Verzoekster heeft bij de rechtbank Limburg een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b Faillissementswet, gericht op het opschorten van de executie van een ontruimingsvonnis. Dit verzoek is gedaan in het kader van een schuldsaneringsregeling, waarvan de toepassing uiteindelijk is ingetrokken.
De rechtbank overweegt dat de voorlopige voorziening bedoeld is om de mogelijkheden van een minnelijke regeling met schuldeisers te onderzoeken en de goede trouw van verzoekster te toetsen. Uit het vonnis van 22 april 2026 blijkt dat de huurovereenkomst is ontbonden en dat verzoekster het gehuurde moet ontruimen. De opschorting van de ontruiming is slechts mogelijk indien de lopende huurpenningen tijdig worden voldaan.
Uit de feiten blijkt dat verzoekster de lopende huurpenningen en andere vaste lasten niet heeft voldaan, waardoor de huurachterstand is opgelopen. Er is geen bewijs van inkomen of budgetbeheer, en de schuldhulpverlening meldt dat verzoekster recent is toegelaten tot het schuldhulpverleningstraject. Verweerster heeft voorwaarden gesteld voor het afzien van ontruiming, waaronder betaling van de helft van de huurschuld en het aanvragen van bewindvoering, waaraan niet is voldaan.
De rechtbank concludeert dat er geen sprake is van stabilisatie in de financiële situatie van verzoekster en dat het belang van de verhuurder zwaarder weegt. Daarom wordt het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen. Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is ter zitting ingetrokken.