen).
4.25.
Het voor de vordering relevante beding in artikel 4 van Pro de huurovereenkomst is getoetst en oneerlijk bevonden. Dit artikel luidt als volgt:
“De huurprijs zal jaarlijks op 1 juli met het hiervoor geldende percentage (dit wordt vastgesteld door het ministerie van I en M) worden verhoogd. (±2%). De eerste keer zal dit gebeuren op 1 juli 2013.”
4.25.1.
Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu indexeerde destijds geen huurprijzen, zodat niet duidelijk is welk percentage van toepassing is verklaard. Daarnaast is circa 2% onvoldoende bepaalbaar. Dat [huurder] een aantal jaren de door [verhuurder] berekende indexering zonder protest heeft voldaan, maakt het vorenstaande dit niet anders. Het vorenstaande betekent dat het beding moet worden vernietigd.
4.25.2.
Vaststaat dat [huurder] altijd in ieder geval de overeengekomen huurprijs van € 700,00 (of meer) heeft betaald. Daarmee is geen sprake van enige huurachterstand. In dit opzicht is aldus dan ook geen sprake van enige tekortkoming die - op zichzelf of in samenhang - een ontbinding van de huurovereenkomst kan rechtvaardigen. De ontbinding wordt hier evenwel al volledig op grond van niet goed huurderschap toegewezen, zodat dit de beslissing niet anders kan maken. De vordering om [huurder] te veroordelen tot het betalen van € 3.756,00 aan achterstallige huur over de periode tot en met oktober 2025, is daarmee niet toewijsbaar en zal worden afgewezen.
4.26.
[verhuurder] wenst ook dat [huurder] wordt veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag van € 829,00, te rekenen vanaf de maand november 2025 tot het moment dat [huurder] het gehuurde ontruimt. Dit is de huurprijs per maand en na het ontbinden van de huurovereenkomst is dit een gebruiksvergoeding voor de tijd dat [huurder] nog in het gehuurde verblijft. Deze vordering is in beginsel toewijsbaar, ware het niet dat niet de juiste huurprijs is gehanteerd (en een lager bedrag niet is gevorderd). Daarbij heeft de kantonrechter ook geen aanknopingspunt om aan te nemen dat [huurder] de (wel toepasselijke) huurprijs resp. vergoeding gelijk daaraan niet zal betalen, nu geen sprake is van een huurachterstand. Deze vordering zal daarom eveneens worden afgewezen.
4.27.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4.28.
De beslissing zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Er moet zo snel mogelijk een einde komen aan de vervuilde staat van de woning, met overlast, schade en onveiligheid tot gevolg.
5. De beslissing
De kantonrechter
5.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het adres [adres] in [woonplaats] ,
5.2.
veroordeelt [huurder] om binnen vier weken na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [verhuurder] zijn, en de sleutels af te geven aan [verhuurder] ,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.

Voetnoten

1.Artikel 6:265 BW Pro.