ECLI:NL:RBLIM:2026:585

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
11956959 \ CV EXPL 25-4792
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Piëtte
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:625 BWArt. 7:629 lid 3 sub c BWArt. 7:629 lid 6 BWArt. 658a lid 4 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Re-integratie zieke werknemer in eigen functie met loonbetaling vanaf herstel

De werknemer trad in september 2023 in dienst na een periode als uitzendkracht. In december 2024 ontstond een incident met een collega waarbij dreigende taal en een bedreiging met een stanleymes plaatsvonden, waarna de werknemer ziek uitviel. Hij startte een traumabehandeling en stemde uiteindelijk in met mediation, die succesvol werd afgerond. De werknemer verscheen echter niet bij meerdere afspraken met de bedrijfsarts en was op 7 oktober 2025 niet op het werk, waarna de werkgever een loonstop aankondigde.

De werknemer vorderde in kort geding re-integratie in zijn eigen functie volgens de laatste inzichten van de bedrijfsarts, loonbetaling vanaf 7 oktober 2025, en een dwangsom bij niet-naleving. De werkgever verweerde zich met het standpunt dat de werknemer onvoldoende meewerkte aan re-integratie en dat de loonstop terecht was.

De kantonrechter oordeelde dat de werknemer een spoedeisend belang had bij re-integratie en dat de werkgever hem opnieuw moest uitnodigen voor een bedrijfsartsafspraak om de belastbaarheid te beoordelen. De loonstop vanaf 7 oktober 2025 werd terecht geacht vanwege het niet verschijnen op het werk, maar de loonbetaling werd toegewezen vanaf 28 oktober 2025 toen de werknemer weer wilde meewerken. De dwangsom werd gematigd en beperkt tot een maximumbedrag. De proceskosten werden aan de werkgever opgelegd.

Uitkomst: Werkgever moet werknemer re-integreren volgens bedrijfsarts en loon betalen vanaf 28 oktober 2025, loonstop vanaf 7 oktober 2025 is terecht.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11956959 \ CV EXPL 25-4792
Vonnis in kort geding van 22 januari 2026
in de zaak van
[eisende partij],
wonende te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. R.A.J. van der Leeuw,
tegen
[gedaagde partij] B.V.,
gevestigd te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
gemachtigde: mr. D.J.M.C. Sieler.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties,
- de brief van mr. Sieler van 6 januari 2026 met producties,
- de mondelinge behandeling van 8 januari 2026, met daaraan gehecht de pleitnota van mr. Sieler.

2.De feiten

2.1.
[eisende partij] is op 1 september 2023 bij [gedaagde partij] in dienst getreden in de functie van Packaging operator. Voorafgaand aan het dienstverband is [eisende partij] door [gedaagde partij] ingeleend als uitzendkracht van 1 september 2022 tot en met 31 augustus 2023.
2.2.
In december 2024 heeft zich een incident voorgedaan met een collega, waarbij dreigende taal door de collega tegen [eisende partij] is geuit. Volgens [eisende partij] werd hij ook bedreigd met een stanleymes.
2.3.
[eisende partij] is op 5 december 2024 ziek uitgevallen.
2.4.
[eisende partij] is niet verschenen bij een afspraak met de door [gedaagde partij] ingeschakelde psycholoog op 20 maart 2025 (productie A van [gedaagde partij] ).
2.5.
[eisende partij] is op 14 mei 2025 gestart met traumabehandeling bij [behandelaar] te [plaats 3] , omdat het incident met de collega trauma’s bij hem had getriggerd uit de oorlogssituatie van [eisende partij] uit het verleden.
2.6.
De bedrijfsarts had mediation geadviseerd. [eisende partij] heeft dit in eerste instantie geweigerd omdat dit volgens hem niet te combineren viel met zijn traumabehandeling.
2.7.
Op 19 mei 2025 heeft [gedaagde partij] een deskundigenoordeel aangevraagd. Tijdens het telefoongesprek met de arbeidsdeskundige van het UWV op 27 juni 2025 heeft [eisende partij] alsnog ingestemd met mediation. De deskundige beoordeelde de re-integratieinspanningen van [eisende partij] over de periode van 5 december 2024 tot 19 mei 2025 onvoldoende.
2.8.
Het mediationtraject is na één sessie succesvol afgerond.
2.9.
[eisende partij] is niet verschenen bij een afspraak met de bedrijfsarts op 30 juni 2025 (productie B van [gedaagde partij] ).
2.10.
In de periodieke evaluatie van 1 september 2025 heeft de bedrijfsarts het volgende geadviseerd:

Mijn advies is om nu nog de behandeling (die wekelijks loopt en sinds 6 weken geleden gestart is) verder aan te houden en einde september weer te starten met halve dagen in dag-ochtend en middagdiensten. Betrokkene en werkgever stemmen hierin af” (productie 2 van [eisende partij] ).
2.11.
Op 19 september 2025 hebben partijen gesproken over werkhervatting in het kader van de re-integratie. Naar aanleiding van het gesprek heeft [gedaagde partij] een e-mailbericht gestuurd op 19 september 2025, waarin het volgende is vermeld:

Bij deze de net besproken punten:
  • 7 oktober weer opstarten met werken, 4 uur op de ochtenddienst en 4 uur op de middagdienst
  • Nog geen nachten
  • Iedere cyclus kort samen zitten hoe het gaat en vervolg van re-integratie bespreken
  • Je laat ons nog weten of je 7 oktober om 6:00 of 8:00 wilt starten” (productie 4 van [eisende partij] ).
2.12.
Op 6 oktober 2025 is [eisende partij] vanuit MET GGZ gestart met EMDR in verband met de situatie die [eisende partij] met zijn collega had meegemaakt.
2.13.
[eisende partij] is op 7 oktober 2025 niet op zijn werk verschenen, was niet bereikbaar voor [gedaagde partij] en heeft die dag ook geen contact opgenomen met [gedaagde partij] .
2.14.
[gedaagde partij] heeft bij brief van 7 oktober 2025 een loonstop aangekondigd omdat [eisende partij] zich niet gemaakte afspraken zou hebben gehouden (productie 5 van [eisende partij] ).
2.15.
[eisende partij] is niet verschenen bij een afspraak met de bedrijfsarts op 13 oktober 2025 (productie C van [gedaagde partij] ).
2.16.
Op 13 oktober 2025 heeft [eisende partij] contact opgenomen met MET GGZ en hij is op het kantoor van MET GGZ geweest samen met de psychiater. In het emailbericht van MET GGZ van 6 november 2025 staat onder meer het volgende vermeld: “
Door de huidige psycho-sociale stressoren is de EMDR behandeling tijdelijk gepauzeerd gezien het ontbreken van de basisvoorwaarden voor traumabehandeling en je beperkte belastbaarheid.” (productie 6 van [eisende partij] ).
2.17.
Op 15 oktober 2025 heeft een gesprek tussen partijen plaatsgevonden. Op 20 oktober 2025 heeft een vervolggesprek plaatsgevonden, waarbij door [gedaagde partij] aan [eisende partij] een vaststellingsovereenkomst is aangeboden.
2.18.
Bij brief van 28 oktober 2025 van de gemachtigde van [eisende partij] heeft [eisende partij] [gedaagde partij] gevraagd om [eisende partij] opnieuw uit te nodigen om het spreekuur van de bedrijfsarts te bezoeken (productie 8 van [eisende partij] ).
2.19.
[gedaagde partij] heeft [eisende partij] niet opnieuw uitgenodigd om het spreekuur van de bedrijfsarts te bezoeken.
2.20.
Op 6 november 2025 heeft [eisende partij] een deskundigenoordeel aan het UWV gevraagd (productie 11 van [eisende partij] ).
2.21.
[eisende partij] heeft verwezen naar de inhoud van de brief van 27 november 2025 van het UWV, die is overgelegd als bijlage 2 bij het verweerschrift in de verzoekschriftprocedure, waarvan de mondelinge behandeling gelijktijdig heeft plaatsgevonden. Het UWV heeft in deze brief aan [eisende partij] onder meer het volgende bericht: “
Wij kunnen geen deskundigenoordeel geven. De reden hiervoor is dat er geen uitspraak kan worden gedaan over het feit of uw re-integratie-inspanningen voldoende zijn, hiervoor zal eerst door de bedrijfsarts een uitspraak gedaan moeten worden, nu de verzekeringsarts op basis van de aangeleverde medische gegevens constateert dat het niet nakomen van afspraken mogelijk een gevolg is van ziekte.” Deze brief is door het UWV ook aan [gedaagde partij] verzonden.

3.Het geschil

3.1.
[eisende partij] vordert - samengevat -;
I. [eisende partij] te laten re-integreren in zijn eigen functie, rekening houdend met zijn huidige, nog bestaande beperkingen, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag,
II. [eisende partij] in zijn eigen functie tewerk te stellen, op het moment dat hij (grotendeels) is hersteld, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag,
III. veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van 100% van het salaris en overige emolumenten van [eisende partij] , met ingang van 7 oktober 2025,
IV. veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van de wettelijke verhoging en de wettelijke rente,
V. veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van de proceskosten.
3.2.
[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eisende partij] daarbij een spoedeisend belang heeft. De kantonrechter is van oordeel dat het spoedeisende belang ten aanzien van de vorderingen I en III in de aard van die vorderingen ligt besloten. De gestelde spoedeisendheid van deze vorderingen is door [eisende partij] bovendien voldoende aannemelijk gemaakt en door [gedaagde partij] niet weersproken.
[eisende partij] is daarom ontvankelijk in deze vorderingen.
4.2.
Ten aanzien van vordering II oordeelt de kantonrechter dat er geen sprake is van een spoedeisend belang, omdat op dit moment niet valt te overzien hoe het re-integratietraject verder gaat verlopen en of deze slaagt. Hierdoor is het onduidelijk of [eisende partij] in zijn eigen functie tewerk kan worden gesteld op het moment dat hij (grotendeels) is hersteld.
[eisende partij] is ten aanzien van deze vordering niet ontvankelijk.
Uitgangspunt inhoudelijke beoordeling in kort geding
4.3.
Bij de beoordeling van de vorderingen van [eisende partij] neemt de kantonrechter tot uitgangspunt dat deze vorderingen alleen toewijsbaar zijn in het geval hij voldoende aannemelijk maakt dat deze in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt hiernaast dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
Vordering tot re-integreren in eigen functie
4.4.
[eisende partij] stelt zich op het standpunt dat hij in de gelegenheid moet worden gesteld te re-integreren in zijn eigen functie, rekening houdend met zijn bestaande beperkingen. [gedaagde partij] heeft druk op hem opgelegd door het vertrouwen in hem op te zeggen en enkel nog aan te sturen op een beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Omdat het onduidelijk is hoe de bedrijfsarts adviseert over de belastbaarheid van [eisende partij] en [gedaagde partij] weigert hem opnieuw uit te nodigen het spreekuur van de bedrijfsarts te bezoeken, kan [eisende partij] niet aan zijn re-integratie-verplichtingen voldoen.
4.5.
Volgens [gedaagde partij] moet de vordering worden afgewezen omdat [eisende partij] niet voldaan heeft aan zijn re-integratieverplichtingen en [gedaagde partij] op terechte gronden een loonstop heeft opgelegd, waarna [eisende partij] alsnog niet heeft meegewerkt aan zijn re-integratie. [eisende partij] heeft geen enkele verklaring gegeven in de gesprekken waarom hij niet is komen werken op 7 oktober 2025. [eisende partij] heeft geen duidelijkheid gegeven over zijn medische toestand en is niet op de nadere afspraak van de bedrijfsarts op 13 oktober 2025 verschenen. [eisende partij] heeft zich ook niet beschikbaar gehouden voor werk. Van [gedaagde partij] kan in dit geval niet worden verwacht dat de re-integratie wordt voortgezet, mede gezien in het licht van het ingediende verzoekschrift waarin ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt verzocht, aldus [gedaagde partij] .
4.6.
De kantonrechter oordeelt als volgt.
In het geval een werknemer zich zonder deugdelijke grond niet aan zijn re-integratiever-plichtingen houdt en de werkgever de werknemer schriftelijk heeft gewaarschuwd alsnog aan zijn re-integratieverplichtingen te voldoen, geeft de wet een aantal sanctiemogelijk-heden, zoals het opschorten of stopzetten van het loon. Als de werknemer zich desondanks niet aan zijn verplichtingen houdt kan een werkgever een verzoek indienen bij de kantonrechter tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
[gedaagde partij] heeft er echter voor gekozen om [eisende partij] niet meer te laten re-integreren.
Omdat de arbeidsovereenkomst tussen partijen tot op heden nog voortduurt en [eisende partij] nog steeds ziek is, is [gedaagde partij] gehouden [eisende partij] te laten re-integreren in zijn eigen functie, maar wel volgens de laatste inzichten van de bedrijfsarts, die moeten volgen uit een nader te maken afspraak met de bedrijfsarts. [eisende partij] heeft bij brief van de gemachtigde van 28 oktober 2025 aan [gedaagde partij] namelijk kenbaar heeft gemaakt dat het niet goed met hem ging en verzocht heeft om opnieuw op het spreekuur van de bedrijfsarts te doen uitnodigen om de situatie te beoordelen. De gemachtigde van [eisende partij] schrijft onder meer: “
Daarbij is het mijns inziens van belang, dat de bedrijfsarts kennis neemt van de informatie over zijn traumabehandeling en daaraan gerelateerde klachten (..).” Op grond hiervan had het op de weg van [gedaagde partij] gelegen om opnieuw de bedrijfsarts in te schakelen om de belastbaarheid van [eisende partij] te beoordelen. Nu [gedaagde partij] dit niet heeft gedaan, zal de vordering van [eisende partij] worden toegewezen in die zin dat [gedaagde partij] wordt veroordeeld [eisende partij] te laten re-integreren in zijn eigen functie, volgens de laatste inzichten van de bedrijfsarts, die volgen uit een nader te maken afspraak op het spreekuur bij de bedrijfsarts.
4.7.
[gedaagde partij] stelt verder nog dat van haar, in het licht van het ingediende verzoekschrift waarin ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt verzocht, niet kan worden verlangd de re-integratie voort te zetten. In het kader van deze kort geding procedure kan echter niet worden vooruitgelopen op een onzekere beslissing in de toekomst en daarom wordt uitgegaan van voortduren van de arbeidsongeschiktheid.
Boete
4.8.
[eisende partij] vordert een dwangsom van € 500,00 per dag dat [gedaagde partij] in gebreke blijft om [eisende partij] te laten re-integreren in zijn eigen functie. De kantonrechter ziet aanleiding om deze dwangsom te matigen en daaraan een maximum te verbinden, zoals hierna vermeld.
Vordering tot betaling van het salaris
4.9.
[gedaagde partij] heeft aan [eisende partij] met ingang van 7 oktober 2025 een loonstop opgelegd op grond van artikel 7:629 lid 3 sub c BW Pro. [1] Volgens [gedaagde partij] heeft [eisende partij] zich niet beschikbaar gehouden voor het verrichten van re-integratiewerkzaamheden, hetgeen geldt als voorwaarde voor de gevorderde loonvordering. Volgens [eisende partij] had [gedaagde partij] het loon op grond van artikel 7:629 lid 6 BW Pro mogen opschorten en niet mogen stoppen. Artikel 7:629 lid 3 sub c BW Pro is volgens [eisende partij] niet van toepassing in het geval een werknemer zich niet houdt aan de instructie om te verschijnen op gemaakte afspraken.
4.10.
De kantonrechter is van oordeel dat de loonstop op 7 oktober 2025 terecht is gegeven, omdat [eisende partij] die dag niet op het werk is verschenen om re-integratiewerkzaamheden te verrichten. Bij e-mailbericht van 19 september 2025 is vastgelegd dat [eisende partij] met ingang van 7 oktober 2025 weer gaat opstarten met werken. Vast staat dat [eisende partij] op 7 oktober 2025 niets heeft laten weten aan [gedaagde partij] en ook niet op het werk is verschenen.
[eisende partij] stelt zich enerzijds op het standpunt dat de inhoud van het emailbericht niet juist is omdat hij meende eerst een aanvang met de werkzaamheden te nemen als het beter met hem ging en anderzijds dat hij niet is komen opdagen omdat hij daartoe niet in staat was omdat hij kampte met een terugval. De kantonrechter oordeelt dat de stelling van [eisende partij] , in het kader van deze kortgedingprocedure, niet zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld en dit leent zich gelet op de gemotiveerde betwisting over en weer niet voor een beoordeling in kort geding. Dat betekent dat de vordering tot doorbetaling van het loon met ingang van 7 oktober 2025 wordt afgewezen, omdat [eisende partij] op dat moment niet heeft meegewerkt aan de in het e-mailbericht vastgelegde afspraak om re-integratiewerkzaamheden te verrichten.
4.11.
De kantonrechter is van oordeel dat hervatting van het loon wel toewijsbaar is vanaf 28 oktober 2025 omdat het voor [gedaagde partij] kenbaar was dat [eisende partij] vanaf dat moment wel wilde mee werken aan re-integratie en [gedaagde partij] ondanks het verzoek van [eisende partij] niet opnieuw de bedrijfsarts heeft ingeschakeld, terwijl dit wel had moeten doen.
De vordering tot betaling van 100% van het loon (tegen welke hoogte [gedaagde partij] geen verweer heeft gevoerd) met emolumenten wordt daarom toegewezen met ingang van 28 oktober 2025.
Wettelijke verhoging en wettelijke rente
4.12.
De vorderingen tot betaling van de wettelijke verhoging en de wettelijke rente over het salaris vanaf 28 oktober 2025 en overige emolumenten vanaf het tijdstip van opeisbaarheid is toewijsbaar.
Proceskosten
4.13.
[gedaagde partij] is overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
147,92
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
543,00
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
915,92

5.De beslissing

De kantonrechter in kort geding
5.1.
verklaart [eisende partij] niet ontvankelijk ten aanzien van vordering II van de dagvaarding,
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] tot het laten re-integreren van [eisende partij] in zijn eigen functie, volgens de laatste inzichten van de bedrijfsarts, die volgen uit een nader te maken afspraak op het spreekuur bij de bedrijfsarts, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag dat [gedaagde partij] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 10.000,00,
5.3.
veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling aan [eisende partij] van 100% van zijn salaris en overige emolumenten met ingang van 28 oktober 2025, te vermeerderen met de wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW Pro en de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 915,92, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2026.

Voetnoten

1.De werknemer heeft het in lid 1 bedoelde recht niet: