Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:5887

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2606391:R-RK en NL:TZ:2606434:R-RK
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a FwArt. 285 lid 1 sub f FwArt. 48 lid 1 sub c WckArt. 3:13 BWVerordening (EU) nr. 2015/848
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing dwangakkoord wegens onvoldoende financieel aanbod en onvolledige schuldsanering

Verzoekers hebben bij de rechtbank Limburg een verzoek ingediend tot vaststelling van een dwangakkoord ex artikel 287a Faillissementswet, met als doel een schuldregeling af te dwingen tegen de wil van schuldeisers ASN Bank N.V. en ING België N.V. De totale schuldenlast bedraagt circa €948.893, verdeeld over zes schuldeisers, waarbij de twee verweersters samen 64% van de schuld vertegenwoordigen.

Het aangeboden bedrag van 5% van de oorspronkelijke vordering is niet gebaseerd op een gedegen afloscapaciteitberekening (VTLB), maar op een niet nader toegelicht advies. Tevens is niet het volledige beschikbare vermogen, waaronder een overwaarde van circa €160.000 op de woning en een beleggingsrekening, in het aanbod meegenomen. De rechtbank oordeelt dat het aanbod niet het uiterste is waartoe verzoekers financieel in staat zijn.

Daarnaast is het minnelijk traject niet correct doorlopen; het voorstel is gedaan door een familielid en niet door een erkende schuldhulpverlenende instantie. Ook is niet aan alle schuldeisers hetzelfde aanbod gedaan, wat strijdig is met de vereisten. Verweerster 2 heeft geen verweer gevoerd, maar de rechtbank stelt dat zij bevoegd is kennis te nemen van het verzoek en Nederlands recht van toepassing is.

Gelet op deze omstandigheden weegt de rechtbank de belangen van de schuldeisers zwaarder en wijst het verzoek tot dwangakkoord af. Het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is ingetrokken. De rechtbank adviseert verzoekers bij een volgend traject ondersteuning te zoeken bij de gemeente voor deskundige begeleiding.

Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het dwangakkoord wordt afgewezen omdat het aanbod niet het uiterste is dat verzoekers financieel kunnen bieden en het minnelijk traject niet correct is doorlopen.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Team Insolventie Afwijzing dwangakkoord
Zittingsplaats Maastricht
Rekestnummers: NL:TZ:2606391:R-RK en NL:TZ:2606434:R-RK
Vonnis van 9 juni 2026
op het verzoek van
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum 1] 1965 te [geboorteplaats 1]
en
[verzoekster],
geboren op [geboortedatum 2] 1968 te [geboorteplaats 2] ,
beiden wonende te [adres] , [woonplaats] ,
hierna te noemen verzoekers,
gemachtigde [naam]
tegen

1.ASN Bank N.V.,

Croeselaan 1, 3521 BJ Utrecht,
gemachtigde: mr. G. Flapper,
hierna te noemen verweerster 1
en

2.ING België N.V.,

gevestigd te Marnixlaan 24, 1000 Brussel (België),
hierna te noemen verweerster 2,
tot het bevelen van voornoemde schuldeisers in te stemmen met een schuldregeling ex artikel 287a Faillissementswet.

1.De procedure

1.1.
Verzoekers hebben bij verzoek ingekomen op 12 maart 2026 primair verzocht de vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw) en subsidiair de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit te spreken.
1.2.
Ter zitting van 27 mei 2026 is de gemachtigde van verzoekers, [naam] , verschenen. De gemachtigde van verweerster 1 heeft zich op 22 mei 2026 afgemeld voor de zitting.
1.3.
Verweerster 1 heeft op 22 mei 2026 een verweerschrift ingediend. Hier heeft de gemachtigde van verzoekers op 26 mei 2026 op gereageerd.
1.3.
Verweerster 2 is, ondanks behoorlijke oproeping, niet ter zitting verschenen.

2.De feiten

2.1.
De totale schuldenlast van verzoekers is in het verzoekschrift en de aanvullende stukken niet eenduidig vermeld. Ter zitting is toegelicht dat de totale schuldenlast overeenkomt met de schuldenlast die is vermeld in de aanvullende stukken en € 948.893,02 bedraagt. Een deel van de schuldeisers heeft het schuldbedrag verlaagd. De schuldenlast is verdeeld over 6 schuldeisers. De schuld aan verweerster 1 bedraagt € 316.562,22, zijnde ongeveer 33,4% van de totale schuldenlast. De schuld van verweerster 2 bedraagt
€ 290.564,- en dit is ongeveer 30,6% van de totale schuldenlast. In totaal beslaan beide verweersters 64% van de totale schuldenlast.
2.2.
In eerste instantie was mr. Robijns van Quattro advocaten betrokken bij de schuldregeling, maar rond november 2025 is dit overgenomen door mr. Mukuchian van Kerkckhoffs advocaten. Om de advocaatkosten zo laag mogelijk te houden heeft de gemachtigde van verzoekers zelf veelvuldig contact gehad met de schuldeisers. Er is besloten om op advies van de advocaten aan de schuldeisers een aanbod te doen van 5%. Het is onduidelijk waar dit bedrag op is gebaseerd. Het is in ieder geval niet gebaseerd op een gestelde afloscapaciteit. De zus van verzoeker heeft een bedrag van
€ 54.766,- ter beschikking gesteld, zijnde 5% van de oorspronkelijke vordering van
€ 1.095.321,95.
2.3.
Verzoeker, thans 60 jaar oud, verblijft sinds 3 juli 2025 in detentie en is veroordeeld tot een gevangenisstraf tot 13 maart 2029. Ter zitting heeft de gemachtigde verklaard te verwachten dat verzoeker in november 2027 zal vrijkomen wegens goed gedrag. Verzoekster is 57 jaar oud en werkt 27 uur per week. Er is aangevoerd dat zij niet meer uren kan werken vanwege medische omstandigheden. Dit is echter niet nader onderbouwd.

3.Het verweer

3.1.
In reactie op het gedane aanbod heeft verweerster 1 laten weten niet akkoord te kunnen gaan, omdat er een overwaarde op de woning is van € 75.000,- en er ook een beleggingsrekening is waardoor de overwaarde nog verder zal toenemen. Tevens is een incomplete VTLB-berekening overgelegd. In het verweerschrift van 22 mei 2026 is daar het volgende aan toegevoegd:
  • Het voorstel is gedaan door de broer (van verzoeker), daarmee is het verzoek niet ingediend door een erkende schuldhulpverlenende instantie. Daarbij komt dat de advocaat die aanvankelijk in dit traject betrokken was, rond november 2025 niet meer betrokken is geweest, waarna de broer zelf een voorstel heeft gedaan. Het minnelijk traject is daarmee niet op de juiste wijze doorlopen, hetgeen reeds een zelfstandige grond vormt voor afwijzing van het verzoek tot een dwangakkoord;
  • Verzoeker voldoet op dit moment niet aan de inspanningsplicht, aangezien hij voor onbekende duur in detentie verblijft. Hierdoor kan aan een essentiële voorwaarde voor deelname aan een MSNP-traject niet worden voldaan;
  • Er is niet het volledig beschikbare vermogen aangeboden. Er is nog een beleggingsportefeuille bij de ING zo blijkt uit de belastingaangifte over het jaar 2024 met een waarde van minimaal € 61.290,-. Dit is al hoger dan het gedane voorstel. Daarnaast is in het voorstel uitgegaan van de executiewaarde van de woning geraamd op € 370.000,-. Er dient echter te worden uitgegaan van de marktwaarde die op
7 november 2024 door de taxateur is bepaald op € 450.000,-. Volgens het recente Calcasa-rapport betreft de marktwaarde van de woning per 20 mei 2026 € 474.000,-;
- Het aangeboden bedrag wordt niet naar rato verdeeld over alle schuldeisers.
3.2.
Verweerster 2 heeft geen verweer gevoerd. Er is evenmin gereageerd op het gedane voorstel.

4.De beoordeling

Dwangakkoord
4.1.
Nu verweerster 2 gevestigd is in het buitenland moet worden beoordeeld of de Nederlandse rechter bevoegd is van het verzoek kennis te nemen, en zo ja, welk recht van toepassing is.
4.1.1.
De rechtbank stelt voorop dat de vraag of zij bevoegd is van de verzoekschriften kennis te nemen niet dient te worden beantwoord aan de hand van de Verordening (EU) nr. 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures (de Insolventieverordening). Er is immers géén sprake van een procedure die ertoe strekt dat verzoeker het beheer en de beschikking over zijn vermogen (gedeeltelijk) verliest. In bijlage A van de Insolventieverordening wordt de schuldsaneringsregeling weliswaar genoemd als regeling waarop de Insolventieverordening van toepassing is, maar het verzoek op grond van 287a Fw valt niet onder de omschrijving van artikel 1. De gedwongen schuldenregeling voorziet er juist in een wettelijke schuldsanering met de in artikel 1 van Pro de Insolventieverordening bedoelde gevolgen, te voorkomen.
4.1.2.
De verzochte dwangakkoorden kwalificeren naar het oordeel van de rechtbank als een burgerlijke of handelszaak. De vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is van het verzoekschrift kennis te nemen dient derhalve te worden beantwoord aan de hand van Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Brussel I bis-Verordening). In artikel 1 lid 2 onder Pro b is weliswaar bepaald dat de verordening niet van toepassing is op “het faillissement, akkoorden en andere soortgelijke procedures”, maar hieronder dienen uitsluitend vorderingen te worden verstaan die rechtstreeks voortvloeien uit een insolventieprocedure en daarmee nauw samenhangen (vgl. HvJ EU 19 april 2012, ECLI:EU:C:2012:215). De uniewetgever staat (blijkens de overwegingen bij de Brussel I bis-verordening) een ruime uitleg van het begrip burgerlijke en handelszaken voor, terwijl de werkingssfeer van de Insolventieverordening (blijkens de overwegingen bij die verordening) juist níet ruim mag worden uitgelegd. Daarbij komt dat in de rechtspraak meermaals is bevestigd dat tussen de toepassing van de Brussel I bis-verordening en de Insolventieverordening geen rechtsvacuüm mag ontstaan.
4.1.3.
Op grond van artikel 7 lid 2 van Pro de Brussel I bis-Verordening is de Nederlandse rechter bevoegd. In dit artikel is bepaald dat een persoon die woonplaats heeft op het gebied van een andere lidstaat, in een andere lidstaat voor het gerecht kan worden opgeroepen ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad, en wel voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen. Verzoekers gronden het verzoek (kennelijk) op de stellingen dat verweerster 2 niet in redelijkheid haar instemming aan de schuldregeling heeft kunnen weigeren omdat dit misbruik van bevoegdheid is en dat zij, door het aanbod te weigeren, de schuldenaar en de andere schuldeisers, die wel met het aanbod hebben ingestemd, benadeelt (vergelijk artikel 3:13 BW Pro). Door de weigering om in te stemmen met de aangeboden schuldregeling, kunnen de schuldeisers immers een lagere opbrengst verwachten ten opzichte van een wettelijke schuldsanering. Het verzoek komt er dus op neer dat verweerster 2 jegens verzoekers en de andere schuldeisers onrechtmatig handelt. De dreigende schadelijke gevolgen daarvan doen zich voor in Nederland.
4.1.5.
Ten aanzien van het op de verzoeken toepasselijke recht geldt het volgende. Het verzoek heeft betrekking op de rechtsvraag of verweerster 2 gehouden is een nieuwe overeenkomst te sluiten met verzoekers. Op deze niet-contractuele verhouding is van toepassing de Verordening (EG) nr. 864/2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet contractuele verbintenissen (Rome II-Vo). Op grond van de hoofdregel van artikel 4 lid 1 Rome Pro II-Vo is het recht van toepassing van het land waar de schade zich voordoet. Zoals in 4.1.4. hiervoor overwogen, doet de dreigende schade zich voor in Nederland. Nederlands recht is daarom van toepassing.
4.2.
Ingevolge artikel 287a Fw kan een verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord worden toegewezen, indien de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij de uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. De wetgever heeft met de invoering van deze bepaling beoogd het minnelijk traject te versterken.
4.3.
Bij de belangenafweging als bedoeld in artikel 287a Fw zullen onder meer de volgende omstandigheden een rol spelen:
  • is het schikkingsvoorstel door een onafhankelijke en deskundige partij getoetst (bijvoorbeeld een gemeentelijke kredietbank);
  • is het schikkingsvoorstel goed en betrouwbaar gedocumenteerd;
  • is voldoende duidelijk gemaakt dat het aanbod het uiterste is waartoe de schuldenaar financieel in staat moet worden geacht;
  • biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht voor de schuldenaar; biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht voor de schuldeiser: hoe groot is de kans dat de weigerende schuldeiser dan evenveel of meer zal ontvangen;
  • is aannemelijk dat gedwongen medewerking aan een schuldregeling voor de schuldeiser concurrentieverstorend werkt;
  • bestaat er precedentwerking voor vergelijkbare gevallen; wat is de zwaarte van het financiële belang dat de schuldeiser heeft bij volledige nakoming;
  • hoe groot is het aandeel van de weigerende schuldeiser in de totale schuldenlast;
  • staat de weigerende schuldeiser alleen naast de overige met de schuldregeling instemmende schuldeisers;
  • is er eerder een minnelijke of een gedwongen schuldregeling geweest die niet naar behoren is nagekomen?
4.4.
Allereerst dient te worden beoordeeld of de schuldhulpbemiddeling is gedaan door een bevoegde persoon of instelling. In artikel 48 lid 1 sub c van Pro de Wet op het consumentenkrediet is bepaald dat een advocaat een schuldbemiddeling mag doen. Dat verzoekers tijdens het traject van advocaat zijn gewisseld verandert dit niet. Bij de aanvullende stukken is op 3 april 2026 de voorgeschreven verklaring als bedoeld in art. 285 lid 1 sub f Fw Pro van Mr. Mukuchian overgelegd. Dat de gemachtigde van verzoekers een deel van de werkzaamheden voor zijn rekening heeft genomen is niet helemaal gebruikelijk, maar is niet verboden. De gemachtigde heeft wel steeds onder verantwoordelijkheid en toezicht van Mr. Mukuchian gehandeld. De rechtbank acht dit voldoende om aan te nemen dat de schuldhulpbemiddeling door een daartoe bevoegde persoon heeft plaatsgevonden.
4.5.
Er is echter niet gebleken dat het aanbod het uiterste is waartoe verzoekers financieel in staat moeten worden geacht. Ter zitting is verklaard dat door de eerste advocaat geadviseerd is om een aanbod van 5% te doen. De opvolgend advocaat is hiermee verder gegaan. Het is de rechtbank niet duidelijk waarop dit aanbod is gebaseerd. De gebruikelijke werkwijze is dat er op basis van een VTLB-berekening bepaald wordt wat een schuldenaar maandelijks kan afdragen. Deze berekening is echter niet overgelegd. In plaats daarvan is een berekening van de beslagvrije voet overgelegd, maar dit is niet hetzelfde als een VTLB-berekening. In het overgelegde formulier valt af te lezen dat er wordt uitgegaan van een echtpaar, maar door de detentie van verzoeker dient in dit geval te worden uitgegaan van een alleenstaande. Het is niet na te gaan wat de daadwerkelijke afdracht op basis van een VTLB-berekening zou zijn over een periode van 18 maanden. Daarnaast dienen bij de bepaling van een aanbod ook alle vermogensbestanddelen te worden meegenomen, zoals de overwaarde van een woning, de saldi op bankrekeningen en beleggingsrekeningen, waardevolle bezittingen, zoals een auto, en levensverzekeringen en koopsommen.
4.5.1.
In het verzoek wordt wel de koopwoning van verzoekers vermeld, maar er is bewust voor gekozen om die niet in het aanbod mee te nemen. Er wordt wel aangegeven dat er sprake is van een overwaarde van € 75.000,- (executiewaarde € 375.000,- (taxatierapport
12 november 2024) - restschuld € 300.000,-), maar verzoekers achten het zeer aannemelijk dat zij met een grote restschuld blijven zitten. Dit baseren zij op het feit dat zij verwachten dat de woning besmet zou kunnen zijn door de situatie rondom verzoeker, aangezien verzoekers in een dorp wonen waar iedereen elkaar kent. Ook stellen verzoekers dat er nog onderhoudskosten zullen zijn doordat verzoeker zijn zonnepanelen verkeerd op het dak heeft gelegd en zonder vergunning is begonnen met een dakverlenging. Inmiddels heeft de gemeente met die situatie ingestemd, maar moet de dakconstructie wel nog worden aangepast. Hiervoor is een offerte van € 15.200,- overgelegd naast nog kostenramingen voor andere onderhouds- en schilderwerkzaamheden. Verzoekers vinden het daarom niet realistisch om uit te gaan van de vrije verkoopwaarde. Daarnaast gaan zij uit van een gedwongen verkoop, omdat verweerster 1 dit eerder heeft aangegeven.
Verder achten verzoekers de kans groot dat zij geen voorrang op sociale woningen zullen krijgen.
4.5.2.
Op basis van de in het dossier aanwezige stukken oordeelt de rechtbank dat de overwaarde van de woning substantieel is. Dit is gebaseerd op het volgende.
Als de woning in een schuldsaneringsregeling verkocht zou moeten worden, wordt uitgegaan van de marktwaarde. Ook verweerster 1 geeft in haar verweer aan dat zij uitgaat van de marktwaarde. Er dient dan ook te worden uitgegaan van de marktwaarde. Op basis van het taxatierapport van 12 november 2024 bedroeg de marktwaarde € 450.000,-. In de periode daarna is de woningmarkt nog steeds in beweging en wordt er regelmatig zelfs overboden bij de verkoop van woningen. Uit de WOZ-waarde kan ook worden afgeleid dat de waarde van de woning inmiddels is gestegen. In 2024 bedroeg deze € 438.000,-, iets onder de marktwaarde van de woning zoals geschat in het taxatierapport. In 2025 is de WOZ-waarde verhoogd naar € 481.000,-. Ook uit het overzicht van Calcasa, dat verweerster met het verweerschrift heeft meegestuurd, blijkt dat de waarde van de woning inmiddels al hoger ligt dan genoemd in het taxatierapport. Op 20 mei 2026 is de waarde volgens Calcasa € 474.000,-. Uitgaande van deze waarde, die iets lager is dan de WOZ-waarde, zou er een overwaarde zijn van € 99.000,-. Daarnaast is er nog een beleggingsrekening verbonden aan de hypotheek waarvan het saldo op 1 januari 2025 reeds € 61.290,- bedroeg. De verwachting is dat dit saldo inmiddels is opgelopen. Voor nu wordt echter met dit bedrag gerekend, omdat niet bekend is hoeveel hoger het saldo zou kunnen zijn. Dit bedrag wordt bij de overwaarde geteld, waardoor de totale overwaarde van de woning op ruim € 160.000,- komt. Dit bedrag is meer dan het driedubbele van het door verzoekers aangeboden bedrag. Zelfs als daar nog de onderhoudskosten voor de reparatie van de dakconstructie af gaan, blijft er nog een bedrag over dat veel hoger is dan het gedane aanbod. Op welke wijze en waar verzoekers vervolgens een andere woning vinden is voor de rechtbank van ondergeschikt belang. De rechtbank kijkt naar de waarde die een vermogensbestanddeel, zoals in dit geval de woning, vertegenwoordigt en weegt vervolgens de belangen van verzoekers tegen die van de schuldeisers af. Het kan niet zo zijn dat verzoekers een vermogensbestanddeel kunnen behouden die zo’n grote waarde vertegenwoordigt, terwijl de schuldeisers maar een fractie van hun schulden betaald krijgen.
Daarnaast zijn er nog twee levensverzekeringen die mogelijk nog waarde vertegen-woordigen evenals een auto. Deze vermogensbestanddelen behoren eveneens te worden meegenomen in het aanbod.
4.6.
Daarnaast is ook niet aan alle schuldeisers hetzelfde aanbod gedaan. De gemeente Maastricht is de enige preferente schuldeiser. Het is dan ook logisch dat deze een hoger percentage aangeboden heeft gekregen. Op basis van het aanbod is het correct dat deze schuldeiser 10% heeft aangeboden gekregen. De overige schuldeisers zijn allemaal concurrent en daar varieert het aanbod. Zo hebben Westerveld en verweerster 1 respectievelijk een aanbod gekregen van 8,4% en 7,9% (uitgaande van de totale schuldenlast van € 948.893,02 en het overzicht gevoegd bij de aanvullende stukken), terwijl aan de overige concurrente schuldeisers een aanbod is gedaan tussen 5% en 5,2%.
Het is de bedoeling dat aan alle schuldeisers eenzelfde aanbod wordt gedaan en dat het aanbod aan de preferente schuldeisers het dubbele is van het aanbod aan de concurrente schuldeisers.
4.7.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van verweersters als weigerende schuldeisers niet hoeven te wijken voor die van verzoekers of de overige schuldeisers. Het verzoek om verweersters te bevelen in te stemmen met de door verzoekers aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen.
Schuldsaneringsregeling
4.8.
Ter zitting is het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ingetrokken. Hierdoor komt de rechtbank ook niet meer toe aan de behandeling van het verweer van verweerster 1 op dit punt.
4.9.
Ten overvloede wordt opgemerkt dat het bij een volgend schuldbemiddelingstraject de moeite van het overwegen is dat verzoekers zich bij de gemeente melden voor ondersteuning bij dit traject. In de eerste plaats scheelt dit kosten, maar is er ook de juiste expertise aanwezig.

4.De beslissing

De rechtbank
wijst af het verzoek om verweerster 1 en 2 te bevelen in te stemmen met de door verzoekers
aangeboden schuldregeling.
Dit is de beslissing van mr. V.E.J. Noelmans, rechter, in samenwerking met N.W.M. Clement, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026. [1]