ECLI:NL:RBLIM:2026:5839

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
C/03/346331 / HA ZA 25-444
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • De Bruijn
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:758 lid 1 BWArt. 6:6 BWArt. 6:96 lid 2 sub c BWArt. 6:96 lid 6 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Termijnen aanneemsom opeisbaar ondanks klachten over uitvoering tuin met zwembad

De zaak betreft een geschil tussen een hoveniersbedrijf en opdrachtgevers over de betaling van termijnen van een aanneemsom voor de aanleg van een tuin met zwembad.

De overeenkomst werd gesloten in maart 2024, met een aanneemsom van €99.000 exclusief btw, te betalen in vijf termijnen gekoppeld aan voortgangsfasen. De aannemer startte in mei 2024 met de werkzaamheden. De opdrachtgevers uitten vanaf juni 2024 klachten over de uitvoering van het zwembad, waaronder afwijkingen in ontwerp en uitvoering.

De rechtbank oordeelt dat de termijnen drie en vier opeisbaar zijn omdat de werkzaamheden tot en met de verharding en het gazon voldoende zijn gevorderd, ondanks de klachten over de kwaliteit. De vijfde termijn is niet opeisbaar omdat geen eindoplevering heeft plaatsgevonden. De meerwerkfactuur wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De opdrachtgevers worden veroordeeld tot betaling van €33.117,30 plus rente en proceskosten, terwijl hun eigen vorderingen worden afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de opdrachtgevers tot betaling van de opeisbare termijnen drie en vier, inclusief rente en proceskosten, en wijst de overige vorderingen af.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/346331 / HA ZA 25-444
Vonnis van 24 juni 2026
in de zaak van
V.O.F. [de aannemer],
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de aannemer] ,
advocaat: mr. W.J.M. Sprangers,
tegen

1.[opdrachtgever 1] ,2. [opdrachtgever 2] ,

beiden te [woonplaats] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [de opdrachtgevers] c.s.,
advocaat: mr. J.A. Veldkamp.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 26 maart 2026,
- de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling door mrs. Sprangers en Veldkamp voorgedragen spreekaantekeningen,
- de akte van [de aannemer] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[de aannemer] exploiteert een hoveniersbedrijf. Zij heeft op 13 februari 2024 aan [de opdrachtgevers] c.s. een offerte uitgebracht voor – kort gezegd – het aanleggen van een achtertuin met zwembad. [1] Deze offerte is – met een enkele door [de aannemer] geaccordeerde aanpassing – namens [de opdrachtgevers] c.s. geaccepteerd op 2 maart 2024, waarmee tussen partijen een overeenkomst van aanneming van werk tot stand is gekomen. Onderdeel van de offerte is een tekening van het tuinontwerp en een schets van het zwembad met daarbij de afmetingen vermeld.
2.2.
De offerte is onderverdeeld in verschillende posten, genummerd 1 tot en met 16. Post 4 betreft de aanleg van de zwemvijver, ten aanzien waarvan onder post 4.3 het volgende in de offerte staat:
2.3.
De totale aanneemsom zonder meerwerk bedraagt € 99.000,00 exclusief btw. In de offerte is opgenomen dat betaling moet plaatsvinden in vijf termijnen volgens het volgende schema:
- 20% bij opdrachtverstrekking,
- 30% vóór aanvang van de werkzaamheden,
- 30% na het gereedkomen van de verharding,
- 10% na het gereedkomen van het gazon,
- 10% na de eindoplevering.
2.4.
[de aannemer] is op 13 mei 2024 aangevangen met de uitvoering van de overeengekomen werkzaamheden. De eerste twee termijnbetalingen – van in totaal 50% van de aanneemsom – zijn gefactureerd en betaald.
2.5.
Op 15 juni 2024 hebben [de opdrachtgevers] c.s. per e-mail [2] aan [de aannemer] laten weten dat zij klachten hebben over de uitvoering van de werkzaamheden aan het zwembad. Zij omschrijven een en ander als volgt:
‘(1) het ontbreken van de Styrofoam, (2) het bankje dat nu gemaakt is van wandpaneel ipv van betonblokken, (3) de onjuiste plaatsing van de verlichting, (4) het feit dat er één
wateroppervlak moet zijn en (5) het ontbreken van een volledig voorbereid en genummerd plan. Ook blijkt uit deze tekening onder andere (6) en onjuiste maatvoering (en verhouding) van het filtergedeelte (zowel lengte als breedte), (7) het ontbreken van een deel van het filtergedeelte en (8) zoals al besproken, de onjuiste plaatsing van de pompmodule (deze opsommingen zonder het oogmerk volledig te zijn).
Daarnaast bespraken we (9) dat de voor de verlichting onjuist gemaakte gaten in de wanden slechts provisorisch met pur zijn dichtgemaakt.’
2.6.
In vervolg op de discussie tussen partijen over de klachten van [de opdrachtgevers] c.s. vragen [de opdrachtgevers] c.s. bij e-mail van 20 juni 2024 een nieuwe technische tekening. Op 21 juni 2024 heeft [de aannemer] een technische tekening van het zwembad per e-mail aangeleverd [3] . Op 22 juni 2024 maken [de opdrachtgevers] c.s. per e-mail opmerkingen over – wat zij noemen – het gewijzigd ontwerp en stellen zij enkele vragen, waarop [de aannemer] op 24 juni 2024 reageert [4] . Hieronder worden een vraag (V) en opmerking (O) van [de opdrachtgevers] c.s. geciteerd met daaronder de reactie (R) van [de aannemer] .
V: We ontvangen nog steeds graag een antwoord op ons verzoek van donderdagavond 20 juni 2024, 18:39: maak een nieuwe technische tekening die hieraan voldoet: een
rechthoekige vijvervolgens de
afgesproken afmetingen,
overal even diepmet de
juiste pompen
op de juiste plek de in- en uitlaten van de pompzodat er nergens stilstaand water ontstaat en de
verhouding tussen regeneratie- en zwemgedeelte klopt volgens het Gardenswim-principe.
R: Wij kunnen geen nieuwe technische tekening maken die met de rechthoekige vijver en de afmetingen in het ontwerp overal even diep is en aan het GardenSwimm-principe voldoet. Het zwembad is te klein om het goed helder te kunnen houden met een natuurlijk werkend filter. Door het kleine volume speelt de temperatuur in de zomer een grote rol. Daardoor moet ik optimaal gebruik kunnen maken van de filtercapaciteit en de doorstroming daarvan. Een zwemvijver met helofytenfilter heeft een doorstroming van 3 tot 4 maal per etmaal. Hier heb ik een doorstroming van 1 keer per uur nodig.
O: Alhoewel in de overeenkomst is opgenomen "Planvorming maken technische tekening en uitwerking technische constructie zwemvijver" ad €1.815 ex btw en "e.e.a. wordt volledig voorbereid en genummerd geleverd", hebben we dit nooit ontvangen voor het afgesproken ontwerp. We hebben dit alleen ontvangen voor het nu geleverde, foute bad en het nu gestuurde, afwijkende ontwerp. Dit zien we graag tegemoet.
R: Doordat tegenwoordig de pompput voorgemonteerd geleverd wordt (voorheen was dit anders en werd dit terplekke gemonteerd), de wandplaten gezet worden aan de hand van de platte grond is dit de enige tekening waarmee men op pad wordt gestuurd. Alle berekeningen betreffende grote regeneratie deel t.o.v. zwemgedeelte, grote van de filterset en capaciteits berekening van de pomp liggen bij Gardenswimm en worden nog aangeleverd. Doordat een groot gedeelte wordt voorgemonteerd en tegenwoordig ook met
de ondersteuning van monteur Garden Swimm (wat voorheen ook niet was) is de nummering niet meer van toepassing. Toegegeven een ietwat ongelukkige omschrijving in deze.
2.7.
Op 24 juni 2024 levert [de aannemer] per e-mail nog een andere tekening aan van een ontwerp waarbij de diepte van het zwembad overal gelijk is. De volledige toelichting [5] luidt als volgt:
‘Bijgaande tekening heb ik vanavond op uitdrukkelijk verzoek nog ontvangen van GardenSwimm. Deze tekening voldoet aan uw wens om het filtergedeelte over de gehele lengte en diepte te construeren in 1 'bak'. Dit is wel een ander systeem. Bij dit systeem moeten de planten 1x per 4 a 5 jaar gescheurd en opnieuw opgezet worden en het topsubstraat vervangen.
In dit systeem wordt gebruik gemaakt van dezelfde pomp, maar doordat er meer weerstand is, is ook de doorstroom langzamer en het systeem veel gevoeliger voor algvorming.
Ook komt er een andere samenstelling van planten in te staan.’
2.8.
Per e-mail van 25 juni 2024 [6] informeert [de aannemer] [de opdrachtgevers] c.s. over nog een andere optie en geeft daarbij de volgende toelichting:
‘Hierbij dan de tekening van de zwemvijver met het filtergedeelte over de hele bakdiepte i.c.m. het Tecosysteem in lijn.
Om het systeem goed te laten functioneren zijn er 10 filterbuizen nodig. Dat is het uitgangspunt. De onderlinge afstand
ussen de buizen móet gelijk zijn en bedraagt 45 cm. om het systeem goed te laten functioneren. De lengte van de zwemvijver zou dus i.p.v. 5,50 m. 6,24 m. worden.
We kunnen niet maar 8 buizen in lijn zetten en er 2 naast plaatsen. Dat heb ik nog expliciet nagevraagd.’
2.9.
In reactie op de tekeningen en toelichtingen van 21, 24 en 25 juni 2024 sturen [de opdrachtgevers] c.s. op 27 juni 2024 een aan [de aannemer] , per e-mail bezorgde, brief [7] . Wat er volgens hen ten aanzien van het zwembad overeen is gekomen, noemen zij daarin ‘het Afgesproken Ontwerp’ en de uitvoering volgens de tekening van 21, 24 en 25 juni 2024 respectievelijk ‘Alternatief 1, 2 en 3’. Enkele relevante onderdelen uit de brief luiden als volgt:

Het Afgesproken Ontwerp
Uit uw mail van maandag 24 juni 2024, 17:35, begrijpen wij dat de zwemvijver niet gemaakt kan worden zoals wij op 2 maart 2024 met u zijn overeengekomen. Wij vinden dit erg spijtig. Ook vinden we het erg jammer dat we hierover niet eerder zijn geïnformeerd, bijvoorbeeld direct op 7 juni 2024 toen wij zagen dat er niet volgens het Afgesproken Ontwerp werd gebouwd of in de periode hierna toen wij hier meerdere malen expliciet naar hebben gevraagd. Kennelijk was dit echter al duidelijk voordat wij de overeenkomst tekenden, aangezien u aangeeft: "Het zwembad is te klein om het goed helder te kunnen houden met een natuurlijk werkend filter", een en ander conform het GardenSwimm Tecofilter principe.
(…)
Alternatieven
De door u gepresenteerde alternatieven stuiten voor ons op grote bezwaren. Zoals u bekend is, hebben we destijds heel bewust een keuze gemaakt voor het GardenSwimm Tecofilter ontwerp in combinatie met de inpasbaarheid in onze tuin. Hierdoor zijn Alternatieven 2 en 3 geen redelijk alternatief, vanwege bijvoorbeeld het intensievere en kostbaarder onderhoud respectievelijk de inpasbaarheid in de tuin en het moeten aanpassen van de nu al gemaakte constructie (het aanstorten van fundering).
Ook Alternatief 1 stuit op bezwaren vanwege de bouwkundige complexiteit en de onzekerheid over de bruikbaarheid en de extra kosten, bijvoorbeeld het moeten toepassen van een andere pomp voor het waterornament. U geeft aan om dit alternatief visueel in overeenstemming te brengen met de overeengekomen zwemvijver, maar technisch en bouwkundig zal ook dit Alternatief 1 op essentiële onderdelen afwijken van het Afgesproken Ontwerp. Als gevolg is er meer kans op lekkage van de vijver, zal de duurzaamheid verminderen en zal de bruikbaarheid voor ons afnemen.’
Als voorstel om tot een oplossing te komen wordt aan [de aannemer] een vaststellingsovereenkomst voorgehouden waarin is opgenomen dat het zwembad wordt uitgevoerd volgens ‘Alternatief 1’ (de tekening van 21 juni 2024) en aan [de opdrachtgevers] c.s.
€ 20.000,00 wordt terugbetaald.
2.10.
In reactie op de brief van 27 juni 2024 mailt [de aannemer] op 3 juli 2024 het volgende aan [de opdrachtgevers] c.s.:
‘N.a.v. de door u gestuurde mail met de samenstellingsovereenkomst op 27 juni hebben wij
juridisch advies ingewonnen.
Alles overwegende hebben wij besloten om de vaststellingsovereenkomst niet te ondertekenen.
Hierover zult u nog schriftelijk bericht ontvangen.
De werkzaamheden willen wij graag hervatten waarbij wij de zwemvijver willen uitvoeren conform
de door ons aangeleverde tekening op 21 juni.’
waarop [de opdrachtgevers] c.s. dezelfde dag als volgt antwoorden:
‘Wij ontvingen uw onderstaande mail en kunnen u sinds vanochtend telefonisch niet meer bereiken. Het is zorgelijk dat kennelijk een en ander uwerzijds nu via een jurist wordt gestuurd en alle verdere communicatie is verbroken. Omdat u aangeeft dat u het werk wilt hervatten, gaan we er vanuit dat u uiterlijk morgen om 8.30 weer hier aan het werk bent.
en [de aannemer] , tot slot, antwoordt met:
‘Dank u wel voor uw bericht. Morgen zijn wij er.’
2.11.
[de aannemer] is vervolgens voortgegaan met het uitvoeren van werkzaamheden. Op
16 september 2024 stuurt [de aannemer] een factuur voor de derde termijn (30%) [8] . [de opdrachtgevers] c.s. melden op 24 september 2024 [9] deze factuur niet te zullen betalen omdat ‘uw factuur voor termijn 3 pas [kan] worden ingediend als alle onderdelen uit de overeenkomst tot en met de verharding, dus post 1 tot en met 7, afgerond zijn’ en [de opdrachtgevers] c.s. betwisten dat het werk zover gevorderd is. Als bijlage bij hun bericht hebben [de opdrachtgevers] c.s. een overzicht verstrekt van de werkzaamheden die naar hun mening nog moeten worden verricht of als minderwerk moeten worden verrekend alvorens de derde termijn zou vervallen.
2.12.
Op (eveneens) 24 september 2024 stuurt [de aannemer] een factuur voor de vierde termijn (10%). [10] Deze factuur hebben [de opdrachtgevers] c.s. – na telefonisch overleg [11] - betaald, onder handhaving van hun stelling dat de derde en de vierde termijn nog niet opeisbaar zijn.
2.13.
Op 4 november 2024 heeft [de aannemer] een creditfactuur van € 2.706,99 aan [de opdrachtgevers] c.s. gezonden vanwege minderwerk.2.14. Op 8 november 2024 deelt [de aannemer] mee dat de werkzaamheden moeten worden gestaakt omdat het seizoen voorbij is, waarna deze in het voorjaar zouden kunnen worden hervat. Mede in reactie daarop hebben [de opdrachtgevers] c.s. bij e-mail van 10 november 2024 een overzicht verstrekt van volgens hen nog af te werken en te verrekenen posten [12] .
2.15.
In januari en februari 2025 is er tussen de advocaat van [de aannemer] (mr. Sprangers) en de rechtsbijstandverlener van [de opdrachtgevers] c.s. (mr. Rol) per e-mail gecorrespondeerd over de door [de opdrachtgevers] c.s. nog niet betaalde facturen en de redenen die [de opdrachtgevers] c.s. daarvoor hebben opgegeven. In dat kader heeft mr. Sprangers op 4 februari 2025 een overzicht gemaakt van wat partijen volgens hem verdeeld houdt, waaronder de door [de opdrachtgevers] c.s. geuite klachten. In reactie daarop heeft mr. Rol een – uitgebreider – overzicht van de klachten doorgegeven [13] . Vervolgens heeft er op 30 maart 2025 telefonisch overleg plaatsgevonden tussen mrs. Sprangers en Rol, zonder dat dit tot een oplossing heeft geleid.
2.16.
In vervolg op het overleg van 30 maart 2025 heeft mr. Rol bij e-mail van op 9 april 2025 gereageerd op het standpunt van [de aannemer] over de klachten en opmerkingen van [de opdrachtgevers] c.s. [14] . Kort gezegd, blijkt daaruit dat [de opdrachtgevers] c.s. hun standpunt handhaven.
2.17.
Bij e-mail van 25 juni 2025 heeft mr. Sprangers aangekondigd dat op 4 juli 2025 ‘de laatste punten’ zullen worden afgerond, zoals nader gespecificeerd in het bericht [15] . Ook is een meerwerkfactuur ter hoogte van € 7.875,08 meegezonden. [de aannemer] heeft vervolgens op 4 juli 2025 werkzaamheden verricht. Naar aanleiding daarvan heeft mr. Rol op 11 juli 2025 aan mr. Sprangers bericht dat ‘de herstelwerkzaamheden niet correct zijn uitgevoerd’ en ‘de lijst van gebreken alleen maar langer is geworden’. Concreet wordt gesteld dat de vlonder, die enkel met klemmen bevestigd had moeten worden, ook is vastgeschroefd waardoor deze niet kan worden verwijderd, bijvoorbeeld ten behoeve van onderhoud. Namens [de opdrachtgevers] c.s. wordt een voorstel voor een minnelijke regeling gedaan. [16]
2.18.
Bij e-mail van 16 juli 2025 heeft mr. Sprangers namens [de aannemer] het voorstel voor een minnelijke regeling afgewezen en aanspraak gemaakt op betaling van de nog niet betaalde facturen en de meegezonden factuur van de vijfde termijn (10%). In dat kader meldt mr. Sprangers het volgende: ‘Afgelopen vrijdag heeft cliënt alle resterende werkzaamheden, conform de tussen partijen gesloten overeenkomst en gemaakte afspraken uitgevoerd en het werk opgeleverd.’ [17] Daarop heeft mr. Rol op 24 juli 2025 als volgt gereageerd: ‘Het is spijtig om te vernemen dat uw cliënt meent alles te hebben afgerond, terwijl duidelijk moge zijn dat cliënten dat uitdrukkelijk betwisten en vele onderdelen aantoonbaar niet cq. ondeugdelijk zijn uitgevoerd’.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
Na wijziging van eis vordert [de aannemer] - samengevat - veroordeling van [de opdrachtgevers] c.s. tot betaling van € 57.961,12, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 31 maart 2026 en proceskosten.
3.2.
[de opdrachtgevers] c.s. voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.3.
[de opdrachtgevers] c.s. vorderen - samengevat - veroordeling van [de aannemer] tot betaling van € 52.652,26, vermeerderd met rente en kosten.
3.4.
[de aannemer] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
Vooraf
4.1.
Blijkens de akte wijziging van eis en de daarbij gevoegde renteberekening [18] , is de vordering van [de aannemer] als volgt opgebouwd:
Omschrijving
Vervaldatum
Betaaldatum
Bedrag
Factuur derde termijn
30 september 2024
€ 35.824,29
Betaling
30 september 2024
€ 11.941,43 (-/-)
Factuur vierde termijn
8 oktober 2024
€ 11.941,43
Creditfactuur
18 november 2024
€ 2.706,99 (-/-)
Factuur meerwerk
9 juli 2025
€ 7.875,08
Factuur vijfde termijn
30 juli 2025
€ 11.941,43
Incassokosten
€ 1.304,34
Wettelijke rente tot 31 maart 2026
€ 3.722,97
Totaal
€ 57.961,12
, te vermeerderen met proceskosten.
4.2.
De rechtbank zal hierna eerst ingaan op de verschuldigdheid van de facturen die zijn gebaseerd op de initiële overeenkomst (de facturen ter zake van termijnen drie, vier en vijf). Daarna zal worden ingegaan op de meerwerkfactuur. Tot slot zullen de incassokosten, rente en proceskosten worden besproken.
Facturen termijnen drie en vier
4.3.
Uit de door [de opdrachtgevers] c.s. akkoord bevonden offerte volgt dat de derde termijn opeisbaar is ‘na het gereedkomen van de verharding’ en de vierde termijn ‘na het gereedkomen van het gazon’. Niet in geschil is dat met de afspraken over de betaling in termijnen werd bedoeld de betaling min of meer gelijk op te laten gaan met de voortgang van het werk.
4.3.1.
[de aannemer] heeft gesteld dat het werk af is en om die reden de derde en vierde termijn opeisbaar zijn. Over het moment waarop de termijnen opeisbaar zijn geworden, is namens [de aannemer] tijdens de mondelinge behandeling het volgende verklaard: ‘Bij een tuin ben [je] overal aan het werk. Je probeert een moment te pakken waarop je de factuur kunt sturen. Je kunt niet de hele tuin gereed maken en dan pas factureren. De offerte is niet chronologisch opgebouwd.’
4.3.2.
[de opdrachtgevers] c.s. hebben gesteld dat de offerte chronologisch is opgebouwd. In relatie tot de betalingsverplichting, bedoelen zij daar klaarblijkelijk mee dat de betreffende termijn pas opeisbaar is als de werkzaamheden zijn gevorderd tot de omschreven werkzaamheden (‘verharding’ voor de derde termijn en ‘gazon’ voor de vierde termijn), in die zin dat de termijn opeisbaar is als die werkzaamheden en de in de offerte voorafgaand vermelde werkzaamheden zijn uitgevoerd. Dat zou betekenen dat de derde termijn opeisbaar is als alle werkzaamheden tot en met post 7 (‘Aanleg verharding’) zijn uitgevoerd en de vierde termijn als de werkzaamheden tot en met post 13 (‘Aanleg gazon’) zijn uitgevoerd.
4.3.3.
De rechtbank volgt het standpunt van [de opdrachtgevers] c.s. [de aannemer] heeft niet deugdelijk uitgelegd hoe in de door haar voorgestane inhoud van de afspraken, kan worden vastgesteld dat de betreffende termijn opeisbaar is en dus ook niet op grond waarvan [de opdrachtgevers] c.s. dat moesten begrijpen. Omdat het standpunt van [de opdrachtgevers] c.s. wel te herleiden is tot de (schriftelijk vastgelegde) afspraken tussen partijen en (daarmee) in lijn is met wat vaststaat als de bedoeling van partijen, zullen zij daarin worden gevolgd. Dit betekent dat moet worden beoordeeld of de werkzaamheden tot met post 7 respectievelijk 13 zijn uitgevoerd.
4.4.
[de aannemer] heeft gesteld dat het werk inmiddels volledig is verricht, waartoe zij onder meer verwijst naar de op 4 juli 2025 verrichte werkzaamheden zoals aangekondigd op 25 juni 2025 [19] . [de aannemer] stelt – uit coulance – alstoen de door [de opdrachtgevers] c.s. in de correspondentie tussen de rechtsbijstandverleners aangehaalde opleverpunten te hebben uitgevoerd. [de aannemer] heeft daarmee concreet gesteld op grond waarvan zij concludeert dat (ten minste) de derde en vierde termijn opeisbaar zijn. Dit betekent dat van [de opdrachtgevers] c.s. mag worden verwacht dat zij eveneens concreet stelt op grond waarvan zij het standpunt inneemt dat dit niet zo is.
[de opdrachtgevers] c.s. heeft na de uitvoering van de werkzaamheden op 4 juli 2025 in eerste instantie grotendeels volstaan met de algemene opmerking dat de lijst van gebreken alleen maar langer is geworden; enkel een gesteld probleem met de vlonder is alstoen concreet geduid [20] . In deze procedure is een hele lijst aan klachten over het door [de aannemer] uitgevoerde werk gepresenteerd. Het bestaan van klachten is op zichzelf – ook los van de door [de aannemer] betwiste validiteit daarvan – echter onvoldoende om aan te nemen dat het werk niet gevorderd is tot de relevante post. Klachten en de gegrondheid daarvan, zijn in beginsel onderdeel van de discussie die bij een oplevering kan worden gevoerd (waarover hierna meer).
In de conclusie van antwoord en tijdens de mondelinge behandeling is door [de opdrachtgevers] c.s. aangegeven dat de opeisbaarheid van de termijnen niet aan de orde is omdat:
- niet alle werkzaamheden tot aan de verharding (post 7) zijn afgemaakt, waarbij de post maatvoering (post 2) en verharding (post 7) concreet zijn geduid,
- het gazon niet is geëgaliseerd (post 13) zodat ook niet alle werkzaamheden tot en met post 13 zijn afgerond.
Verder is in de processtukken veel aandacht besteed aan het zwembad. Hoewel niet expliciet gesteld, neemt de rechtbank aan dat [de opdrachtgevers] c.s. (ook) stellen dat vanwege de wijze waarop het zwembad is uitgevoerd, de betreffende post (nummer 4) niet volledig is uitgevoerd en om die reden de derde en vierde termijn niet opeisbaar zijn.
Op deze discussiepunten zal hieronder verder worden ingegaan.
4.4.1.
Ten aanzien van de verharding hebben [de opdrachtgevers] c.s. gesteld dat deze niet gereed is omdat het voegwerk omhoog komt, tegels scheef liggen en kitwerk niet is gedaan. Ook stellen zij dat er achterin de tuin een opstapje is gemaakt, terwijl dat niet was beoogd. Om die reden zou ook de post maatwerk niet correct zijn uitgevoerd.
Uit de aldus door [de opdrachtgevers] c.s. gegeven toelichting kan worden afgeleid dat zij klachten hebben over de kwaliteit van het werk. Dat het werk als niet uitgevoerd kan worden beschouwd, kan daar echter niet uit worden afgeleid. Het op grond daarvan geuite bezwaar tegen de opeisbaarheid van termijn drie is daarom niet valide. Een beoordeling van de – door [de aannemer] betwiste – klachten is in dit kader niet nodig.
4.4.2.
Hetzelfde geldt voor het gazon. De klacht op dat punt is, dat het gazon niet goed is geëgaliseerd. Ook hier moet dus worden aangenomen dat het werk als zodanig wel is gedaan, maar volgens [de opdrachtgevers] c.s. niet goed (genoeg), wat overigens wederom door [de aannemer] is betwist. Dat het aan de weg zou staan aan opeisbaarheid van de termijn vier, is daarmee niet gebleken.
4.4.3.
Voor wat betreft het zwembad, stellen [de opdrachtgevers] c.s. zich kennelijk op het standpunt dat er een ander zwembad is geplaatst dan overeengekomen, zodat in zoverre niet de werkzaamheden zijn verricht die corresponderen met post 4 [21] .
Uit de in het voorjaar van 2024 gevoerde discussie [22] blijkt dat [de opdrachtgevers] c.s. (aanvankelijk) meldden dat het te plaatsen of geplaatste zwembad niet beantwoordde aan de overeenkomst die op dat punt zou inhouden dat het zwembad:
a. a) rechthoekig zou zijn,
b) de afgesproken afmeting zou hebben,
c) overal even diep zou zijn,
d) over een correcte pomp zou beschikken, en
e) zou voldoen aan het Gardenswimm-principe.
[de aannemer] heeft onweersproken gesteld dat er (inmiddels) een rechthoekig zwembad is gerealiseerd dat voldoet aan het Gardenswimm-principe (waarvoor ook een certificaat is verstrekt [23] ). Gesteld noch gebleken is dat de daarin geplaatste pomp niet correct is. Ten aanzien van de afmetingen van het zwembad heeft [de aannemer] gesteld dat deze op grond van de gemaakte afspraken nog aan wijziging onderhevig waren en uiteindelijk nagenoeg gelijk waren aan de afmetingen die vermeld zijn op de aan de offerte gehechte schets (waar [de opdrachtgevers] c.s. zich op hebben beroepen). [de opdrachtgevers] c.s. hebben over de gerealiseerde afmeting geen bezwaren meer geuit. Dat zou zijn overeengekomen dat het zwembad overal even diep zou zijn, is door [de aannemer] betwist. [de opdrachtgevers] c.s. hebben niet onderbouwd waaruit dat zou blijken, zodat de rechtbank [de aannemer] daarin volgt.
Al met al kan niet worden vastgesteld dat de eigenschappen van het door [de aannemer] gerealiseerde zwembad afwijken van wat partijen overeen zijn gekomen. De rechtbank laat daarbij in het midden of uit de e-mailwisseling van 27 juni en 3 juli 2024 [24] moet worden afgeleid dat [de opdrachtgevers] c.s. onvoorwaardelijk akkoord zijn gegaan met wat zij ‘ontwerp 1’ hebben genoemd (wat [de aannemer] stelt maar [de opdrachtgevers] c.s. betwisten) en of dat afwijkt van wat oorspronkelijk is overeengekomen (wat [de opdrachtgevers] c.s. stellen maar [de aannemer] betwist).
Dit betekent dat wordt aangenomen dat de met het zwembad gemoeide werkzaamheden zijn verricht. Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat dit onverlet laat dat er een discussie mogelijk is over het antwoord op de vraag of de werkzaamheden alle correct zijn uitgevoerd, waarover hieronder meer. Die discussie kan gaan over de problemen die [de opdrachtgevers] c.s. in algemene termen en veronderstellenderwijs noemden in hun brief van 27 juni 2024 [25] of de later in het overleg tussen de rechtsbijstandverleners [26] en in deze procedure meer concreet genoemde (afwerkings)klachten.
4.4.4.
De tussenconclusie is dat de termijnen drie en vier opeisbaar zijn. De daarmee verband houdende vordering van [de aannemer] zal worden toegewezen. Dit betreft in totaal een bedrag van € 47.765,72 in hoofdsom, te verminderen met de verrichte betalingen. Op de gevorderde rente wordt hierna apart ingegaan.
Factuur termijn vijf
4.5.
De vijfde termijn is opeisbaar ‘na de eindoplevering’. [de aannemer] stelt dat het werk volledig is opgeleverd door de combinatie van de inventarisatie in februari 2025 [27] en de uitvoering van de werkzaamheden op 4 juli 2025, met welke werkzaamheden volgens [de aannemer] de opdracht volledig is afgemaakt. [de opdrachtgevers] c.s. betwisten dat, waarbij zij erop wijzen dat er in februari 2025 door ieder van partijen een lijst is gemaakt, welke lijsten niet overeenkwamen. In het bericht namens [de opdrachtgevers] c.s. van 11 juli 2025 [28] zou zijn betwist dat er is opgeleverd. Oplevering zou volgens [de opdrachtgevers] c.s. moeten inhouden dat [de aannemer] nog ter plaatse komt, wat niet is gebeurd.
4.6.
Bij gebreke van stellingen van partijen die op iets anders duiden, gaat de rechtbank ervan uit dat met ‘eindoplevering’ zoals bedoeld in de tussen partijen gesloten overeenkomst wordt gedoeld op oplevering zoals bedoeld in artikel 7:758 lid 1 BW Pro. Oplevering als bedoeld in deze bepaling vindt plaats nadat de aannemer te kennen heeft gegeven dat het werk klaar is om te worden opgeleverd en het werk daarna door de opdrachtgever – al dan niet onder voorbehoud – is aanvaard. Duidelijk is dat [de aannemer] op 16 juli 2025 te kennen heeft gegeven dat het werk (opleverings)klaar is [29] . Uit de reactie namens [de opdrachtgevers] c.s. van 24 juli 2025 [30] in combinatie met de berichten van 9 april 2025 [31] en 11 juli 2025 [32] blijkt dat en waarom [de opdrachtgevers] c.s. het werk weigeren. Daarmee heeft er geen oplevering plaatsgevonden. Er zijn geen stellingen ontwikkeld aan de hand waarvan de vraag naar de redelijkheid van deze weigering aan de rechtbank is voorgelegd. Daarom kan de rechtbank hierover niet oordelen.
4.7.
De slotsom is dat er geen eindoplevering heeft plaatsgevonden, met als gevolg dat termijn vijf (nog) niet opeisbaar is en de vordering van [de aannemer] in zoverre moet worden afgewezen.
Factuur meerwerk
4.8.
Bij de beoordeling van een aanspraak op meerwerk, komt het erop aan of er sprake is van door de opdrachtgever gewenste toevoegingen of veranderingen in het overeengekomen werk en de aannemer de opdrachtgever tijdig heeft gewezen op de noodzaak van een daaruit voortvloeiende prijsverhoging, behalve als de opdrachtgever die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen.
4.9.
De meerwerkfactuur is gebaseerd op de stelling dat [de opdrachtgevers] c.s. opdracht hebben gegeven tot het uitvoeren van extra werkzaamheden en het leveren van extra materiaal. Dit is door [de opdrachtgevers] c.s. betwist. [de aannemer] typeert deze betwisting als ‘volstrekte onzin’ maar heeft niet concreet kunnen maken hoe de gestelde aanvullende opdrachten tot stand zijn gekomen. De opmerking tijdens de mondelinge behandeling dat meerwerk in de tuin en tijdens het werk is besproken, is geen basis om het bestaan van een meerwerkafspraak aan te nemen of daarnaar onderzoek te doen. Daarbij speelt een rol dat [de opdrachtgevers] c.s.’ betwisting niet bloot is, omdat zij onweersproken hebben gesteld dat voor wel geaccepteerd meerwerk een prijsopgave is gestuurd waarop een akkoord is gegeven. [de aannemer] heeft niet uitgelegd waarom dat bij het betwiste, maar volgens haar wel overeengekomen, meerwerk niet is gebeurd.
4.10.
De vordering op basis van de meerwerkfactuur wordt als onvoldoende onderbouwd afgewezen.
Incassokosten
4.11.
[de aannemer] vordert een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW Pro. [de opdrachtgevers] c.s. zijn consumenten, want natuurlijke personen die niet hebben gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Daarom moet de rechtbank controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [de aannemer] heeft aan [de opdrachtgevers] c.s. een aanmaning verstuurd die niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro, omdat het toepasselijke wettelijke tarief niet is vermeld. De gevorderde vergoeding moet daarom worden afgewezen.
Rente over facturen
4.12.
[de aannemer] heeft onweersproken gesteld dat uit de toepasselijke algemene voorwaarden volgt dat er voor de facturen een betalingstermijn wordt gehanteerd van veertien dagen, waarna het verzuim intreedt en rente verschuldigd is. Enkel daarvan uitgaande is de wettelijke rente over de facturen voor de derde en de vierde termijn, zoals gevorderd, gaan lopen vanaf 30 september 2024 respectievelijk 8 oktober 2024. Hoewel, zoals hiervoor is overwogen, wordt aangenomen dat de derde en vierde termijn inmiddels opeisbaar zijn, kan op basis van de stellingen van partijen echter niet worden vastgesteld of dat ook al zo was op het moment dat de facturen zijn verstuurd. Dit betekent dat niet kan worden aangenomen dat de termijnen drie en vier opeisbaar waren op het moment van het verzenden van de facturen en dus ook niet dat [de aannemer] met recht een betalingstermijn aanhoudt van veertien dagen na het verzenden van die facturen. Omdat wel kan worden aangenomen dat de betreffende termijnen opeisbaar zijn geworden op 4 juli 2025 – toen [de aannemer] voor het laatst werkzaamheden heeft verricht – zal de rechtbank de rente toewijzen vanaf 18 juli 2025. Na aftrek van de betalingen van € 11.941,43 op 30 september 2024 en € 2.706,99 op
4 november 2024 (door [de aannemer] ten onrechte in haar overzicht verwerkt als een betaling per 18 november 2024), resteert een bedrag in hoofdsom van € 33.117,30, dus te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 juli 2025.
Proceskosten
4.13.
[de opdrachtgevers] c.s. zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de aannemer] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
121,02
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
5.844,02
4.14.
[de aannemer] vordert betaling van de proceskosten vermeerderd met wettelijke handelsrente. Over proceskosten is handelsrente echter niet toewijsbaar. In plaats daarvan zal de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro worden toegewezen.
Hoofdelijke veroordeling?
4.15.
[de aannemer] vordert hoofdelijke veroordeling van [de opdrachtgevers] c.s., die hebben gesteld dat daarvoor geen grondslag bestaat.
4.16.
Uit artikel 6:6 BW Pro volgt dat als een prestatie door twee schuldenaren is verschuldigd, als hoofdregel geldt dat zij ieder voor een gelijk deel verbonden zijn. Hoofdelijke verbondenheid is aan de orde als de prestatie ondeelbaar is of dat hoofdelijkheid uit de wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeit.
4.17.
[de aannemer] stelt dat door [de opdrachtgevers] c.s. te verrichten prestatie ondeelbaar is, maar dat is onjuist. Het betreft een betalingsverplichting die per definitie deelbaar is. Ook stelt [de aannemer] dat uit gewoonte en/of de onderhavige rechtshandeling voortvloeit dat er opdracht is gegeven tot het verbouwen van de gezamenlijke tuin van [de opdrachtgevers] c.s.. Dat de opdracht zag op een gezamenlijke tuin is op zich juist, maar dat maakt niet dat uit gewoonte of rechtshandeling een hoofdelijke verbondenheid voortvloeit. De conclusie is dat [de opdrachtgevers] c.s. ieder voor een gelijk deel worden veroordeeld tot voldoening van de betalingsverplichting die voortvloeit uit de met [de aannemer] gesloten overeenkomst.
4.18.
De proceskostenveroordeling wordt wel hoofdelijk uitgesproken. Uit Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1942, volgt dat bij een veroordeling van twee of meer partijen tot betaling van de proceskosten, als uitgangspunt geldt dat zij ieder voor het geheel aansprakelijk zijn en dus hoofdelijk zijn verbonden tot nakoming van die veroordeling. Gesteld noch gebleken dat er reden is om in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken.
in reconventie
4.19.
[de opdrachtgevers] c.s. vorderen in reconventie vergoeding van de schade die zij stellen te hebben geleden als gevolg van het feit dat [de aannemer] volgens hen tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van aanneming van werk. Tijdens de mondelinge behandeling is namens [de opdrachtgevers] c.s. verklaard dat deze vordering voorwaardelijk is ingesteld, en wel voor het geval zou worden geoordeeld dat de oplevering heeft plaatsgevonden. Onder verwijzing naar het onder 4.6. en 4.7. overwogene, moet worden vastgesteld dat aan deze voorwaarde niet is voldaan. De schadevergoedingsvordering moet daarom worden afgewezen. Datzelfde geldt voor de gevorderde verklaringen voor recht, nu [de opdrachtgevers] c.s. daarbij geen zelfstandig belang hebben, gegeven de afwijzing van de schadevergoedingsvordering.
4.20.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat ook een inhoudelijke beoordeling tot afwijzing van de vorderingen zou hebben geleid. Dit omdat in ieder geval het verweer van [de aannemer] , dat [de opdrachtgevers] c.s. de aard van de gestelde tekortkoming en de omvang van de gestelde schade onvoldoende hebben onderbouwd, slaagt. Ten aanzien van het eerste punt heeft [de aannemer] er terecht op gewezen dat de conclusie van eis een niet toegelichte opgave van posten vermeldt, waar [de aannemer] in de conclusie van antwoord in reconventie niettemin inhoudelijk op in is gegaan en waarover [de opdrachtgevers] c.s. niets meer hebben gezegd. Ten aanzien van het tweede punt geldt dat [de aannemer] terecht hebben aangevoerd dat de gestelde schadeposten van geen enkele toelichting zijn voorzien en ook niet anderszins zijn onderbouwd met bijvoorbeeld facturen, offertes, rapporten en/of andere bewijsstukken.
4.21.
[de opdrachtgevers] c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de aannemer] worden begroot op:
- salaris advocaat
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.728,00

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
veroordeelt [de opdrachtgevers] c.s. om aan [de aannemer] te betalen een bedrag van € 33.117,30, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro daarover vanaf 18 juli 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [de opdrachtgevers] c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 5.844,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.3.
veroordeelt [de opdrachtgevers] c.s. hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.5.
wijst de vorderingen van [de opdrachtgevers] c.s. af,
5.6.
veroordeelt [de opdrachtgevers] c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 2.728,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
5.7.
veroordeelt [de opdrachtgevers] c.s. hoofdelijk tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als [de opdrachtgevers] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.8.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1., 5.2., 5.3., 5.6., en 5.7. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. De Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.

Voetnoten

1.productie 2 van [de aannemer]
2.productie 13 van [de opdrachtgevers] c.s.
3.productie 5 van [de aannemer]
4.beide e-mail zijn overgelegd bij productie 6 van [de aannemer]
5.productie 7 van [de aannemer]
6.productie 8 van [de aannemer]
7.productie 9 van [de aannemer] .
8.productie 11 van [de aannemer]
9.productie 12 van [de aannemer]
10.productie 13 van [de aannemer]
11.blijkens productie 19 van [de opdrachtgevers] c.s.
12.productie 20 van [de opdrachtgevers] c.s..
13.productie 15 van [de aannemer]
14.productie 16 van [de aannemer]
15.productie 17 van [de aannemer]
16.productie 18 van [de aannemer]
17.eveneens productie 18 van [de aannemer]
18.productie 24 van [de aannemer]
19.zie 2.17.
20.zie wederom 2.17.
21.zie ook 2.2.
22.zie 2.5. tot en met 2.10.
23.productie 20 van [de aannemer]
24.zie 2.9. en 2.10.
25.zie 2.9., laatste zin van het citaat.
26.zie 2.15, 2.16. en 2.17.
27.zie 2.15.
28.zie 2.17.
29.middels de mail van mr. Sprangers, zie 2.18.
30.zie eveneens 2.18.
31.zie 2.16.
32.zie 2.17.